Artikel
1
Ten aanzien van de uitlevering van personen worden geen nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.
Besluit:
Ten aanzien van de uitlevering van personen worden geen nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.
Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
een door de autoriteiten van de verzoekende Staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek terzake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar dat van de Nederlandse Antillen, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd;
de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat te ondergaan wegens een feit als onder a bedoeld.
Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder een naar Nederlands-Antilliaans recht strafbaar feit mede verstaan een feit waardoor inbreuk is gemaakt op de rechtsorde van de verzoekende Staat, terwijl krachtens de Nederlands-Antilliaanse wetgeving eenzelfde inbreuk op de Nederlands-Antilliaanse rechtsorde strafbaar is.
Indien de aanvraag tot uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten, die alle krachtens de wetgeving van de verzoekende Staat en van de Nederlandse Antillen strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, kan de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten worden toegestaan.
Voor de toepassing van artikel 2 worden gelijkgesteld:
met vrijheidsstraffen: door de rechter naast of in plaats van een straf op te leggen maatregelen strekkende tot vrijheidsbeneming;
met vrijheidsstraffen van langere duur dan een jaar: vrijheidsstraffen — met inbegrip van maatregelen als bedoeld onder a — voor de duur van het leven of voor onbepaalde tijd.
Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten.
Het eerste lid is niet van toepassing op uitlevering wegens een van de feiten, omschreven in artikel 1 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63), aan een Staat die gehouden is in een overeenkomstig geval uitlevering aan de Nederlandse Antillen niet te weigeren wegens de politieke aard van het feit.
De uitlevering mag geschieden niet alleen wegens het begaan van het misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medeplichtigheid daaraan, voor zover die poging of die medeplichtigheid ook in de Nederlandse Antillen strafbaar is.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitlevering van een Nederlander is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de Gouverneur is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor zijn uitlevering kan worden toegestaan in de verzoekende staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in eigen land zal mogen ondergaan.
Geen uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf vóór de aanhouding in de Nederlandse Antillen, of ingeval er nog geen aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door het Hof van Justitie te worden gehoord, naar de aldaar geldende wetgeving is verjaard.
Indien de persoon wegens een ander strafbaar feit dan waarvoor zijn uitlevering wordt aangevraagd, in de Nederlandse Antillen vervolgd wordt of straf ondergaat, mag de uitlevering niet worden toegestaan dan na afloop van de in de Nederlandse Antillen ingestelde vervolging en nadat hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan of hem daarvan gratie zal zijn verleend.
Geen uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit vóór zijn uitlevering gepleegd, dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, tenzij hij na zijn uitlevering dertig dagen de tijd heeft gehad om het land weer te verlaten, dan wel de instemming van de Gouverneur met zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen.
In afwachting van de aanvrage tot uitlevering kan de vreemdeling wiens uitlevering kan worden aangevraagd op last van de procureur-generaal en op de eilanden Bonaire, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba ook op last van de gezaghebber voorlopig worden aangehouden op aanvrage van de macht in de verzoekende staat tot voorlopige aanhouding bevoegd en als zodanig in het verdrag aangewezen. De op en bij de aangehoudene zijnde goederen mogen in beslag genomen worden.
De procureur-generaal is bevoegd om, na de aangehoudene te hebben gehoord, een bevel tot voorlopige aanhouding tegen hem uit te vaardigen, dat hem zo spoedig mogelijk wordt betekend.
De procureur-generaal beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de aangehoudene, tenzij hij uit anderen hoofde behoort in verzekerde bewaring te blijven, en de teruggave van de in beslag genomen goederen, tenzij er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan, een en ander indien hem geen aanvrage tot uitlevering met de daarbij nodige bescheiden is medegedeeld binnen een termijn bij het verdrag te bepalen en van niet langer dan: twee maanden na de dagtekening van het bevel van aanhouding. Geschiedt de aanvrage tot uitlevering binnen de gestelde termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 13 tot en met 18.
Bij de aanvrage tot uitlevering moet in het oorspronkelijke of in gewaarmerkt afschrift worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeling hetzij het vonnis van in staat van beschuldiging stelling of van rechtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij een daarmede gelijk te stellen akte, in de verzoekende Staat gebruikelijk en als zodanig in het verdrag aangewezen.
De procureur-generaal requireert, zodra de aanhouding te zijner kennis is gekomen, en ingeval deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage is geschied, zo spoedig mogelijk na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëiste persoon door het Hof van Justitie wordt gehoord, en dat dit zijn advies uitbrengt over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering.
Binnen veertien dagen na het verhoor zendt het Hof zijn advies en zijn beslissing, in artikel 8 bedoeld, met de tot de zaak behorende stukken aan de Gouverneur.
Vervallen
Vervallen
Na kennis te hebben genomen van het advies, bedoeld in artikel 15, gelast of weigert de Gouverneur de uitlevering.
Is de opgeëiste persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door het Hof van Justitie te worden gehoord, niet verschenen, dan gaat de termijn, in artikel 15 genoemd, in met de dag, waarop het verhoor door het Hof is bepaald.
De Gouverneur kan toestaan dat een persoon, wiens uitlevering door een vreemde Staat aan een andere Staat is toegestaan, over het grondgebied van de Nederlandse Antillen onder medegeleide van Nederlands-Antilliaanse ambtenaren wordt vervoerd, mits met de Staat, waaraan de uitlevering geschiedt, een uitleveringsverdrag is gesloten en het misdrijf waarvoor uitlevering is toegestaan onder de werking van dat verdrag valt.
Vervallen
Dit besluit is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terugbrengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder Staat mede begrepen: elk tot het westelijk halfrond behorend gebied of gebiedsdeel van Frankrijk, van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland of van de Verenigde Staten van Amerika, of voor welks buitenlandse betrekkingen een van genoemde mogendheden de zorg draagt.