Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 29 april 2009, nr. BJZ2009024680, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, houdende vaststelling van de maximale inkomensgrenzen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit, zoals die luidde op 31 december 2006, van de maximale vermogensgrenzen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a, c en d, van die wet, van de minimaal vereiste inkomens, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet, van de bedragen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet, van het percentage van de normrente, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van die wet, van het normbedrag voor de per maand te betalen spaarpremie, bedoeld in artikel 26, tweede lid, van die wet, van de minimum-inkomensijkpunten, bedoeld in artikel 28, van die wet, van de minimum-normlast, bedoeld in artikel 29, eerste lid, formule, van die wet, en van het bedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van die wet (Regeling koopsubsidiegrenzen Wet BEW oud)
De maximale inkomensgrenzen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet, zijn voor het tijdvak van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 voor:
a.
een eenpersoonshuishouden: € 20 275;
b.
een tweepersoonshuishouden: € 27 175;
c.
een eenpersoonsouderenhuishouden: € 18 175, en
d.
een tweepersoonsouderenhuishouden: € 23 800.
Artikel
3
De maximale vermogensgrenzen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, zijn voor het tijdvak van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010:
a.
€ 22 000 bij een eenpersoonshuishouden als de eigenaar-bewoner op de laatste dag van het eerste bijdragejaar van een driejaarstijdvak in de zin van de wet jonger is dan 65 jaar;
b.
€ 37 625 voor een eenpersoonshuishouden als de eigenaar-bewoner op de laatste dag van het eerste bijdragejaar van een driejaarstijdvak in de zin van de wet 65 jaar of ouder is, of een eenpersoonsouderenhuishouden, en
c.
€ 52 075 voor een tweepersoonshuishouden of een tweepersoonsouderenhuishouden als de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort op de laatste dag van het eerste bijdragejaar van een driejaarstijdvak in de zin van de wet 65 jaar of ouder is, of een tweepersoonsouderenhuishouden.
Het normbedrag voor de spaarpremie, bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de wet, bedraagt, voor zover de peildatum in de zin van de wet is gelegen voor of op 30 juni 2016: € 60,17.