1
De Minister zendt de stukken, in artikel 19 van deze wet genoemd, langs de weg, in artikel 18 van het verdrag vermeld, aan de bevoegde autoriteit van de Staat, waar de uitvoerbaarverklaring verlangd wordt, onder bijvoeging van een bevestiging, overeenkomstig artikel 19, derde lid van het verdrag, en een vertaling daarvan in een der talen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, sub 3°, van het verdrag. Deze vertaling is voor overeenstemmend verklaard door een beëdigd vertaler in het land, waar de uitvoerbaarverklaring verlangd wordt, of door een beëdigd vertaler in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
2
Indien niet voldaan is aan artikel 19 van deze wet, weigert hij de doorzending der stukken, echter niet, dan na getracht te hebben de naleving van dat artikel zoveel mogelijk te bevorderen.