Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 mei 2010, nr. K&L 2010015073, houdende regels als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Smogregeling 2010)

Smogregeling 2010

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op richtlijn nr. 2008/50/EG van 21 mei 2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEG L 152) en artikel 5.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer;

Besluit:

§

1

Definities en algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • ernstige smog: smog waarbij:

    • a.

      de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide gedurende drie opeenvolgende uren in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2 of in een volledige op grond van artikel 5.22 van de wet aangewezen zone of agglomeratie hoger is dan de alarmdrempel, genoemd in voorschrift 1.3 respectievelijk 2.4 van bijlage 2 bij de wet,

    • b.

      de concentratie van ozon gedurende drie opeenvolgende uren hoger is dan de alarmdrempel, genoemd in voorschrift 8.4 van bijlage 2 bij de wet, of

    • c.

      de daggemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) hoger is dan 200 microgram per kubieke meter;

  • geringe smog: smog waarbij:

    • a.

      de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide lager is dan de grenswaarde, genoemd in voorschrift 1.1, onder a respectievelijk voorschrift 2.1, eerste lid, onder a, van bijlage 2 bij de wet,

    • b.

      de concentratie van ozon lager is dan de informatiedrempel, genoemd in voorschrift 8.3 van bijlage 2 bij de wet, of

    • c.

      de daggemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) lager is dan 50 microgram per kubieke meter;

  • matige smog: smog waarbij:

    • a.

      de concentratie van zwaveldioxide of stikstofdioxide hoger is dan de grenswaarde, genoemd in voorschrift 1.1, onder a, respectievelijk 2.1, eerste lid, onder a, van bijlage 2 bij de wet, maar gedurende drie opeenvolgende uren in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km2 of in een volledige op grond van artikel 5.22 van de wet aangewezen zone of agglomeratie lager is dan de alarmdrempel, genoemd in de voorschriften 1.3 respectievelijk 2.4 van bijlage 2 bij de wet,

    • b.

      de concentratie van ozon hoger is dan de informatiedrempel, genoemd in voorschrift 8.3 van bijlage 2 bij de wet, maar gedurende drie opeenvolgende uren lager is dan de alarmdrempel, genoemd in voorschrift 8.4 van bijlage 2 bij de wet, of

    • c.

      de daggemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) zich bevindt tussen 50 en 200 microgram per kubieke meter;

  • Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

  • smog: tijdelijk verhoogd kwaliteitsniveau van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon of zwevende deeltjes (PM10);

  • wet: Wet milieubeheer.

§

2

Basisinformatie

Artikel

3

§

3

Matige en ernstige smog

Artikel

4

Indien naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op matige of ernstige smog en in perioden van matige of ernstige smog, analyseert het RIVM ieder uur de ontwikkeling van de luchtkwaliteit, op basis van de vaststelling van de kwaliteitsniveaus, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Artikel

5

Bij matige smog of ernstige smog stelt het RIVM, in aanvulling op de in artikel 3 genoemde basisinformatie, beschikbaar op www.lml.rivm.nl en zo mogelijk via andere landelijke media, zoals NOS Teletekst:

  • a.

    een beschrijving van het ontstaan van smog en van de verontreinigende stoffen in de buitenlucht die matige of ernstige smog veroorzaken;

  • b.

    een weergave van de actuele kwaliteitsniveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en zwevende deeltjes (PM10) per zone en agglomeratie alsmede een toelichting daarop;

  • c.

    een prognose van de kwaliteitsniveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, ozon en zwevende deeltjes (PM10) voor de eerstvolgende middag, dag of dagen;

  • d.

    een beschrijving van de bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen waarvoor matige of ernstige smog risico’s kan inhouden voor de gezondheid, alsmede van te verwachten symptomen en van door die bevolkingsgroep of bevolkingsgroepen te treffen voorzorgsmaatregelen, en

  • e.

    een verwijzing naar het Astma Fonds, de GGD en het RIVM als bronnen van nadere informatie over smog.

Artikel

6

Indien matige smog is vastgesteld in één of meer agglomeraties of zones, stelt het RIVM gedeputeerde staten van de betreffende provincies, de GGD, alsmede het VROM Inspectie Meldpunt in kennis van de actuele kwaliteitsniveaus van zwaveldioxide en stikstofdioxide.

Artikel

7

§

4

Overschrijding informatiedrempel

Artikel

8

Artikel 7, eerste, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien naar redelijke verwachting van het RIVM het risico bestaat op overschrijding van de informatiedrempel voor ozon, genoemd in voorschrift 8.3 van bijlage 2 bij de wet, of overschrijding van die informatiedrempel is vastgesteld.

§

5

Draaiboek

Artikel

9

Gedeputeerde staten stellen voor de uitvoering van de artikelen 7, derde en vierde lid, en 8 een provinciaal draaiboek smog vast, op basis van het door de Minister vastgestelde Modeldraaiboek Smog 2010.

§

6

Slotbepalingen

Artikel

10

De Smogregeling 2001 wordt ingetrokken.

Artikel

11

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

12

Deze regeling wordt aangehaald als: Smogregeling 2010.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J.C.Huizinga-Heringa