Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Defensie houdende regels omtrent de deelname van valschermen aan het luchtverkeer (Regeling valschermspringen 2010)
Regeling valschermspringen 2010
De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister dan Defensie,
cluster: groep van valschermspringgebieden als bedoeld in de bijlage bij deze regeling;
doelgebied: gebied waarin de valschermspringer beoogt neer te komen;
incidenteel valschermspringgebied: valschermspringgebied dat niet is opgenomen in de lijst van valschermspringgebieden, bedoeld in de bijlage bij deze regeling;
klimgebied: kolom luchtruim in de vorm van een cilinder met een straal van 9,26 km rond het middelpunt van het doelgebied en een hoogte gelijk aan de voorgenomen springhoogte in het luchtruim;
valscherm: scherm dat dient om de daalsnelheid van een persoon zodanig te beperken, dat deze veilig het aardoppervlak kan bereiken;
valschermspringen: uit een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig springen met een valscherm;
valschermspringgebied: kolom luchtruimte in de vorm van een cilinder met een straal van 3,7 km rond het middelpunt van het doelgebied en een hoogte die ten minste gelijk is aan de voorgenomen springhoogte;
vast valschermspringgebied: valschermspringgebied opgenomen in de lijst van valschermspringgebieden, bedoeld in de bijlage bij deze regeling.
Artikel
2
Deze regeling is niet van toepassing op:
a.
valschermspringen door de krijgsmacht;
b.
het gebruik van een valscherm in geval van nood.
Artikel
3
1
Valschermspringen is uitsluitend toegestaan:
a.
binnen een vast valschermspringgebied onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, dan wel binnen een incidenteel valschermspringgebied onder de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 4 en 5;
b.
na toestemming van de gezagvoerder van het luchtvaartuig waaruit gesprongen wordt;
wanneer het vliegzicht en de minimumafstand tot de wolken voldoen aan de minimumwaarden voor VFR-vluchten die gelden in het betreffende deel van het luchtruim, bepaald bij of krachtens artikel 42 van het Luchtverkeersreglement.
2
De Minister van Verkeer en Waterstaat kan ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel c. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Artikel
4
1
Voor het gebruik van een vast valschermspringgebied of een incidenteel valschermspringgebied gelden de volgende voorwaarden voor het luchtvaartuig waaruit gesprongen wordt:
a.
de vlucht wordt uitgevoerd als IFR-vlucht binnen luchtruim klasse A, tenzij een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 44 van het Luchtverkeersreglement is verleend, en als gecontroleerde VFR-vlucht binnen luchtruim klasse B, C, D of E;
b.
voor aanvang van de vlucht is een voorlopige klaring aangevraagd bij de betrokken luchtverkeersleidingsdienst en voor het binnenvliegen van het betrokken luchtruim is een definitieve klaring verkregen;
c.
onmiddellijk voor het uitvoeren van iedere valschermsprong is luchtverkeersinformatie van de betrokken luchtverkeersleidingdienst verkregen, waarbij de luchtverkeersleidingsdienst de mogelijkheid tot het aanvangen van de valschermsprong aangeeft;
d.
het luchtvaartuig blijft tijdens het klimmen en dalen binnen luchtruim klasse A of B binnen het klimgebied;
e.
ingeval van een ongeplande opening van een valscherm in luchtruim klasse A of B blijft het luchtvaartuig in luchtruim klasse A of B binnen het klimgebied totdat het valscherm luchtruim klasse A of B heeft verlaten;
f.
binnen een klimgebied in luchtruimklasse A bevindt zich slechts één luchtvaartuig tegelijk, tenzij het een formatie betreft in een klimgebied dat gelegen is:
•
volledig buiten het naderingsluchtverkeersleidingsgebied van Schiphol en
•
buiten dat deel van het algemene luchtverkeersleidingsgebied CTA South 1 dat binnen de laterale grenzen van de provincie Zuid-Holland ligt.
De gezagvoerder is in een dergelijk geval zelf verantwoordelijk voor onderlinge separatie, en;
g.
binnen een cluster wordt slechts één valschermspringgebied tegelijk gebruikt.
2
Het eerste lid, onderdelen c en d, zijn niet van toepassing indien de betrokken luchtverkeersleidingsdienst anders bepaalt in het belang van de algemene luchtverkeersveiligheid, een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer, of de situatie op de grond.
Artikel
5
In aanvulling op artikel 4 gelden voor het gebruik van een incidenteel valschermspringgebied de volgende voorwaarden:
a.
voor het valschermspringgebied is een NOTAM uitgegeven. Deze NOTAM moet ten minste vijf werkdagen tevoren zijn aangevraagd bij de betrokken luchtverkeersdienst. Wanneer verschillende luchtverkeersdiensten zijn betrokken, wordt de aanvraag ingediend bij de dienst die luchtverkeersleiding geeft in het gebied met de laagste verticale begrenzing, inclusief luchtruim klasse E. Deze dienst stemt de beoordeling van de aanvraag af met de andere betrokken luchtverkeersdiensten;
b.
de valschermspringer heeft schriftelijk toestemming verkregen van de beheerder van een niet gecontroleerd luchtvaartterrein, inclusief een zweefvliegterrein, helikopterlandingsplaats, zeilvliegterrein of schermvliegterrein, wanneer het valschermspringgebied ligt binnen een afstand van 5,56 km van de grens van een dergelijk terrein;
c.
in het vliegplan zijn vermeld:
1°.
de coördinaten en eventuele plaatsnaam van het centrum van het valschermspringgebied;
2°.
de periode waarin de sprong wordt uitgevoerd;
3°.
het NOTAM nummer, en
4°.
de hoogte waarvan de sprong wordt uitgevoerd, en
d.
het valschermspringgebied en het klimgebied liggen niet binnen de naderingsluchtverkeersleidingsgebieden van Schiphol, tenzij het gaat om een sprong waarbij het naderingsluchtverkeer niet wordt gehinderd of vertraagd en die plaatsvindt:
1°.
op maximaal 2500 voet boven gemiddeld zeeniveau, en
2°.
buiten de in gebruik zijnde Standard Instrument Departures.
de betrokken luchtverkeersleidingsdienst van oordeel is dat het aanbod van het luchtverkeer in het luchtruim met klasse A dit toelaat,
b.
het vliegzicht minstens 8 km bedraagt en minstens 1500 meter horizontaal vrij van wolken wordt gevlogen met continu zicht op grond of water, waarbij het bepaalde bij of krachtens artikel 42 van het Luchtverkeersreglement van overeenkomstige toepassing is, en
c.
voor contact met de grond een tweede radioset aanwezig is.
2
Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende voorwaarden verbonden:
a.
de vlucht wordt uitgevoerd als een gecontroleerde VFR-vlucht,
b.
de gezagvoerder van het betrokken luchtvaartuig onderhoudt voortdurend tweezijdig radiocontact met de betrokken luchtverkeersdienst, tenzij anders aangegeven door deze dienst,
c.
de SSR-transponder wordt ingesteld op de code zoals deze is verkregen van de betrokken luchtverkeersleidingsdienst, en
d.
indien de radioverbinding tussen het luchtvaartuig en de luchtverkeersdienst is verbroken:
1°.
worden geen valschermsprongen uitgevoerd,
2°.
wordt de transpondercode 7600 ingesteld, en
3°.
wordt gedurende 3 minuten de op dat moment gevlogen hoogte gehandhaafd, waarna wordt teruggekeerd naar het luchtvaartterrein van vertrek.