Artikel
1
De beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
besluit:
De beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
In deze regeling wordt verstaan onder:
de wet: de Mediawet;
het besluit: het Mediabesluit;
Commissariaat: het Commissariaat voor de Media;
ontheffing: ontheffing op grond van artikel 52, derde lid, van de Mediawet van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 52, tweede lid, van de Mediawet;
omroepinstelling: instelling die zendtijd heeft verkregen;
De omroepinstelling stelt het Commissariaat bij de indiening van het verzoek tot ontheffing alle relevante bescheiden ter beschikking. Van overeenkomsten met derden dienen afschriften van ondertekende exemplaren te worden overgelegd.
De omroepinstelling dient het verzoek tot ontheffing, zoals bedoeld in artikel 4, in uiterlijk twee weken voor de uitzending van het programmaonderdeel waar de ontheffing betrekking op heeft.
Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 52, derde lid, van de wet wordt, in geval de ontheffing wordt aangevraagd door een landelijke publieke omroepinstelling, gekeken of er sprake is van een goed doel.
Bij de vaststelling of sprake is van een bijzonder geval wordt, in geval de ontheffing wordt aangevraagd door een lokale of regionale omroepinstelling in verband met een liefdadigheidsactie, gekeken of er sprake is van een goed doel en of de actie in beginsel een kleinschalig karakter heeft.
Indien de instelling die zendtijd heeft verkregen naar genoegen van het Commissariaat heeft aangetoond dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van het eerste of tweede lid worden aan de ontheffing in ieder geval de voorwaarden verbonden dat:
de ontheffing alleen geldt voor het uit te zenden programmaonderdeel in het kader van de in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde liefdadigheidsactie;
in het betreffende programmaonderdeel alleen de handelsnamen van bedrijven of instellingen worden getoond of vermeld die een bijdrage leveren aan de in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde liefdadigheidsactie;
het tonen of vermelden van de handelsnamen van de bedrijven of instellingen zoals bedoeld in onderdeel b van dit artikellid, gezien de context waarin dit gebeurt, niet op overdreven of overdadige wijze plaatsvindt of er specifieke aanprijzingen worden gedaan;
er geen producten of diensten van de bedrijven of instellingen zoals bedoeld in onderdeel b van dit artikellid zullen worden getoond of vermeld.
De programma’s van instellingen die zendtijd hebben verkregen bevatten geen reclameboodschappen tenzij zulks bij deze wet uitdrukkelijk wordt toegestaan.
De programma’s als bedoeld in het eerste lid bevatten voorts geen andere reclame-uitingen tenzij dit niet vermijdbaar is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een reclame-uiting in een programma niet vermijdbaar kan worden geacht, alsmede wanneer het is toegestaan dat programma’s reclame-uitingen bevatten.
Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid. Hij kan deze bevoegdheid delegeren aan het Commissariaat voor de Media.
Behoudens toestemming van het Commissariaat bevatten programma’s van instellingen die zendtijd hebben verkregen geen oproepen in het kader van ledenwerving, verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten.