Artikel
1
De beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
Besluit:
De beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
In deze regeling wordt verstaan onder:
de wet: de Mediawet;
het besluit: het Mediabesluit;
Commissariaat: het Commissariaat voor de Media;
ontheffing: ontheffing op grond van artikel 71m, derde lid, van de Mediawet van het bepaalde in het eerste lid van artikel 71m van de Mediawet;
omroepinstelling: een commerciële omroepinstelling;
zendernaam: de naam van een programma waarvoor toestemming zoals bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de Mediawet is of wordt verkregen.
Een omroepinstelling kan een verzoek tot ontheffing van artikel 71m, eerste lid, van de Mediawet indienen met betrekking tot de vermelding of vertoning van een naam of merk in de zendernaam.
De omroepinstelling stelt het Commissariaat bij de indiening van het verzoek tot ontheffing alle relevante bescheiden, waaronder het redactie- of programmastatuut, ter beschikking.
De omroepinstelling geeft in haar ontheffingsverzoek inzicht in de wijze waarop de omroepinstelling haar (eind)verantwoordelijkheid voor vorm en inhoud van het programma neemt.
De omroepinstelling dient het verzoek tot ontheffing, zoals bedoeld in artikel 4, in uiterlijk een maand voor de uitzending van het programma waarop de ontheffing betrekking heeft.
Van een bijzonder geval in de zin van artikel 71m, derde lid, van de wet in de zin van dit artikellid is sprake indien de eigen (handels)naam of eigen merk van de omroepinstelling in de zendernaam wordt vermeld of getoond.
Aan de te verlenen ontheffing worden in ieder geval de volgende voorwaarden gesteld:
de omroepinstelling opereert op basis van een redactie- of programmastatuut,
de zendernaam wordt neutraal in het programma getoond of vermeld, en,
met uitzondering van de reclamezendtijd wordt in het programma direct noch indirect naar producten, diensten of activiteiten van de omroepinstelling verwezen, tenzij dit is toegestaan op grond van het Besluit ontheffing zelfpromotie commerciële omroep.
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, is het een commerciële omroepinstelling slechts toegestaan een door haar verzorgd programma uit te zenden of te doen uitzenden, indien zij daarvoor toestemming van het Commissariaat voor de Media heeft verkregen. De toestemming is voor ieder programma afzonderlijk vereist. In de toestemming wordt aangegeven of zij betrekking heeft op een programma voor algemene omroep dan wel op een programma voor bijzondere omroep.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aanvragen tot het verlenen van toestemming worden ingediend en de termijn waarbinnen beslissingen daarop worden genomen.
3. Indien toestemming is verleend voor het uitzenden of doen uitzenden van een televisieprogramma, is het de commerciële omroepinstelling tevens toegestaan:
een toetsbeeld uit te zenden of te doen uitzenden;
een teletekstprogramma uit te zenden of te doen uitzenden, indien dat op dezelfde frequentieruimte of hetzelfde kanaal tegelijkertijd met het in de aanhef bedoelde televisieprogramma of met het toetsbeeld wordt uitgezonden.
4. De toestemming wordt verleend voor de duur van vijf jaren.
5. De toestemming is niet overdraagbaar.
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 71j, 71k, tweede en derde lid, en 71l, eerste lid, worden in de programma’s van commerciële omroepinstellingen geen namen, (beeld)merken, producten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen vermeld of getoond, indien de desbetreffende commerciële omroepinstelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen.
2. Het vermelden of tonen van een naam, (beeld)merk, product, dienst of activiteit van een persoon, bedrijf of instelling in een programma wordt geacht te geschieden met het oogmerk, bedoeld in het eerste lid, indien zulks tegen betaling geschiedt.
3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het eerste lid.
4. Dit artikel is niet van toepassing op reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.