Uitvoeringswet van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijk beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken BES

Artikel

1

Het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken (Trb. 1963, no. 50; P.B. 1965, no. 61), wordt verleend door de rechter in eerste aanleg, zittingsplaats hebbende op het eiland waar de wederpartij woonplaats heeft of waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Tegen de beschikking waarbij het verlof is geweigerd, kan alleen de verzoeker binnen een maand na de dag waarop zij is gegeven, hoger beroep bij het Hof van Justitie instellen. De artikelen 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel

5

Geschillen over de tenuitvoerlegging van beslissingen, welke overeenkomstig deze wet uitvoerbaar zijn verklaard, worden gebracht voor de rechter in eerste aanleg zittingsplaats hebbende op het eiland van de tenuitvoerlegging.

Artikel

6

De rechter in eerste aanleg tot wie het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging werd gericht, neemt kennis van het geding, genoemd in artikel 14, tweede lid, van het verdrag. Dit geding schorst de werking van het verlof tot tenuitvoerlegging, tenzij de rechter anders beslist.

Artikel

7

Het bepaalde bij de artikelen l tot en met 6 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de executoriale titels, genoemd in artikel 16 van het Verdrag.

Artikel

8

[vervallen]

Artikel

9

Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijk beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken BES.