Artikel
1
1
In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 2 en 3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998.
2
In deze verordening wordt verstaan onder:
|
a. |
productschap: |
het Productschap Tuinbouw; |
|
b. |
bestuur: |
het bestuur van het productschap; |
|
c. |
voorzitter: |
de voorzitter van het productschap; |
|
d. |
onderneming: |
de onderneming waarvoor het productschap is ingesteld; |
|
e. |
ondernemer: |
de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft; |
|
f. |
heffingsplichtige: |
de ondernemer die ingevolge deze heffingsverordening heffing verschuldigd is. |
|
g. |
energiebedrijf: |
het energiebedrijf waarvan de heffingsplichtige aardgas of warmte afneemt; |
|
h. |
groeiproces van tuinbouwproducten: |
het groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in de beschikking van de staatssecretaris van Financiën, inzake de toepassing van post a 32 van de bij de Wet op de Omzetbelasting 1968 behorende tabel I; |
|
i. |
warmte/kracht-installatie: |
een voorziening, strekkende tot gecombineerde opwekking van warme en kracht, waarbij de daarbij opgewekte warmte wordt aangewend ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten, door het installeren van krachtwerktuigen en daarbij behorende voorzieningen; |
|
j. |
indirect aardgasverbruik: |
het door de heffingsplichtige afnemen van warmte van het energiebedrijf, waarbij deze warmte is vrijgekomen door verbranding van aardgas; |
|
k. |
aardgasequivalent: |
een in m3 aardgas omgerekende hoeveelheid energie, waarbij 1 equivalent gelijk is aan 1 m3 aardgas. |