Artikel
1
1
Het vacatiegeld, bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants bedraagt per zitting een bedrag dat gelijk is aan de vergoeding die ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren geldt voor raadsheren-plaatsvervangers.
2
Voor de toepassing van het eerste lid worden zittingen die op één dag worden gehouden, samen als één zitting beschouwd.
3
De voorzitter van de accountantskamer kan besluiten dat een vergoeding overeenkomstig het eerste lid aan een lid of plaatsvervangend lid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants wordt toegekend voor het concipiëren van een uitspraak in een zaak waarin geen zitting heeft plaatsgevonden.
4
De voorzitter van de accountantskamer kan besluiten dat een vergoeding overeenkomstig artikel 19, vierde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants wordt toegekend aan een lid of plaatsvervangend lid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van die wet voor het verrichten van deskundigenonderzoek.