Verordening van het Productschap Zuivel van 29 oktober 20008, houdende uitvoeringsbepalingen ten behoeve van de Regeling superheffing 2008 (Zuivelverordening uitvoering Regeling superheffing 2008)
de artikelen 65 tot en met 84 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (PbEU, L299);
Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling een heffing in de sector melk en zuivelproducten (PbEU L94);
superheffing: de in paragraaf 2 van de regeling bedoelde heffing;
Paragraaf
2
: Verstrekking van gegevens door producent en koper
Artikel
2
De in de artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening bedoelde opgaven worden volledig, naar waarheid en met inachtneming van de voorgeschreven onderscheidingen en aanwijzingen gedaan en worden gedateerd en ondertekend bij het productschap ingediend binnen de gestelde termijnen en met de voorgeschreven periodiciteit.
Artikel
3
De koper doet vóór 15 mei in de volgende heffingsperiode aan het productschap opgave van de bij hem geregistreerde natuurlijke of rechtspersonen met een quotum die in de heffingsperiode geen melk hebben geleverd, onder vermelding van naam, adres en registratienummer.
Artikel
4
1
De koper doet ten aanzien van in de heffingsperiode van producenten ontvangen melk vóór 15 mei in de volgende heffingsperiode aan het productschap opgave, op de door het productschap voorgeschreven wijze, van:
–
het totaal van de feitelijk geleverde hoeveelheden melk;
–
het gemiddelde vetgehalte van het totaal van de feitelijk geleverde hoeveelheden melk;
–
het totaal van de toegedeelde kilogrammen melk en vet waarover de producenten beschikken;
–
het totaal van de hoeveelheden melk, na correctie per producent, van de feitelijk geleverde hoeveelheden melk op grond van de vergelijking van het geconstateerde gemiddelde vetgehalte met het voor de producent geldende representatieve vetgehalte;
en van de per producent geleverde hoeveelheden melk, onderscheiden naar:
–
de feitelijk geleverde hoeveelheden melk, in totaal en per maand;
–
de hoeveelheid vet van die melk, in totaal en per maand;
–
de hoeveelheden melk, na correctie van de feitelijk geleverde hoeveelheden melk op grond van de vergelijking van het geconstateerde gemiddelde vetgehalte met het voor de producent geldende representatieve vetgehalte;
onder vermelding van naam, adres, registratienummer van de producent.
2
De koper doet ten aanzien van in de heffingsperiode van anderen dan producenten ontvangen melk desgevraagd opgave aan het productschap van:
–
de, per leverancier, aan de koper geleverde hoeveelheden melk, alsmede de hoeveelheid vet van die melk onder vermelding van naam en adres van de leverancier, en/of
–
het totaal van de door anderen dan de producenten aan de koper geleverde hoeveelheden melk en de totale hoeveelheid vet van die melk.
Artikel
5
De producent die in een heffingsperiode hoeveelheden melk en/of andere zuivelproducten rechtstreeks verkoopt of overdraagt doet vóór 15 mei in de volgende heffingsperiode daarvan opgave aan het productschap, op een door het productschap voorgeschreven formulier.
Paragraaf
3
: Vaststelling van de gebruikte melk bij rechtstreekse verkoop
Artikel
6
1
Het melkequivalent van room en boter wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 12, eerste lid, onderdeel a en b, van de commissieverordening.
2
Voor de vaststelling van het melkequivalent van kaas wordt 1 kg kaas gelijkgesteld met 9,5 kg melk. Rekening houdend met het drogestofgehalte en het vetgehalte van de betrokken kaassoort kan een lagere factor dan 9,5 worden gehanteerd, indien de producent ten genoegen van het productschap aantoont dat voor de bereiding van die kaassoort een lagere hoeveelheid melk wordt gebruikt. Dit geldt niet, indien de kaas is bereid uit melk waaraan vet is onttrokken en het betrokken melkvet bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing niet is meegeteld.
3
Voor de vaststelling van het melkequivalent van andere zuivelproducten dan bedoeld in het eerste en tweede lid wordt:
–
indien het yoghurt, pap, vla en andere vloeibare zuivelproducten betreft, de factor 1 gehanteerd;
–
indien het kwark betreft, de factor 3 gehanteerd.
4
Indien de in het derde lid bedoelde producten zijn bereid uit melk waaraan melkvet is onttrokken en het betrokken melkvet bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing is meegeteld, wordt met inachtneming hiervan een lagere hoeveelheid vastgesteld.
5
Indien de in het derde lid bedoelde producten zijn bereid uit melk waaraan melkvet is toegevoegd, en het betrokken melkvet bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing niet is meegeteld, wordt met inachtneming hiervan een hogere hoeveelheid vastgesteld.
Paragraaf
4
: Vaststelling van hoeveelheden melk en vet en van superheffing bij leveringen
Artikel
7
De koper stelt de in artikel 4 bedoelde hoeveelheden melk en vet vast overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk (Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie, 25 november 2005, nr. 67), dan wel op grond van een andere methodiek welke naar het oordeel van de voorzitter voldoende waarborgen biedt voor een nauwkeurige vaststelling.
Artikel
8
De koper zendt aan de producent die superheffing is verschuldigd, een nota waarop het bedrag is vermeld dat wordt ingehouden ingevolge artikel 18 van de regeling. Op de nota warden tevens de gegevens vermeld op basis waarvan het te innen bedrag is berekend.
Bij het in het eerste lid bedoelde formulier worden documenten gevoegd ten bewijze van de overdracht alsmede de overeenkomst met betrekking tot de overgang van het quotum.