Gedragscode Integriteit AZ 2009

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
Gelet op de Modelgedragscode Integriteit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Staatscourant 24 maart 2006, nr. 60;
In overeenstemming met het Departementaal Georganiseerd Overleg als bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;
Gehoord de Ondernemingsraad, ingesteld bij het Ministerie van Algemene Zaken;

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • 1.
    • a.

      Gedrag in strijd met de kernwaarden genoemd in paragraaf 1.3 van de Modelgedragscode Sector Rijk en het handelen of nalaten dat plichtsverzuim oplevert in de zin van artikel 50 en 80 van het ARAR;

    • b.

      In ieder geval wordt als niet-integer gedrag beschouwd: het schenden van geheimhoudingsverplichting (272 WbvSr; 125a AW en 2:5 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), het frauderen (225 WbvSr; 326 WbvSr en 360 WbvSr), het plegen van diefstal en verduistering (310 WbvSr en 321 WbvSr), ongeoorloofde nevenwerkzaamheden (61 ARAR), alcohol- en drugsgebruik (78 ARAR), aannemen van geschenken (64 ARAR), discriminatie, (seksuele) intimidatie, pesten op het werk, oneigenlijk gebruik van dienstmateriaal, niet-integer financieel gedrag (62 ARAR), verstrekken van valse informatie of het verzwijgen van informatie (61a ARAR).

  • 2.

    de minister: de Minister van Algemene Zaken.

  • 3.

    het ministerie: het Ministerie van Algemene Zaken en de daaronder ressorterende diensten.

  • 4.

    de medewerker: de ambtenaar in de zin van het ARAR werkzaam bij het ministerie.

  • 5.
    • de secretaris-generaal;

    • het hoofd KMP;

    • de directeur-generaal Rijksvoorlichtingsdienst;

    • de directeur Dienst Publiek en Communicatie;

    • de secretaris van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid;

    • de directeur Financieel Economische Zaken;

    • het hoofd Personeel & Organisatie;

    • het hoofd Facilitaire zaken;

    • het hoofd Communicatietechnologie, Informatie en Documentmanagement.

  • 6.

    de adviseur integriteit: de door de secretaris-generaal aangewezen adviseur op het gebied van integriteitvraagstukken.

  • 7.

    nevenwerkzaamheden: werkzaamheden die worden verricht naast de ambtelijke werkzaamheden en die mogelijk de belangen van de dienst en de functievervulling kunnen raken (zie de artikelen 61 en 62 van het ARAR).

  • 8.

    registratiepunt integriteit: het verzamel-, toets- en archiefpunt van meldingen en/of besluiten ten aanzien van nevenwerkzaamheden en geschenken.

  • 9.

    een geschenk: een vergoeding, beloning, gift of belofte, in welke vorm dan ook, die aan een medewerker in de hoedanigheid van ambtenaar zonder toestemming van zijn leidinggevende, door een derde wordt gedaan.

  • 10.

    een standaard relatiegeschenk: een geschenk van geringe waarde dat door een derde in het algemeen aan zijn relaties ook als zodanig pleegt te worden aangeboden.

  • 11.

    voorkennis: bekendheid met een bijzonderheid omtrent een rechtspersoon, vennootschap of instelling, waarvan de medewerker, die de bijzonderheid kent, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij niet openbaar is en dat zij niet zonder schending van de geheimhouding buiten de kring van geheimhoudingsplichtigen kan komen of is gekomen.

§

2

Eed en belofte

Artikel

2

§

3

Nevenwerkzaamheden

Artikel

3

Artikel

4

De in artikel 3, eerste lid, bedoelde melding bevat de volgende gegevens:

  • a.

    de naam van de medewerker;

  • b.

    zijn ambtelijke functie;

  • c.

    de aard van de nevenwerkzaamheden;

  • d.

    het verband tussen die werkzaamheden en zijn functievervulling;

  • e.

    de naam van de natuurlijke of rechtspersoon ten behoeve van wie de nevenwerkzaamheden worden of zullen worden verricht.

Artikel

5

Het hoofd van dienst toetst of door het verrichten van de nevenwerkzaamheden de goede functievervulling door de medewerker of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staan met die functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

Artikel

6

Artikel

7

De medewerker, aan wie toestemming voor het verrichten van de gemelde nevenwerkzaamheden is verleend, meldt elke wijziging van omstandigheden die van invloed kan zijn op de verleende toestemming terstond aan zijn hoofd van dienst. Het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

8

Het hoofd van dienst stuurt gelijktijdig een afschrift van de melding als bedoeld in artikel 3, lid 1 of artikel 7 en van de toestemming of afwijzing als bedoeld in artikel 6 voor het verrichten van nevenwerkzaamheden naar het registratiepunt integriteit bedoeld in artikel 19.

§

4

Het aannemen van geschenken

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Indien een geschenk niet wordt aangenomen maakt betrokkene of het hoofd van dienst dat bekend aan de aanbieder van het geschenk, onder verwijzing naar het integriteitsbeleid van het ministerie.

Artikel

13

Indien het geschenk al is overgedragen, zorgt betrokkene voor teruggave of indien niet mogelijk voor een alternatieve bestemming, eventueel onder vergoeding van de kosten aan de gever.

Artikel

14

§

5

Het omgaan met een vermoeden van een misstand

Artikel

15

Onder een vermoeden van misstand wordt verstaan een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden omtrent:

  • een ernstig strafbaar feit;

  • een grove schending van regelgeving of beleidsregels;

  • het misleiden van justitie;

  • een groot gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu of

  • het bewust achterhouden van informatie over deze feiten.

Artikel

16

Artikel

17

§

6

Het inhuren en/of geven van opdrachten aan ex-medewerkers

Artikel

18

Het is het hoofd van dienst niet toegestaan ex-medewerkers van het ministerie binnen een termijn van 2 jaar na datum van ontslag, direct of via derden, anders dan door middel van een ambtelijke aanstelling, in te huren voor het verrichten werkzaamheden ten behoeve van de betreffende dienst. Hiervoor kan een uitzondering worden gemaakt als het inhuren deel uit maakt van de ontslagregeling die met deze ex-medewerker is getroffen en het een vooraf te bepalen en beperkte periode betreft, teneinde de overstap naar een nieuwe functie te vergemakkelijken.

Artikel

19

Indien een regeling, zoals bedoeld in artikel 18, is getroffen dan wordt een afschrift van de brief waarin de afspraken zijn vastgelegd ter hand gesteld aan het registratiepunt integriteit.

§

7

De adviseur integriteit

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

De adviseur integriteit brengt jaarlijks voor 1 maart aan de secretaris-generaal een vertrouwelijk en geanonimiseerd verslag uit over het aantal malen dat hij is geraadpleegd en de onderwerpen waarover hij heeft geadviseerd in het voorgaande kalenderjaar.

§

8

Het registratiepunt integriteit

Artikel

23

Artikel

24

§

9

Instructie omgaan met de media

Artikel

25

Contacten met de pers over het werk lopen altijd via het Directoraat-Generaal Rijksvoorlichtingsdienst. Als de medewerker in verband met contacten met de media een dilemma ervaart van de persoonlijke integriteit ten opzichte van de loyaliteit aan het ministerie dan bespreekt hij dit met het hoofd van dienst.

§

10

Discriminatie

Artikel

26

§

11

Financiële belangenverstrengeling

Artikel

27

§

12

Eigendommen van AZ, e-mail en internet

Artikel

28

§

13

Overige bepalingen

Artikel

29

De hoofden van dienst hebben naast een voorbeeldfunctie ook zorg te dragen voor een open cultuur waarin integriteitdilemma’s worden gemeld en besproken. In het personeelsbeleid wordt expliciet aandacht geschonken aan integriteit.

§

14

Sancties en rehabilitatie

Artikel

30

De medewerker kan bij niet-integer gedrag disciplinair worden bestraft met een of meerdere straffen als genoemd in artikel 81 van het ARAR. Het bevoegd gezag dat tot opleggen van een disciplinaire maatregel overgaat onderzoekt tevens de mogelijkheden van rehabilitatie indien niet tot ontslag wordt overgegaan. Indien er sprake is van een ambtsmisdrijf, zal er ook aangifte worden gedaan bij het Openbaar Ministerie. Ook andere rechtspositiemaatregelen zijn mogelijk, zoals een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid (anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken) of een overplaatsing in het belang van de dienst.

§

15

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

31

Voor de toepassing van dit besluit fungeert voor de hoofden van dienst de secretaris-generaal als hoofd van dienst en voor de secretaris-generaal de minister.

Artikel

33

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Artikel

34

Deze regeling wordt aangehaald als: Gedragscode Integriteit AZ 2009.

Den Haag
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
namens deze:
de Secretaris-Generaal, R. vanZwol