Verordening van het Productschap Tuinbouw van 26 september 2000, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van maatregelen gericht op verbetering van de energie-efficiëntie voor het jaar 2001 (Verordening PT heffing verbruik aardgas 2001)

Verordening PT heffing verbruik aardgas 2001

Het bestuur van het Productschap Tuinbouw,
op voorstel van de Sectorcommissie voor energie;
gelet op artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie en op de artikelen 14, 15 en 19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998;

besluit:

§

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

§

2

Heffingsplicht

Artikel

2

De ondernemer die gedurende het jaar 2001 tenminste 30.000 m3 aardgas op directe of indirecte wijze verbruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten is aan het productschap over dat jaar een heffing verschuldigd ten behoeve van de financiering van maatregelen gericht op verbetering van de energie-efficiëntie.

§

3

Grondslag en hoogte

Artikel

3

De heffing wordt berekend naar de door het energiebedrijf gefactureerde hoeveelheid m3 aardgas of aardgasequivalent die gedurende een bepaalde periode is verbruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten, afhankelijk van de wijze waarop het energiebedrijf het definitief toegerekende verbruik heeft gefactureerd:

  • a.

    ingeval van maandelijkse meteropname en maandelijkse facturering van het werkelijk verbruik aan de hand van het toegerekende verbruik volgens de facturen van het energiebedrijf over het jaar 2001;

  • b.

    ingeval van voorschotnota’s en een definitieve facturering per 12 maanden van het werkelijk verbruik: aan de hand van het toegerekend verbruik volgens de facturen van het energiebedrijf, die, en voor zover die betrekking hebben op het jaar 2001, nadat het toegerekend verbruik volgens een door de voorzitter bepaalde methode is omgerekend naar het jaar 2001;

  • c.

    ingeval na berekening blijkt dat het bedrag van de definitief op te leggen heffing ten hoogste ƒ 10,– verschilt met het totaal van de voorlopige aanslagen over de periode waarop de definitieve heffing betrekking heeft, wordt geen definitieve heffing opgelegd, tenzij de heffingsplichtige daarom verzoekt.

Artikel

4

Artikel

5

§

3

Oplegging en inning

Artikel

6

Indien de heffingsplichtige de gegevens die hem krachtens deze verordening of de Verordening PT Algemene bepalingen ten behoeve van de onderhavige verordening zijn gevraagd, niet, niet tijdig of niet volledig verstrekt, wordt de heffing berekend over de dan te ramen omvang van de grondslag die op de heffingsplichtige ingevolge deze verordening van toepassing is, in welk geval de heffing met ƒ 90,– wordt verhoogd in verband met administratiekosten.

Artikel

7

Artikel

8

Indien uit de ter beschikking gekomen gegevens blijkt dat de verstrekking van de gegevens of een raming als bedoeld in artikel 6, niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, kan een opgelegde heffing aan de hand van deze gegevens worden herzien en opnieuw worden opgelegd.

Artikel

9

Artikel

10

Aan de heffingsplichtige, die niet of niet geheel binnen de in artikel 9 bedoelde termijn heeft betaald, kunnen de daaruit voortvloeiende extra kosten van maximaal ƒ 50,– in rekening worden gebracht, alsmede de wettelijke interest over het niet betaalde bedrag, te berekenen vanaf de dag waarop de betaling diende te zijn verricht ingevolge de aanmaning bedoeld in artikel 127, tweede lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Artikel

11

De voorzitter is belast met het opleggen van de aanslagen en de voorlopige aanslagen.

§

4

Slotbepalingen

Artikel

12

Zoetermeer
J. van der Veen voorzitter
C. Kuijvenhoven secretaris