Artikel
1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
Minister: Minister van Verkeer en Waterstaat;
Deze regeling is van toepassing op
de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot de uitoefening van de gereglementeerde beroepen waarvoor een bewijs van bevoegdheid dan wel een geldig bewijs van gelijkstelling is vereist als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, en 3.30, eerste lid, van de Wet luchtvaart, voor zover het beroep van de migrerende beroepsbeoefenaar valt onder de werking van de wet;
de schriftelijke verklaring, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, met betrekking tot de uitoefening van een gereglementeerd beroep waarvoor een bewijs van bevoegdheid dan wel een geldig bewijs van gelijkstelling is vereist als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, en 3.30, eerste lid, van de Wet luchtvaart, voor zover het beroep van de migrerende beroepsbeoefenaar valt onder de werking van de wet;
de erkenning van een bewijs van bevoegdheid, bedoeld in artikel 2.8 van de Wet luchtvaart.
Een aanvraag tot erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de wet wordt ingediend bij de Minister.
De aanvrager verstrekt bij de aanvraag de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet.
Indien het voor de vaststelling van wezenlijke verschillen als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet noodzakelijk is, verstrekt de aanvrager op verzoek van de Minister tevens informatie over zijn opleiding, waarbij in ieder geval gegevens omtrent de totale cursusduur, de bestudeerde vakken, een globale leerstof omschrijving en de daarbij behorende studietijd is opgenomen.
Indien de Minister op grond van artikel 11 van de wet besluit dat een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid noodzakelijk zijn, stelt de Minister de omvang en inhoud van de aanpassingsstage of de proeve van bekwaamheid vast.
Artikel 2.3, zesde lid, onderdelen d, e, en h, van de Wet luchtvaart is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de proeve van bekwaamheid of de aanpassingsstage.
Een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de wet verstrekt aan de Minister documenten, bedoeld in artikel 23, eerste en derde lid, onderdelen a tot en met d, van de wet.
Een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring, aantekening bij de bevoegdverklaring, aantekening betreffende de taalvaardigheid als bedoeld in respectievelijk artikel 17 en 18, eerste en tweede lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid en een medische verklaring afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders wordt door de Minister erkend.
Na een erkenning als bedoeld in het eerste lid stelt de Minister op aanvraag binnen 6 weken het programma vast ter vaststelling van de kennis, bedrevenheid en ervaring met betrekking tot de aantekening betreffende de eenheid, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, waarbij rekening wordt gehouden met door betrokkene verworven bekwaamheden en ervaring.
Een wijziging van richtlijn nr. 2006/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 inzake een communautaire vergunning van luchtverkeersleiders gaat voor de toepassing van onderhavige regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst met dien verstande dat paragraaf 1 en 2 terugwerken tot en met 21 december 2007.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling erkenning EG-beroepskwalificaties en bewijzen van bevoegdheid luchtvaart.
Deze regeling zal met de toelichting de in Staatscourant worden geplaatst.