Regeling van de Minister van Justitie van 9 november 2009, nr. 5602920/09, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en het College van procureurs-generaal ten aanzien van aangelegenheden van het openbaar ministerie die niet het beheer van het openbaar ministerie betreffen (Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie)
Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie
Besluit:
Artikel
2
1
Aan de secretaris-generaal wordt mandaat verleend tot:
-
a.
het beslissen op bezwaarschriften of op verzoeken als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van besluiten die het College krachtens mandaat heeft genomen;
-
b.
de behandeling van klachten die gedragingen van het College of leden daarvan betreffen;
-
c.
het beslissen op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, indien inwilliging of afwijzing daarvan belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben,
-
d.
het nemen van besluiten en het verrichten van andere handelingen, voortvloeiend uit aangelegenheden die de Nationale ombudsman betreffen, behoudens in het geval de strekking daarvan is dat:
-
–
aan een aanbeveling van de Nationale ombudsman geen gevolg wordt gegeven; of
-
–
een verbod wordt gegeven als bedoeld in artikel 14 van de Wet Nationale ombudsman.
-
–
Artikel
3
Aan het College wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot de verantwoordelijkheid van de minister behorende aangelegenheden op het terrein van het openbaar ministerie, met uitzondering van:
-
a.
de bevoegdheid tot het nemen van besluiten die zijn neergelegd in een document, gericht tot:
-
1°.
de Koningin;
-
2°.
de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie;
-
3°.
de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
-
4°.
de vice-president van de Raad van State van het Koninkrijk of de vice-president van de Raad van State;
-
5°.
de president van de Algemene Rekenkamer;
-
6°.
de Nationale ombudsman, behoudens indien het gaat om :
-
–
ontvangstbevestigingen;
-
–
tussenberichten, waaronder uitstelberichten;
-
–
stukken naar aanleiding van pogingen van de Nationale ombudsman om ter vermijding van een volledig onderzoek te bevorderen dat alsnog aan de klacht tegemoet wordt gekomen (interventies);
-
–
-
1°.
-
b.
de behandeling van klachten die gedragingen van het College of leden daarvan betreffen.
-
c.
het beslissen op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, indien inwilliging of afwijzing daarvan belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben.
Artikel
4
Artikel
5
Indien een krachtens mandaat te nemen besluit belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben, draagt het College zorg voor voorafgaande afstemming met de secretaris-generaal.
Artikel
6
1
Ondermandaat door het College tot het nemen van besluiten op verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur kan uitsluitend worden verleend aan:
-
a.
de hoofden van de arrondissementsparketten;
-
b.
het hoofd van het landelijk parket;
-
c.
het hoofd van het functioneel parket;
-
d.
de hoofden van de ressortsparketten;
-
e.
het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal;
-
f.
het hoofd van het bureau verkeershandhaving;
-
g.
de directeur van het bureau ontnemingen openbaar ministerie;
-
h.
de directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie;
-
i.
de directeur van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie;
-
j.
de directeur van de Rijksrecherche;
-
k.
de directeur van het wetenschappelijk bureau van het openbaar ministerie.
Artikel
7
Ondermandaat door het College ten aanzien van:
-
a.
de behandeling van en beslissing op bezwaar- en beroepschriften;
-
b.
de behandeling van en beslissing op gerechtelijke en buitengerechtelijke verzoeken om schadevergoeding in verband met strafvorderlijk of ander optreden dat aan het openbaar ministerie wordt toegerekend;
-
c.
het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 4:7, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit politiegegevens;
kan uitsluitend worden verleend aan het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het parket-generaal, die dit ondermandaat slechts één hiërarchisch niveau verder kan doorgeven.
Artikel
8
Ondermandaat door het College ten aanzien van een schadezaak op grond van de Aanwijzing Schade Niet-Voegen of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kan uitsluitend worden verleend aan de in artikel 6, eerste lid, onder a, b, c, d, e, f en i bedoelde functionarissen, die dit ondermandaat slechts één hiërarchisch niveau verder kunnen doorgeven.
Artikel
9
Het College rapporteert tenminste éénmaal per jaar aan de minister over de uitvoering van krachtens mandaat genomen beslissingen inzake het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 4:7, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit politiegegevens. Hiertoe registreert het College de gedurende het kalenderjaar bij het openbaar ministerie ingediende verzoeken en de daarop genomen beslissingen. Het rapport van het College bevat geen gegevens die tot individuele personen herleidbaar zijn.
Artikel
10
Vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling genomen besluiten waarin in de Regeling OM-mandaat Wob, de Regeling machtiging klachtbehandeling College van procureurs-generaal 2003 en de Regeling machtiging klachtbehandeling Rijksrecherche verleende mandaten verder zijn doorgegeven, blijven van kracht voor zover zij niet strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze regeling, totdat op grond van deze regeling is voorzien in ondermandaat of het betrokken besluit wordt ingetrokken.
Artikel
11
Voor de toepassing van deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt met mandaat onderscheidenlijk ondermandaat gelijkgesteld de verlening onderscheidenlijk doorgifte van:
-
a.
volmacht om in naam van de minister privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
-
b.
machtiging om in naam van de minister handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
Artikel
12
Ingetrokken worden:
Artikel
13
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel
14
Deze regeling wordt aangehaald als: Mandaatregeling niet-beheersaangelegenheden openbaar ministerie.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.