Arbeidsveiligheidsbesluit I BES

Arbeidsveiligheidsbesluit I BES

Hoofdstuk

I

De dagverlichting

Artikel

1

Een werklokaal moet voldoende door daglicht zijn verlicht, tenzij de aard van het werk er zich tegen verzet.

Artikel

2

Een werklokaal zal door daglicht onvoldoende verlicht worden geacht, indien daar niet boven het omliggend terrein gelegen lichtopeningen zijn aangebracht welke direct daglicht toelaten en een gezamenlijk oppervlak hebben van tenminste 1/10 van het vloeroppervlak van het werklokaal, tenzij de aard van het bedrijf zich daartegen verzet of bijzondere omstandigheden of inrichtingen een voldoende dagverlichting waarborgen ter plaatse waar gewerkt wordt.

Artikel

3

Het bepaalde in artikel 2 geldt niet ten aanzien van projecteercellen van bioscopen en werklokalen van baggermolens, grind- of zandzuigers.

Artikel

4

In een werklokaal moet ter plaatse waar arbeid wordt verricht het rechtstreeks invallende zonlicht kunnen worden afgesloten.

Artikel

5

Privaten, urinoirs, trappen en gangen moeten zo mogelijk door daglicht zijn verlicht.

Hoofdstuk

II

Het verkrijgen van voldoende en doelmatige verlichting door kunstlicht

Artikel

6

Artikel

7

Zolang arbeiders, met uitzondering van dezulken die met toezicht of bewaking zijn belast, op het werk aanwezig zijn, moeten de privaten, urinoirs, gangen, trappen, fabrieksterreinen en overige gedeelten zodanig zijn verlicht, dat veilig verkeer en verblijf aldaar voldoende is gewaarborgd.

Artikel

8

Waar meer dan 100 arbeiders in één gebouw plegen te verblijven en de kunstverlichting door middel van electriciteit plaats heeft, moeten, zolang de bedrijfsarbeid geheel of gedeeltelijk met behulp van kunstlicht wordt uitgeoefend, zulke maatregelen zijn getroffen dat bij enige stoornis in de lichtvoorzieningen een voldoende noodverlichting is gewaarborgd bij de uitgangen der werklokalen en op de trappen, gangen en portalen, welke bij het verlaten van het gebouw gebruikt moeten worden.

Hoofdstuk

III

Bevorderen van zindelijkheid

Artikel

9

Werklokalen met aanhorigheden, zoals ruimten voor klederberging, kleedkamers, schaftlokalen en nachtverblijven, moeten vrij van grond- en rioolwater, zindelijk en zoveel mogelijk vrij van stof worden gehouden, alsmede van schadelijke insecten en knaagdieren.

Artikel

10

Privaten, urinoirs en badcellen moeten te allen tijde in een zindelijke toestand worden gehouden. Zij dienen dagelijks tenminste eenmaal gereinigd en gedesinfecteerd te worden.

Artikel

11

De wanden en de zoldering van een werklokaal en de aanhorigheden daarvan moeten tenminste eenmaal in de 12 maanden behoorlijk worden gewit, afgewassen of op andere wijze gereinigd.

Artikel

12

Artikel

13

De vloer van een werklokaal moet worden geschrobd en gedweild, telkens binnen de tijd, die voor het onderhouden ener behoorlijke zindelijkheid nodig blijkt. Indien de aard van het bedrijf of de samenstelling van de vloer zich tegen schrobben of dweilen verzet, moet de vloer op een andere doelmatige wijze voldoende worden gereinigd.

Artikel

14

Het bij de arbeid ontstane afval moet spoedig en op doelmatige wijze worden verwijderd.

Artikel

15

Artikel

16

Op elke was- en badplaats moet schoon water kunnen toevloeien in voldoende hoeveelheid. Het gebruikte water moet kunnen wegvloeien. Voor elke wasplaats moeten zeep en schone handdoeken en, zonodig, nagelborstels in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn.

Artikel

17

Waar arbeiders door de aard van hun arbeid lichaamsreiniging van meer omvang dan alleen van hoofd, handen en voeten behoeven, moeten voor die arbeiders doelmatig gelegen en ingerichte badgelegenheden in voldoend aantal, doch tenminste één voor elke twintig of minder van deze arbeiders, beschikbaar zijn. Het aantal badgelegenheden kan in mindering worden gebracht van het aantal wasplaatsen, zoals bedoeld in artikel 15.

Artikel

18

Deze badcellen en wasgelegenheden moeten gedurende een voor een behoorlijk gebruik voldoende tijd voor de arbeiders toegankelijk en behoorlijk bruikbaar zijn. Waar de bad- en wasgelegenheden zich in een afzonderlijke ruimte bevinden, mag deze in de hierboven bedoelde tijd niet anders zijn afgesloten dan met een sluiting, die voor iedere arbeider te openen is.

Artikel

19

Een arbeider, die werkzaamheden verricht waarbij zijn klederen of hoofdhaar blootstaan aan sterke verontreiniging, moet de beschikking worden gegeven over een op afdoende wijze regelmatig gereinigd, doelmatig overkleed en hoofdbedekking, die door hem bij die werkzaamheden moeten worden gedragen.

Hoofdstuk

IV

De privaten en urinoirs

Artikel

20

Waar arbeid verricht wordt moeten tenminste een privaat en een voldoend aantal urinoirs aanwezig zijn.

Artikel

21

Waar tien of meer personen van beiderlei kunne arbeid verrichten, moeten de privaten naar seksen gescheiden en van een duidelijk opschrift, aanduidende de sekse waarvoor zij bestemd zijn, voorzien zijn. De toegangen tot voor verschillende seksen bestemde privaten moeten zich zo mogelijk niet in elkaars nabijheid bevinden.

Artikel

22

De privaten en urinoirs moeten zodanig zijn geplaatst en worden onderhouden, dat zij voor alle arbeidende personen voor wie zij bestemd zijn, gedurende hun arbeid behoorlijk te bereiken en te gebruiken zijn.

Artikel

23

Voor arbeiders, die geregeld in zeer warme lokalen arbeid verrichten of aan grote warmte zijn blootgesteld, moeten de privaten en urinoirs tochtvrij zijn en binnendoor te bereiken.

Artikel

24

Ieder privaat of urinoir moet doelmatig ingericht zijn, goed rein kunnen worden gehouden en voldoende zijn geventileerd. Een privaat moet overdekt zijn en zodanig zijn afgesloten, dat het bij gebruik behoorlijke afzondering waarborgt.

Artikel

25

De privaten en urinoirs moeten zodanig op de buitenlucht geventileerd zijn, dat geen stank in de werklokalen, schaftlokalen of nachtverblijven waarneembaar is.

Artikel

26

Onder een privaat wordt uitsluitend verstaan een watercloset, voorzien van een goed werkende doorspoelinrichting, waarbij een voldoend krachtige waterstroom toevloeit, welke telkens de faecaliën uit de trechter wegspoelt en waarbij de afvoerpijp zodanig is gevormd, dat daarin water blijft staan, hetwelk een afsluiting tegen stank vormt.

Artikel

27

Waar arbeid wordt verricht, moet het aantal voor de arbeiders beschikbare privaten en urinoirs bedragen:

  • 1e.

    tenminste één privaat voor elke vijftien of minder vrouwelijke personen;

  • 2e.

    tenminste één privaat en één urinoir voor elke vijf en twintig of minder mannelijke personen;

  • 3e.

    één privaat voor tien of minder mannelijke personen.

Hoofdstuk

V

Kleedkamers, klederbergplaatsen, schaftgelegenheden en de verblijfplaatsen waar, uit hoofde van de wijze van bedrijfsuitoefening of de plaats waar het bedrijf wordt uitgeoefend, de arbeiders de nacht moeten doorbrengen

Artikel

28

Artikel

29

Onverminderd het bepaalde in artikel 28 moeten daar waar mannen en vrouwen arbeiden die voor en na hun arbeid van kleren verwisselen en gezamenlijk in werklokalen werken, alsmede daar waar vijf en twintig of meer personen arbeiden, voor gebruik als kleedkamer doelmatig gelegen, door een opschrift aangewezen ruimten aanwezig zijn. Deze ruimten moeten doelmatig zijn ingericht voor berging van klederen, welke de arbeiders afleggen, verwisselen of bij hun arbeid dragen; zij mogen geen deel uitmaken van werklokalen, noch van schaftlokalen en moeten goed geventileerd en naar seksen zijn gescheiden.

Artikel

30

Artikel

31

Artikel

32

Artikel

33

De bepalingen vervat in de artikelen 31 en 32 zijn niet van toepassing, indien en voorzover de regeling der werktijden, de duur van de schafttijden of andere omstandigheden van plaatselijke aard het mogelijk maken, dat de arbeiders de schafttijden doorbrengen in hun woning of in een andere doelmatige lokaliteit, waar geen sterke drank verstrekt wordt en welke voor hen kosteloos en zonder verplichting tot het maken van vertering toegankelijk is.

Artikel

34

Artikel

35

Artikel

36

In een nachtverblijf als in artikel 34 bedoeld, moet voor iedere in dat artikel bedoelde persoon een behoorlijk ingerichte slaapplaats aanwezig zijn van tenminste 1.90 m lang en 0.75 m breed, welke tenminste 0.50 m boven de vloer is gelegen. De ruimte onder deze slaapplaats moet behoorlijk kunnen worden gereinigd. Bij elke slaapplaats moet tenminste aan een lange zijde een gangpad van tenminste 0.50 m breed zijn.

Artikel

37

Artikel

38

Onder schadelijke werklokalen wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan: werklokalen waar ten gevolge van de uitoefening van het bedrijf vergiftiging, besmetting, gevaar of schade door gassen, dampen of stof dan wel een temperatuur hoger dan 5° Celsius boven de temperatuur van de buitenlucht kan worden veroorzaakt.

Hoofdstuk

VI

Bevorderen van voldoende luchtverversing en beschutting tegen regen en zon

Artikel

39

De daken, wanden, ramen en toegangen van een werklokaal moeten, tenzij de aard van het bedrijf zich daartegen verzet, zodanig zijn ingericht en worden onderhouden, dat de daarin verblijvende arbeiders beschut zijn tegen de nadelige invloeden van de weersgesteldheid.

Artikel

40

De te warme lucht moet, voor zover de aard van het bedrijf zulks toelaat, doelmatig worden afgevoerd.

Artikel

41

Hinderlijke warmteuitstraling moet zo mogelijk op doelmatige wijze door de bekleding der warmteuitstralende voorwerpen of door warmtekerende schermen zijn tegengegaan.

Artikel

42

Ter plaatse waar een arbeider is blootgesteld aan temperaturen, hoger dan 5C boven de temperatuur van de buitenlucht, moeten zonodig en voor zover de aard van het bedrijf zulks toelaat, doelmatige middelen om de temperatuur te verlagen of om de nadelige invloed daarvan op de arbeider te verminderen, zijn aangewend.

Artikel

43

In elk werklokaal waar, door andere oorzaken dan de weersgesteldheid, temperaturen lager dan 15C of hoger dan 5C boven de temperatuur van de buitenlucht plegen te heersen, moet op een doelmatige plaats een goed werkende thermometer zijn opgehangen.

Artikel

44

In een werklokaal moet op doeltreffende wijze geventileerd worden onder vermijding van hinderlijke tocht.

Hoofdstuk

VII

Het tegengaan van het ontstaan of de verspreiding en het verwijderen van schadelijke of hinderlijke dampen of gassen of van stof

Artikel

45

Werklokalen met aanhorigheden zoals ruimten voor klederberging, kleedkamers, schaftlokalen en nachtverblijven, moeten zijn vrijgehouden van schadelijke of hinderlijke dampen of gassen van een riool, van een privaat, van een mest- of vuilnishoop of -put, van een stal of dergelijke inrichting, tenzij de aard van het bedrijf dit ten aanzien van een werklokaal onmogelijk maakt.

Artikel

46

Het ontstaan en de verspreiding van schadelijke of hinderlijke dampen of gassen of van stof in een werklokaal of in een lokaal, waar arbeiders moeten verblijven, moet zijn tegengegaan. Waar dit niet of niet in voldoende mate mogelijk is, moeten doeltreffende middelen zijn aangewend, tot afvoer van die dampen of gassen of het stof uit het lokaal, of ter bescherming van de arbeider.

Artikel

47

Alvorens een arbeider een put, riool, grondkuip, kelder, gashouder, reservoir of andere ruimte, waarin schadelijke of hinderlijke gassen of dampen in zodanige mate kunnen voorkomen, dat bij verblijf in die ruimte gevaar voor bedwelming, verstikking of vergiftiging bestaat, betreedt of daarin afdaalt, moet uit een onderzoek, met op schrift gestelde bevindingen, door een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkende deskundige, zijn gebleken, dat die gassen of dampen daarin niet meer in bedoelde mate voorkomen. De schriftelijke bevindingen worden de ambtenaar, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Arbeidsveiligheidswet BES, op eerste aanvrage ter inzage gegeven.

Artikel

48

Gedurende het verblijf van een arbeider in een ruimte, als in artikel 47 bedoeld, moeten doeltreffende maatregelen zijn genomen, teneinde te voorkomen, dat daarin voor inademing ongeschikte dampen of gassen ontstaan of zich verspreiden, tenzij voldoende voorzorgen zijn genomen, opdat hij bij bedwelming onmiddellijk buiten die ruimte kan worden gebracht, zonder dat anderen zich daarin behoeven te begeven.

Artikel

49

Het bepaalde in de artikelen 47 en 48 is niet van toepassing, indien de arbeider, die zich in een ruimte, als daar bedoeld, begeeft, voorzien is van een toestel, dat de inademing van zuivere lucht of zuurstof waarborgt.

Hoofdstuk

VIII

Verschaffen van hulp bij ongevallen

Artikel

50

Waar arbeid wordt verricht moeten doeltreffende middelen voor eerste hulp bij ongevallen aanwezig zijn. Zij moeten zodanig worden bewaard, dat zij tegen verontreiniging door stof of op andere wijze zijn beschut en dat te allen tijde er over kan worden beschikt.

Artikel

51

In elk werklokaal moet een voldoend aantal biljetten, waarop de bij ongevallen te verlenen eerste hulp op licht begrijpelijke wijze is geschreven en voor zover nodig door afbeeldingen is verduidelijkt zijn opgehangen, zodanig, dat daarvan gemakkelijk kennis kan worden genomen. In voorkomende gevallen moeten terstond de wettelijk bevoegde persoon, of indien dat niet mogelijk is, de dokter, tot het verlenen van eerste hulp worden gewaarschuwd.

Artikel

52

Waar gevaar voor verdrinking bestaat, moeten doelmatige middelen voor het redden van drenkelingen op een goed zichtbare en doelmatige plaats beschikbaar zijn.

Artikel

53

Nabij een werklokaal, waar ontsnapping van voor inademing ongeschikte gassen of dampen te duchten is, moet een doelmatig toestel, dat de inademing van zuivere lucht of zuurstof waarborgt, steeds beschikbaar zijn en ter bediening daarvan een voldoend aantal arbeiders zijn aangewezen, die met het gebruik van het toestel vertrouwd zijn, behoudens de in artikel 51 bedoelde gevallen.

Artikel

54

Bij het verrichten van werkzaamheden in een of andere min of meer afgesloten ruimte, waarin gevaar voor bedwelming, verstikking of vergiftiging bestaat, moeten doelmatige middelen beschikbaar zijn en aangewend worden om een persoon, die zich in een zodanige ruimte begeeft tot redding van een ander, bij bedwelming onmiddellijk daarbuiten te kunnen brengen.

Artikel

55

Hoofdstuk

IX

Het verstrekken van goed drinkwater of andere alcoholvrije dranken

Artikel

56

Goed fris drinkwater of andere geschikte alcoholvrije dranken dienen op doelmatige wijze en in voldoende hoeveelheden kosteloos aan de arbeiders te worden verstrekt.

Hoofdstuk

X

Voorkoming van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten

Artikel

57

Artikel

58

Bij werkzaamheden, die de arbeiders blootstellen aan een der hieronder genoemde, voor de gezondheid schadelijke invloeden, moeten zonodig de daarbij aangegeven beschuttingsmiddelen worden beschikbaar gesteld en moet worden gezorgd, dat deze door de arbeiders worden gebruikt:

  • a.

    tegen de schadelijke werking van de straling bij autogeen lassen en snijden en van electrisch booglicht: doelmatige beschuttingsmiddelen voor de ogen;

  • b.

    tegen de schadelijke werking van de straling bij electrisch lassen en snijden: doelmatige beschuttingsmiddelen voor de ogen en de onbedekte huid;

  • c.

    tegen de schadelijke werking van andere dan de onder a en b genoemde straling: doelmatige beschuttingsmiddelen voor de ogen en de aan de stralen blootgestelde huid;

  • d.

    tegen aanraking van de huid door daarop schadelijk inwerkende of daarin doordringende stoffen: doelmatige bedekking voor de huid;

  • e.

    tegen de inademing van giftige of bijtende dampen, gassen, rook, nevels of van stof: doelmatige ademtoestellen, helmen of respiratoren;

  • f.

    tegen het gevaar van besmetting bij het verwerken van delen van dieren, die besmet of verdacht waren besmet te zijn: doelmatige ontsmettingsmiddelen, hand- en armbedekkingen en brillen;

  • g.

    tegen de inwerking van schadelijke geluidstrillingen op het gehoororgaan: doelmatige beschuttingsmiddelen.

Artikel

59

In schadelijke werklokalen mag geen voedsel genuttigd worden.

Artikel

60

Een schadelijk werklokaal mag noch gedurende, noch buiten de werktijd als slaapvertrek worden gebruikt.

Hoofdstuk

XI

Het voorkomen van ongevallen

Artikel

61

De delen van:

  • a.

    krachtwerktuigen, bijv. vliegwielen, krukken, drijfstangen, assen, spieën, riemen, kettingen, snaren, schijven, tandraderen, uitstekende zuigerstangen, regulateurballen en molenwieken;

  • b.

    drijfwerken, bijv. krukken, assen, kettingen, snaren, riemen, schijven, raderen, spieën, bouten, koppelingen en stelschroeven;

  • c.

    door een krachtwerktuig gedreven werktuigen, bijv. vliegwielen, raderen, krukken, assen, spieën, stelschroeven, bouten, koppelingen, snaren, riemen, kettingen en schijven;

  • d.

    niet door een krachtwerktuig gedreven werktuigen, bijv. vliegwielen van drukpersen, ponsmachines, metaalscharen, spantenbuigers, en andere werktuigen, raderen, bijv. van boormachines, draaibanken, centrifuges, lieren en hijskranen en slingers van ponsmachines, metaal-knipmachines, schroefpersen en ander werktuigen, moeten, voor zover zij gevaar opleveren, zo mogelijk doelmatig beschut zijn.

Artikel

62

Artikel

63

Indien bij het in gang brengen van een krachtwerktuig het drijfwerk wordt ontkoppeld, moet dit zodanig zijn ingericht, dat het in beweging stellen van het drijfwerk zonder gevaar kan geschieden.

Artikel

64

Indien in een werklokaal drijfwerk of een werktuig aanwezig is, dat van een plaats in dat lokaal op meer dan 20 m afstand of van een plaats buiten dat lokaal in beweging kan worden gebracht, moet telkens onmiddellijk vóór het op die wijze in beweging brengen van dat drijfwerk of dat werktuig een sein worden gegeven, dat duidelijk is te horen ter plaatse, waar zich dat drijfwerk of dat werktuig bevindt.

Artikel

65

De bepaling van het vorige artikel geldt ook ten opzichte van de in de open lucht opgestelde werktuigen en drijfwerken, indien het in beweging brengen kan geschieden van een gebouw uit, van een plaats af op groter afstand dan 20 m of van een plaats, niet zichtbaar voor de arbeiders, bij het drijfwerk of werktuig werkzaam.

Artikel

66

Indien het drijfwerk van verschillende fabrieken of werkplaatsen of van verschillende afzonderlijke delen van een fabriek of werkplaats door één krachtwerktuig of van een krachtstation uit wordt gedreven, moet zonodig in elk dier fabrieken of werkplaatsen of gedeelten ervan het drijfwerk afzonderlijk en doeltreffend kunnen worden stilgezet.

Artikel

67

In elk werklokaal, waarin zich drijfwerk bevindt, dat in beweging kan worden gebracht door een krachtwerktuig, dat:

  • a.

    buiten dat werklokaal is opgesteld, of

  • b.

    in dat werklokaal is opgesteld op een afstand van 20 m of meer, moeten zonodig op doelmatige plaatsen een of meer inrichtingen aanwezig zijn, waardoor – in geval van nood – dat drijfwerk of het krachtwerktuig dadelijk tot stilstand kan worden gebracht.

Artikel

68

Onverminderd het in de artikelen 66 en 67 bepaalde moet, indien het krachtwerktuig wordt bediend door een daarmede in het bijzonder belast persoon, van een werklokaal, waarin zich drijfwerk bevindt als daar bedoeld, en van een in de open lucht opgesteld werktuig af, een sein om het aandrijvende krachtwerktuig dadelijk te stoppen, aan die persoon gegeven kunnen worden.

Artikel

69

Indien in een werklokaal voor de overbrenging van beweging naar de werktuigen verschillende drijfassen aanwezig zijn, moet, indien en voor zover zulks ter voorkoming van ongevallen nodig is, iedere drijfas voorzien zijn van een inrichting, om haar onafhankelijk van het overige drijfwerk tot stilstand te brengen.

Artikel

70

Drijfriemen, kabels, snaren of kettingen, die bij afvallen of breken gevaar kunnen veroorzaken, moeten doeltreffend zijn beschut.

Artikel

71

Het opleggen en afnemen van drijfriemen, kabels, snaren of kettingen in gang mag niet met de hand geschieden, indien het niet van de werkvloer af plaats heeft, tenzij de aard van het bedrijf dit niet toelaat, in welk geval deze arbeid alleen mag geschieden door daarvoor speciaal aangewezen personen en indien daarbij de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

Artikel

72

Indien het smeren, onderzoeken, herstellen of reinigen van een in beweging zijnd werktuig of drijfwerk gevaar kan veroorzaken, moeten deze werkzaamheden bij stilstand daarvan geschieden, tenzij de aard van het bedrijf dit niet toelaat, in welk geval het werktuig of het drijfwerk veilig bereikbaar moet zijn en het smeren, onderzoeken, herstellen of reinigen, met behulp van doelmatig gereedschap, zodanig moet geschieden, dat het zo min mogelijk gevaar oplevert.

Artikel

73

Artikel

74

In of aan de bewegende delen van het drijfwerk moeten uitstekende spieën, bouten, schroeven, riemverbinders en dergelijke zoveel mogelijk zijn vermeden.

Artikel

75

Indien een arbeider voor het verrichten van werkzaamheden zich in de onmiddellijke nabijheid begeeft of bevindt van delen van drijfwerken of werktuigen, welke bij in gang zijn gevaar veroorzaken, moet dit bij stilstand van drijfwerk of werktuig geschieden, tenzij die delen doeltreffend zijn beschut.

Artikel

76

Zowel de doorgangen langs de werktuigen, als die tussen de werktuigen en vaste delen als muren, palen en kolommen, alsmede de standplaatsen der bedienende arbeiders bij werktuigen moeten voldoende breed zijn. De doorgangen en standplaatsen moeten vrij zijn gehouden van alles, wat voor het verkeer en bij de bediening van het werktuig gevaar kan veroorzaken.

Artikel

77

Een werktuig, dat door een krachtwerktuig in beweging kan worden gebracht, moet zo dicht mogelijk bij de standplaats van de persoon, die het werktuig bedient, zijn voorzien van zodanige inrichting, dat het afzonderlijk, veilig en met zekerheid kan worden stilgezet en niet dan opzettelijk weder in gang gebracht, tenzij:

  • a.

    het werktuig door een uitsluitend voor het bewegen van dat werktuig bestemd krachtwerktuig in beweging kan worden gebracht en dit van de plaats af, waar de bedienende persoon zijn werk verricht, onmiddellijk kan worden stilgezet;

  • b.

    het werktuig van dien aard is of zodanig is opgesteld, ingericht of beveiligd, dat het bij gewoon gebruik geen gevaar oplevert, in welk geval echter nimmer herstellingen of andere gevaar veroorzakende werkzaamheden aan het in gang zijnde werktuig mogen geschieden;

  • c.

    het werktuig behoort tot een groep van werktuigen, die uit hoofde van het bedrijf alle gelijktijdig moeten worden stilgezet en in gang gebracht, in welk geval de gehele groep veilig en met zekerheid moet kunnen worden stilgezet en niet dan opzettelijk weder in gang gebracht.

Artikel

78

Het in gang brengen van een werktuig, dat door een krachtwerktuig in beweging kan worden gebracht en waaraan verscheidene personen tegelijkertijd werkzaam kunnen zijn, mag alleen dan geschieden, nadat degene, die het werktuig aanzet, zich van te voren er van overtuigd heeft, dat geen persoon zich op een voor deze gevaarlijke wijze met het werktuig in aanraking bevindt en hij zonodig een luid waarschuwingsteken heeft gegeven.

Artikel

79

Artikel

80

Een losse en een vaste riemschijf moeten zodanig zijn ingericht en aangebracht, dat de beweging van de losse schijf niet door aanraking of wrijving aan de vaste schijf kan worden meegedeeld, tenzij de losse schijf op de aandrijvende as is geplaatst en er een doelmatige inrichting voor het aandrukken tegen de vaste schijf is aangebracht.

Artikel

81

Artikel

82

De gevaar opleverende plaatsen van werktuigen, in artikel 81 bedoeld, mogen alleen bij stilstand worden gereinigd, gepoetst of hersteld.

Artikel

83

Een slijpsteen of een ander werktuig, dat door een krachtwerktuig in beweging wordt gebracht en dat gevaar voor uiteenvliegen oplevert, moet steeds in goede staat van onderhoud verkeren, behoorlijk zijn gemonteerd en doeltreffend zijn beschut. Er moeten bij het gebruik van krachtwerktuigen maatregelen zijn genomen en worden toegepast ter voorkoming van plotselinge verandering in de snelheid en van overschrijding van de omtreksnelheid van de steen, het gereedschap of andere onderdelen van het werktuig, die voor een veilig gebruik is toe te laten.

Artikel

84

Indien bij het gebruik van werktuigen of gereedschappen gevaar bestaat voor het afvliegen van vonken, splinters, schilfers of stof, moeten deze werktuigen of dit gereedschap van zodanige inrichtingen zijn voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen of moeten de arbeiders doeltreffend zijn beveiligd, inzonderheid tegen het gevaar voor oogverwondingen.

Artikel

85

Krachtwerktuigen, drijfwerken, werktuigen, toestellen, gereedschappen en leidingen moeten in zodanige staat van onderhoud verkeren, dat zij daardoor geen gevaar kunnen veroorzaken.

Artikel

86

Een steiger met toebehoren moet voldoen aan de eis van goed en veilig werk.

Artikel

87

Een vloer- of wandopening, benevens de plaats waar voorwerpen of goederen worden opgehesen of neergelaten, moeten, voor zover een en ander gevaar oplevert, zo mogelijk doeltreffend zijn beschut.

Artikel

88

Wanneer arbeiders zich tot het verrichten van werkzaamheden herhaaldelijk begeven op een plaats, die zich 3 m of meer boven de vloer of nabij de rand van bakken of kuipen bevindt en waar gevaar voor vallen bestaat, moet aldaar een doelmatige en veilige gaanderij of bordes zijn aangebracht.

Artikel

89

Wanneer arbeiders werkzaamheden verrichten, waarbij zij gevaar lopen hetzij van een hoogte hetzij in het water te vallen, moeten zonodig tegen dit gevaar maatregelen zijn genomen door het aanbrengen van doelmatig beveiligde steigers, stellingen of bordessen. Waar het aanbrengen van deze voorzieningen ernstige bezwaren oplevert, moet het gevaar zijn tegengegaan door het gebruiken van doelmatige gordels met touwen van voldoende afmeting en sterkte, of door het spannen van vangnetten of dergelijke.

Artikel

90

Artikel

91

Artikel

92

Een verplaatsbare trap moet van zodanige inrichtingen zijn voorzien, dat voldoende zekerheid bij op- en afstappen en tegen uitglijden wordt geboden. Indien dit niet het geval is, dient personeel aanwezig te zijn om het veilig bestijgen of afdalen te verzekeren.

Artikel

93

Een ladder moet in goede staat van onderhoud verkeren, tegen uitglijden, omvallen of te sterk doorbuigen zijn verzekerd, en tenminste 1 m uitsteken boven de plaats, waartoe zij toegang geeft, voor zover niet op andere wijze voldoende zekerheid bij het op- en afstappen wordt geboden. Sporten moeten in het hout der bomen rusten; zij mogen niet uitsluitend door opspijkeren of aanschroeven zijn bevestigd.

Artikel

94

Houten ladders mogen niet geverfd, wel geolied of blank gevernist zijn.

Artikel

95

Een lift met toebehoren moet voldoen aan de eisen van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren.

Artikel

96

Een lift, met uitzondering van een paternosterlift of een goederenlift met een maximum hefvermogen van 100 kg en welker bedieningsopeningen in de schachtwand het betreden der kooi niet mogelijk maken, moet van een inrichting zijn voorzien, welke belet dat de kooi kan neerstorten. Onder de liftmachine of zonodig onder het drijfwerk boven in de liftschacht moet een doelmatige vloer zijn aangebracht.

Artikel

97

Een lift moet van doelmatige veiligheidsinrichtingen zijn voorzien. Een lift, met uitzondering van een paternosterlift, een uit de hand gedreven goederenlift met een maximum hefvermogen van 35 kg, of een uit de hand gedreven goederenlift met een maximum hefvermogen van 100 kg en waarvan de bedieningsopeningen op 70 cm of meer boven de vloer zijn gelegen, moet van veiligheidsinrichtingen zijn voorzien, welke verzekeren dat, alvorens de liftkooi in beweging kan worden gebracht, alle toegangen veilig zijn afgesloten en zo nodig gegrendeld en dat de liftkooi automatisch stil gezet wordt, als zij de uiterste standen heeft bereikt.

Artikel

98

Liften met toebehoren moeten op doelmatige wijze beschut zijn en zodanig zijn ingericht, dat het gevaar dat personen gekwetst worden door vallen, door knellen of door vallende voorwerpen, zoveel mogelijk is voorkomen.

Artikel

99

Bij elke toegang tot een lift, welke niet bestemd is voor personenvervoer moet duidelijk vermeld staan, dat personen daarvan geen gebruik mogen maken.

Artikel

100

Het maximum aantal personen of het maximum gewicht van goederen, dat tegelijk met een lift mag worden vervoerd, moet bij de toegangen of in de liftkooi duidelijk zichtbaar vermeld staan.

Artikel

101

Met een lift mogen niet meer personen en mag niet meer gewicht aan goederen tegelijk worden vervoerd, dan een veilig gebruik toelaat.

Artikel

102

Artikel

103

Hijskranen, lieren en andere hefwerktuigen, alsmede hun onderdelen en toebehoren moeten steeds in goede staat van onderhoud verkeren en zodanig zijn ingericht, opgesteld, verankerd en beschut, dat zij zo min mogelijk gevaar opleveren. Bij het ophijsen van lasten moet door pal en palrad of op andere doelmatige wijze het onverhoeds neerdalen worden voorkomen. Bij het neerlaten van lasten moet door een doelmatige, goedwerkende rem of andere inrichting de snelheid kunnen worden geregeld en moet onmiddellijk stilzetten steeds mogelijk zijn, terwijl de zwengel niet mede mag ronddraaien, doch moet zijn afgenomen of ontkoppeld. Personen mogen niet worden vervoerd met hijskranen of andere hefwerktuigen met uitzondering van liften bestemd voor personenvervoer.

Artikel

104

De arbeiders, die hijskranen of andere hefwerktuigen bedienen, moeten ter plaatse, waar zij die werktuigen bedienen, alsmede op de toegangswegen tot die plaats, beveiligd zijn tegen ongevallen door gevaar veroorzakende delen van drijfwerk of werktuigen of door vallen.

Artikel

105

Artikel

106

Waar vervoer met wagens over rails plaats heeft, moeten:

  • a.

    rails, wissels en draaischijven in goede staat van onderhoud verkeren; voor zover zij gevaar opleveren, moeten daartegen doeltreffende maatregelen zijn getroffen.

  • b.

    de draaischijven behoorlijk kunnen worden vastgezet;

  • c.

    maatregelen zijn genomen tegen knelling tussen wagens of bakken en vaste delen als muren, palen en kolommen alsmede tegen het gevaar van verwondingen veroorzaakt door trekkabels bij het vervoer van wagens langs bochtig spoor;

  • d.

    maatregelen zijn genomen tegen aanrijding op plaatsen, waar geregeld verkeer plaats heeft.

Artikel

107

Een kipwagen en een bak van een luchtspoor moeten veilig vastgezet kunnen worden.

Artikel

108

Indien het in artikel 106 bedoelde vervoer plaats heeft over een hellende baan en bij het losraken van een of meer der wagens gevaar kan ontstaan moeten daartegen, zo mogelijk door zelfwerkende inrichtingen, maatregelen zijn getroffen.

Artikel

109

Electrisch gedreven transportwagens of -karren, lorries en dergelijke, moeten zijn voorzien van tenminste een deugdelijke mechanische reminrichting en één mechanisch bediende stroomverbreker, welke automatisch in werking treden als de bedienende persoon het voertuig verlaat. Bij stilstaan van het voertuig mag de stroomketen niet gesloten worden als het bedieningsorgaan van het schakelapparaat (controller) niet in zijn nulstand staat.

Artikel

110

Tegen het gevaar getroffen te worden door vallende of wegvliegende voorwerpen moeten doeltreffende maatregelen zijn getroffen en beschuttingen zijn aangebracht.

Artikel

111

Het opstapelen van voorwerpen of stoffen, het maken van groeven, geulen, kuilen, putten en het af- of ondergraven van grond moet plaats hebben met inachtneming en toepassing van die voorzorgen, welke voldoende waarborgen geven tegen het gevaar van verzakken, omvallen, afkalven of instorten.

Artikel

112

Indien arbeiders werkzaam zijn op plaatsen, waar, of onder omstandigheden, waarbij zij gevaar lopen bedolven te worden door instortend materiaal, moeten zij met behulp van doelmatige gordels met touwen van voldoende lengte en sterkte, op veilige wijze zijn aangebonden.

Artikel

113

Indien arbeiders afdalen in een put, riool, grondkuip, kelder, gashouder, reservoir of andere ruimte, waar gevaar voor bedwelming, verstikking of vergiftiging kan bestaan, moeten zij met behulp van doelmatige gordels met touwen van voldoende lengte en sterkte, op veilige wijze zijn aangebonden.

Artikel

114

Artikel

115

Flessen, kannen, kruiken, bussen en fusten, die zoutzuur, zwavelzuur, salpeterzuur, carbol of andere bijtende vloeistoffen bevatten, moeten van een duidelijk in het oog vallend kenteken zijn voorzien, dat aangeeft welke vloeistof zij bevatten.

Artikel

116

Artikel

117

Artikel

118

Indien een vat, waarin rechtstreeks stoom uit een stoomleiding kan worden toegelaten, zodanig geopend is, dat een persoon zich daarin geheel of gedeeltelijk kan begeven, moeten tussen die leiding en dit vat dezelfde afsluitingen aanwezig zijn en worden gebruikt als in artikel 117 voor stoomketels is aangegeven.

Artikel

119

Een buis of een reservoir, waarin zich stoom of hete vloeistoffen of gassen bevinden, moet doeltreffend zijn beschut, voor zover nodig en mogelijk is om de aanraking ervan met enig lichaamsdeel te voorkomen.

Artikel

120

Artikel

121

Bij alle arbeid, die gevaar oplevert voor ongevallen door vaste of vloeibare stoffen, die bijtend zijn of een hoge temperatuur hebben, moeten doelmatige beschuttingsmiddelen ten gebruike van de arbeiders beschikbaar worden gesteld en moet worden zorg gedragen, dat deze door de arbeiders, zolang zulks nodig is, worden gebruikt.

Artikel

122

Ketels, reservoirs en andere toestellen, waarin zich gassen bevinden, die ontploffingsgevaar kunnen opleveren, moeten zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat een ontploffing zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zolang zich na het openen van een dezer ketels, reservoirs of toestellen, daarin nog een ontplofbaar gasmengsel kan bevinden, mag in de nabijheid ervan geen vuur of ander dan voldoend geïsoleerd kunstlicht branden.

Artikel

123

Artikel

124

Artikel

125

Artikel

126

Acetyleentoestellen moeten zodanig zijn ingericht, dat de ontleding van carbid niet geschiedt in een gashouder onder een beweeglijke gasklok.

Artikel

127

Acetyleentoestellen, waarbij de ontleding van het carbid buiten de gashouder geschiedt, moeten zijn voorzien van een inrichting die met zekerheid voorkomt, dat gas uit de gashouder door de geopende ontwikkelruimte ontsnapt.

Artikel

128

Artikel

129

Artikel

130

Artikel

131

De in artikel 130 bedoelde watersloten en andere inrichtingen moeten zodanig zijn ingericht, dat zij gemakkelijk kunnen worden geopend en inwendig nagezien.

Artikel

132

Het in deze paragraaf bepaalde ten aanzien van krachtwerktuigen, werktuigen en drijfwerken geldt, wanneer deze buiten gebruik zijn gesteld, alleen dan niet, indien en voor zover deze zijn gedemonteerd en duidelijk blijkt, dat het in gebruik nemen of in beweging brengen ervan niet zal plaats hebben, voordat de nodige beveiligingsmaatregelen zullen zijn genomen.

Artikel

133

Ten behoeve van het doden van dieren mogen geen schietmaskers met scherpe patronen worden gebruikt.

Hoofdstuk

XII

Vermijding van het gevaar van giftige verf

Artikel

134

Artikel

135

Het hoofd of de bestuurder is verplicht te zorgen, dat in zijn onderneming loodwit, loodsulfaat of producten, die een dezer verfstoffen als bestanddeel bevatten, niet anders dan vermengd met olie of een ander dik vloeibaar bindmiddel, aanwezig zijn in tot de onderneming behorende ruimten of ter plaatse waar schilderwerk wordt verricht.

Hoofdstuk

XIII

Slotbepalingen

Artikel

136

Artikel

137

Dit besluit wordt aangehaald als: Arbeidsveiligheidsbesluit I BES.