Stuwadoorsbesluit BES

Hoofdstuk

I

Voorschriften, als bedoeld bij artikel 2, 1ste lid, sub a, b, c, e, f, g en h Stuwadoorswet 1946 BES

§

1

De veiligheid in verband met de te verrichten werkzaamheden, het vervoer in het bedrijf der havenarbeiders naar en van de plaatsen waar die werkzaamheden verricht worden inbegrepen

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Aan een zeeschip, waarheen havenarbeiders over water worden vervoerd, moet eene statietrap of eene goede, binnenboords bevestigde, stormladder van voldoende lengte aanwezig zijn, opdat vanuit de in artikel 2 bedoelde vaartuigen gemakkelijk de bovenzijde der verschansing kan bereikt worden, tenzij toegang tot het zeeschip wordt verkregen door middel van ladders, geplaatst op een langszij liggend vaartuig van voldoende grootte.

Artikel

4

De in artikel 2 bedoelde vaartuigen mogen slechts daar aan den wal aanleggen, waar doelmatige trappen of ladders of andere voldoende hulpmiddelen aanwezig zijn, om van den wal die vaartuigen of vanuit laatstgenoemde den wal te bereiken.

Artikel

5

De toegangen tot de vaartuigen, bedoeld in artikel 2, en tot de zeeschepen, waaraan stuwadoorsarbeid verricht wordt, moeten bij het aan boord komen en van boord gaan der havenarbeiders voldoende verlicht zijn.

§

2

Het voorkomen van ongevallen en het verleenen van hulp bij ongevallen

Artikel

6

Ter plaatse, waar de stuwadoorsarbeid verricht wordt, moeten de zich op minder dan 1,80 m boven de vloeren, bordessen of traptreden bevindende, gevaar doen vreezende, deelen van:

  • a.

    krachtwerktuigen zooals vliegwielen, krukken, drijfstangen, assen spieën, kettingen, snaren, schijven, riemen, tandraderen, uitstekende zuigerstangen;

  • b.

    drijfwerken, zooals krukken, assen, kettingen, snaren, riemen, schijven, raderen, spieën, bouten, koppelingen, stelschroeven: voldoende zijn beschut en in goeden staat van onderhoud verkeeren.

Artikel

7

Artikel

8

Op een zeeschip, waaraan stuwadoorsarbeid wordt verricht, moeten:

  • a.

    de dekopeningen, die niet voorzien van voldoend hooge luikhoofden, tegen het gevaar van er in te vallen doelmatig zijn beveiligd en wel, voor zoover de werkzaamheden zulks toelaten, door middel van voldoende sterkte, op doelmatige hoogte aangebrachte, leiders:

  • b.

    de stoomlieren naast de luikhoofden aan de zijde, waar de ruimladders zijn aangebracht, zoodanig zijn geplaatst, dat eene ruimte van ten minste 0,40 m aanwezig is tusschen stoomlier en luikhoofd;

  • c.

    de schilden en merkels voorzien zijn van zoodanige hulpmiddelen om hen weg te nemen of te plaatsen, dat het niet noodig is om op de schilden of merkels te klimmen om deze hulpmiddelen te bevestigen.

Artikel

9

Ten aanzien van ruimen, tusschendekken, bunkerruimen en andere onder het opperdek gelegen plaatsen van een zeeschip, waaraan stuwadoorsarbeid verricht wordt, gelden de volgende voorschriften:

  • a.

    de toegangsmiddelen tot die plaatsen moeten bestaan uit vaste ruimladders, trappen of losse ladders, die in goeden staat van onderhoud verkeeren en waarvan de handgrepen of sporten tot den bovenkant van het luikhoofd reiken en op onderling gelijken afstand zijn aangebracht, zoodat op- en afklimmen onbelemmerd en zonder gevaar kan geschieden;

  • b.

    de ruimladders, die de dekken onderling verbinden moeten in één lijn onder elkander zijn geplaatst, tenzij er voldoende maatregelen voor veilig op- en afgaan zijn genomen;

  • c.

    de tunnels moeten aan beide zijden van een voldoend aantal handgrepen zijn voorzien, zoodat onbelemmerd en zonder gevaar daarover kan worden geklommen.

Artikel

10

Stellingen, waarop stuwadoorsarbeid verricht wordt en die van den wal naar het schip leiden, moeten aan de volgende vereischten voldoen:

  • a.

    de stellingen moeten in goeden staat verkeeren en de vloeren moeten zóó zijn samengesteld, dat stellingpalen en jukken hoofdzakelijk tot steun en borg dienen. De helling van den vloer mag niet grooter zijn dan voor een veilig gebruik van lorries of steekwagens toelaatbaar is. Daartoe moet, wanneer de hoogte van het dek boven den wal tot eene gevaarlijke helling van de vloer aanleiding zou geven, de stellingvloer rusten op een juk; het juk moet met kettingen aan het boord bevestigd zijn en de stellingpalen moeten gewaarborgd zijn tegen afglijden van het juk;

  • b.

    de stellingen moeten eene breedte hebben van ten minste 1,40 m. Indien deze stellingen in de breedte uit verschillende planken bestaan, moeten deze planken ten minste 0.07 m dik zijn en onderling verbonden zijn door daaronder aangebrachte leggers van ten minste 0,10 m bij 0,10 m in doorsnede, welke leggers op niet meer dan 1,50 m afstand van elkander verwijderd mogen zijn, terwijl zij ten minste 0,15 m buiten de planken moeten uitsteken.

Artikel

11

Ten aanzien van hangstellingen buiten boord, waarop stuwadoorsarbeid verricht wordt, en ten aanzien van den arbeid op zulke stellingen gelden de volgende voorschriften:

  • a.

    de hangstellingen moeten in goeden staat verkeeren en bestaan uit planken van ten minste 0,05 m dikte, goed bevestigd aan twee leggers, welke niet minder dan 0,20 m buiten de planken uitsteken. De vier stellingtouwen moeten van voldoende dikte zijn en elk afzonderlijk binnenboord worden vastgezet, terwijl de buitenstellingtouwen iets meer moeten zijn doorgehaald dan die, welke zich tegen de zijde van het schip bevinden;

  • b.

    wanneer geen behoorlijke omschutting van de hangstelling aanwezig is, moet iedere arbeider door een gordel met een touw van voldoende lengte en sterkte beveiligd zijn; dit touw moet binnenboord aan een geschikt punt zijn vastgemaakt.

Artikel

12

Artikel

13

Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moet ten aanzien van de daarbij gebezigde, hieronder vermelde werktuigen aan de volgende voorschriften zijn voldaan:

  • a.

    los- en laadgerei, als masten, stagen, laadboomen, hangers, kettinglengen, stroppen, laadborden, stellingen, bakken, manden, rolwagens, steekwagens, moeten in goeden staat van onderhoud verkeeren;

  • b.

    los- en laadgerei moeten voldoende zekerheid bieden, in verband met het gewicht der daarmede in den regel te verwerken lasten;

  • c.

    laadreepen met open haken moeten zoo noodig voorzien zijn van een borg tegen onklaar loopen;

  • d.

    bij staaldraad-laadreepen moeten de oogsplitsen ten minste zes maal doorgestoken zijn;

  • e.

    staaldraad-laadreepen mogen niet bestaan uit aan elkaar gesplitste einden;

  • f.

    kettingwerk mag niet door knoopen zijn ingekort;

  • g.

    touw-stroppen, die bij de lossing of lading van gezaagd hout gebezigd worden, mogen dubbel gemeten, niet langer zijn dan 2,7 m.

  • h.

    balkhaken, die bij de lossing of lading van balken gebezigd worden, mogen niet door onvoldoend scherpe punten of ondoelmatigen vorm, in verband met den vorm der balken, gevaar voor het neervallen daarvan opleveren.

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt en zich vaste, vloeibare of gasvormige stoffen bevinden, die ontplofbaar of licht ontvlambaar zijn, mag geen ander dan goed geïsoleerd kunstlicht worden gebezigd en geen vuur aanwezig zijn.

Artikel

17

§

3

Het voorkomen van schade aan de gezondheid tengevolge van den arbeid

Artikel

18

§

4

Het beschikbaar stellen van drinkwater en/of alcoholvrije dranken

Artikel

19

Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid wordt verricht, moet aan de havenarbeiders goed drinkwater of andere geschikte alcoholvrije drank op doelmatige wijze en in voldoende hoeveelheid kosteloos worden verstrekt.

§

5

Het bevorderen van de zindelijkheid

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

§

7

Kleedkamers, kleederbergplaatsen en schaftlokalen

Artikel

23

Ter plaatse, waar stuwadoorsarbeid verricht wordt, moet aan de volgende voorschriften worden voldaan:

  • a.

    voor de havenarbeiders moeten voor gebruik als kleedkamer doelmatig-gelegen, door een opschrift aangewezen ruimten aanwezig zijn. Deze ruimten moeten doelmatig zijn ingericht voor berging van kleederen, welke de werklieden vóór hun arbeid dragen; zij mogen geen deel uitmaken van werklokalen, noch van schaftlokalen;

  • b.

    indien stuwadoorsarbeid wordt verricht op een terrein, behoorende tot of in gebruik zijnde bij eene stuwadoorsonderneming, of op een zeeschip, dat aan zulk een terrein gemeerd ligt, en indien op of nabij dat terrein bij het laden en lossen van zeeschepen ten minste vijf en twintig arbeiders plegen te werken, moet aldaar een voldoend ruim, en behoorlijk verlicht schaftlokaal aanwezig zijn;

  • c.

    het bepaalde onder b is niet van toepassing, indien de regeling van de werktijden, de duur van de schafttijden of andere omstandigheden van plaatselijken aard het mogelijk maken, dat de arbeiders de schafttijden doorbrengen in hunne woning of in eene andere doelmatige localiteit, waar geen sterke drank verstrekt wordt en welke voor hen kosteloos en zonder verplichting tot het maken van vertering toegankelijk is.

Hoofdstuk

II

Overgangsbepaling

Artikel

24

[vervallen]

Hoofdstuk

III

Slotbepalingen

Artikel

25

Artikel

25a

Artikel

26

Dit besluit wordt aangehaald als: Stuwadoorsbesluit BES.

Artikel

27

[vervallen]