Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 26 oktober 2010 houdende nadere regels inzake securitisaties (Regeling securitisaties Wft 2010)

Regeling securitisaties Wft 2010

De Nederlandsche Bank N.V.,
Na raadpleging van de betrokken representatieve organisaties;
Gelet op Richtlijn nr. 2009/27/EG van de Commissie van 7 april 2009 tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad wat een aantal technische voorschriften inzake risicobeheer betreft (PbEU L 94);
Gelet op Richtlijn nr. 2009/83/EG van de Commissie van 27 juli 2009 tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad wat een aantal technische voorschriften inzake risicobeheer betreft (PbEU L 196);
Gelet op Richtlijn nr. 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (PbEU L 302);

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Naast de in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft en artikel 1:1 van de Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010 gedefinieerde begrippen, wordt in deze regeling verstaan onder:

  • a.

    ABCP-programma (asset backed commercial paper programma): een securitisatieprogramma in het kader waarvan effecten worden uitgegeven, voornamelijk in de vorm van kortlopend schuldpapier (commercial paper) met een oorspronkelijke looptijd van maximaal een (1) jaar;

  • b.

    beheerder van een securitisatie: de entiteit die verantwoordelijk is voor het dagelijkse beheer van de gesecuritiseerde vorderingen voor wat betreft de inning van de hoofdsom en de rente, die vervolgens aan de houders van de securitisatieposities worden doorgegeven.

  • c.

    benadering met toezichthoudersformule: de methode waarbij de risicogewogen posten voor securitisatieposities overeenkomstig artikel 36 worden berekend;

  • d.

    Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • e.

    E* (volledig aangepaste waarde van de vordering): de waarde van de vordering nadat het risicoverminderende effect van de zekerheid in aanmerking is genomen, en nadat volatiliteitsaanpassingen zijn toegepast;

  • f.

    erkend kredietbeoordelingsbureau: een kredietbeoordelingsbureau als bedoeld in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft, dat ingevolge artikel 88 van het Besluit is erkend;

  • g.

    financiële onderneming: een bank of een beleggingsonderneming;

  • h.

    Kirb: 8% van de risicogewogen posten die overeenkomstig de artikelen 69 tot en met 76, derde lid, van het Besluit met betrekking tot de gesecuritiseerde vordering ouden zijn berekend, indien zij niet gesecuritiseerd zouden zijn, vermeerderd met het bedrag van de overeenkomstig deze artikelen berekende verwachte verliesposten die met deze vorderingen verband houden;

  • i.

    Kirbr: de verhouding tussen (a) Kirb en (b) de som van de waarde van de vorderingen die gesecuritiseerd zijn;

  • j.

    kredietgebeurtenis: een, in een tussen partijen overeengekomen contract gedefinieerde, gebeurtenis die betaling onder dat contract tot gevolg heeft;

  • k.

    liquiditeitsfaciliteit: een securitisatiepositie die voortvloeit uit een contractueel vastgelegde afspraak om middelen ter beschikking te stellen ten einde de continuïteit van de kasstroom ten behoeve van de investeerders te waarborgen;

  • l.

    management: het collectief waaraan het bestuur leidinggevende verantwoordelijkheid heeft gedelegeerd ten aanzien van (onderdelen van) de bedrijfsvoering;

  • m.

    op ratings gebaseerde methode: de methode waarbij de risicogewogen posten voor securitisatieposities overeenkomstig artikel 30 worden berekend;

  • n.

    opschoon-calloptie: een contractuele optie die de initiator het recht geeft de securitisatie van vorderingen te beëindigen voordat alle onderliggende vorderingen zijn terugbetaald, wanneer het bedrag van de onderliggende vorderingen onder een bepaalde drempel daalt;

  • o.

    overgebleven rentemarge: financieringsvergoedingen en andere vergoedingen die met betrekking tot gesecuritiseerde vorderingen zijn ontvangen minus kosten en uitgaven;

  • p.

    risicogewicht: de wegingsfactor waarmee een vordering in de berekening van de vereiste minimumomvang van het toetsingsvermogen wordt opgenomen;

  • q.

    risicogewogen posten: de naar kredietrisico of verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, dan wel de naar risico gewogen securitisatieposities;

    • q1.

      Rsk 2010: de Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010:

    • q2.

      Rsm 2010: de Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2010;

  • r.

    securitisatiepositie met externe kredietbeoordeling: een securitisatiepositie waarvoor een externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is;

  • s.

    securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling: een securitisatiepositie waarvoor geen externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is;

  • t.

    SSPE (securitisation special purpose entity): entiteit voor securitisatiedoeleinden, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit;

  • u.

    vordering: een al dan niet voorwaardelijk activum, inclusief een post buiten de balanstelling;

  • v.

    Wft: de Wet op het financieel toezicht.

Artikel

2

Een financiële onderneming past deze regeling toe voor de bepaling van de vereiste minimumomvang van het toetsingsvermogen uit hoofde van:

  • a.

    kredietrisico’s in de niet-handelsportefeuille voor gesecuritiseerde vorderingen en securitisatieposities die voortkomen uit traditionele of synthetische securitisaties of soortgelijke structuren met overeenkomstige kenmerken; en

  • b.

    tegenpartijkredietrisico in de handelsportefeuille voor securitisatieposities.

Hoofdstuk

2

Minimumvereisten voor erkenning van overdracht van kredietrisico en berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten bij securitisaties

Afdeling

2.1

Minimumvereisten voor erkenning van overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico

§

2.1.1

Minimumvereisten in het kader van een traditionele securitisatie

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

§

2.1.2

Minimumvereisten in het kader van een synthetische securitisatie

Artikel

6

§

2.1.3

Kwalificatie van een overdracht van kredietrisico aan derden als aanzienlijk

Artikel

7

Afdeling

2.2

Berekening van de risicogewogen posten en verwachte verliesposten

Artikel

8

Afdeling

2.3

Behandeling van looptijdverschillen in het kader van synthetische securitisaties

Artikel

9

Afdeling

2.4

Overige bepalingen

§

2.4.1

Behoud van deelvorderingen door de initiërende financiële onderneming

Artikel

10

§

2.4.2

Risicogewogen posten voor een financiële onderneming die als beheerder van een securitisatie optreedt

Artikel

11

Een financiële onderneming die als beheerder van een securitisatie optreedt, betrekt de gesecuritiseerde vorderingen bij de berekening van de risicogewogen posten, tenzij de securitisatie zowel ten tijde van de risico-overdracht als daarna aan de volgende voorwaarden voldoet, met dien verstande dat deze voorwaarden alleen betrekking hebben op de financiële onderneming in haar rol als beheerder van een securitisatie:

  • a.

    de beheerder van een securitisatie heeft geen verplichtingen jegens de schuldeisers of beleggers, tenzij de beheerder van een securitisatie zich schuldig maakt aan grove nalatigheid;

  • b.

    de beheerder van een securitisatie is in staat aan te tonen dat hij de SSPE en de beleggers voldoende heeft geïnformeerd over het feit dat hij niet aansprakelijk is voor eventuele verliezen;

  • c.

    de beheerder van een securitisatie heeft geen kapitaalbelang in de SSPE, is op geen andere wijze gerechtigd tot een eigendomsbelang in de SSPE en oefent geen beleidsbepalende zeggenschap uit over de SSPE;

  • d.

    het management van de SSPE kan onafhankelijk van de beheerder van een securitisatie opereren;

  • e.

    de beheerder van een securitisatie draagt na de risico-overdracht geen kosten van de securitisatie, met uitzondering van de kosten die in de beheerovereenkomst zijn vermeld;

  • f.

    de beheerder van een securitisatie is niet verplicht betalingen aan de SSPE te doen in situaties waarin de onderliggende vorderingen niet presteren;

  • g.

    het is mogelijk om niet-verplichte betalingen van de beheerder van een securitisatie aan de SSPE terug te eisen, in het geval de oorspronkelijke debiteur in gebreke blijft; en

  • h.

    de beheerder van een securitisatie draagt als zodanig geen enkel verlies dat uit rente- of wisselkoersbewegingen voortvloeit.

§

2.4.3

Terugkoop van gesecuritiseerde vorderingen door de initiërende financiële onderneming

Artikel

12

Een initiërende financiële onderneming in een securitisatie die de mogelijkheid heeft om de gesecuritiseerde vorderingen in deze securitisatie vóór het einde van de juridische looptijd van de securitisatie terug te kopen, kan de gesecuritiseerde vorderingen slechts terugkopen, indien de terugkoop niet leidt tot een structurele verlaging van de solvabiliteit.

Hoofdstuk

3

De berekening van risicogewogen posten voor securitisatieposities en het gebruik van externe kredietbeoordelingen

Afdeling

3.1

De berekening van risicogewogen posten voor securitisatieposities

Artikel

13

Artikel

14

Afdeling

3.2

Het gebruik van externe kredietbeoordelingen

§

3.2.1

Vereisten met betrekking tot kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus

Artikel

15

Een kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau kan uitsluitend voor de berekening van risicogewogen posten overeenkomstig dit hoofdstuk worden gebruikt, indien:

  • a.

    er geen incongruentie is tussen de soorten betalingen die in de kredietbeoordeling tot uiting komen en de soorten betalingen waarop de financiële onderneming, ingevolge het contract dat tot de betrokken securitisatiepositie heeft geleid, recht heeft; en

  • b.

    de kredietbeoordeling voor het publiek toegankelijk is;

  • c.

    het erkende kredietbeoordelingsbureau publiekelijk bekend maakt hoe de prestaties van poolactiva haar kredietbeoordelingen beïnvloeden.

§

3.2.2

Gebruik van kredietbeoordelingen door een financiële onderneming

Artikel

16

Artikel

17

Hoofdstuk

4

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de standaardbenadering

Afdeling

4.1

Bepaling van risicogewogen posten

§

4.4.1

Hoofdregel met betrekking tot risicogewichten

Artikel

17a

De risicogewichten van posten die securitisatieposities vertegenwoordigen, worden vastgesteld overeenkomstig paragraaf 10.4 en artikel 88 van het Besluit, alsmede overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.

§

4.1.2

Risicogewichten behorende bij elke kredietkwaliteitscategorie

Artikel

18

§

4.1.3

Financiële ondernemingen die als initiator of sponsor optreden

Artikel

19

Voor een financiële onderneming die als initiator of sponsor optreedt, kunnen de risicogewogen posten die met betrekking tot haar securitisatieposities worden berekend, beperkt blijven tot de risicogewogen posten die met betrekking tot de gesecuritiseerde vorderingen zouden zijn berekend, indien zij niet gesecuritiseerd zouden zijn en een risicogewicht van 150% zou zijn toegepast op alle achterstallige posten en posten die tot de ‘categorieën met verhoogd risico’ onder de gesecuritiseerde vorderingen behoren.

Afdeling

4.2

Behandeling van securitisatieposities zonder externe kredietbeoordeling

Artikel

20

Afdeling

4.3

Behandeling van securitisatieposities zonder externe kredietbeoordeling in een tweede-verliestranche of hoger in het kader van een ABCP-programma

Artikel

21

Afdeling

4.4

Behandeling van liquiditeitsfaciliteiten zonder externe kredietbeoordeling

§

4.4.1

Erkende liquiditeitsfaciliteiten

Artikel

22

Met het oog op de vaststelling van de waarde van een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling in de vorm van bepaalde soorten liquiditeitsfaciliteiten wordt deze securitisatiepositie bij de bepaling van de risicogewogen post als erkende liquiditeitsfaciliteit aangemerkt, indien:

  • a.

    de documentatie betreffende de liquiditeitsfaciliteit duidelijk de omstandigheden waaronder de faciliteit kan worden benut, aangeeft en afbakent;

  • b.

    de faciliteit niet kan worden benut voor kredietondersteuning ter dekking van verliezen;

  • c.

    de faciliteit uitsluitend ertoe strekt om tijdelijke verschillen tussen inkomende en uitgaande kasstromen te financieren en niet kan worden gebruikt om de securitisatie permanent of regelmatig te financieren;

  • d.

    de terugbetaling van benutte faciliteit niet wordt achtergesteld bij de vorderingen van investeerders, anders dan vorderingen die voortvloeien uit rente- of valutaderivatencontracten, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen, en evenmin in aanmerking komt voor ontheffing of uitstel;

  • e.

    de faciliteit niet kan worden benut wanneer alle toepasselijke kredietverbeteringen ten gunste van de liquiditeitsfaciliteit zijn uitgeput; en

  • f.

    de faciliteit een bepaling bevat op grond waarvan het bedrag dat kan worden opgenomen automatisch wordt verminderd met het bedrag van de vorderingen waarbij sprake is van wanbetaling, of wanneer de pool van gesecuritiseerde vorderingen uit instrumenten met een externe kredietbeoordeling bestaat, een bepaling die de faciliteit beëindigt wanneer de gemiddelde kwaliteit van de pool tot een kredietbeoordelingsgraad beneden investment grade daalt.

Artikel

23

§

4.4.2

Voorschotfaciliteiten

Artikel

24

Een financiële onderneming kan voor een voorschotfaciliteit die onvoorwaardelijk opzegbaar is, een omrekeningsfactor van 0% toepassen op het nominale bedrag van deze liquiditeitsfaciliteit, mits:

  • a.

    aan de in artikel 22 gestelde voorwaarden voor een erkende liquiditeitsfaciliteit is voldaan;

  • b.

    de terugbetaling van opnemingen ten laste van de faciliteit een hogere rangorde heeft dan eventuele andere rechten op de kasstromen die uit de gesecuritiseerde vorderingen voortvloeien;

  • c.

    het voorschot wordt terugbetaald uit daarop volgende aflossingen en rentebetalingen of uit de beschikbare kredietverbetering; en

  • d.

    de financiële onderneming interne procedures heeft die waarborgen dat of volgens welke vastgesteld kan worden dat het kredietrisico verwaarloosbaar klein is.

Afdeling

4.5

Erkenning van kredietrisicovermindering ten aanzien van securitisatieposities

Afdeling

4.6

Vermindering van risicogewogen posten

Artikel

26

Hoofdstuk

5

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de op ratings gebaseerde methode

Afdeling

5.1

Rangorde van methoden

Artikel

27

Afdeling

5.2

Maximale risicogewogen posten

Artikel

28

Een financiële onderneming die Kirb kan berekenen, kan het bedrag van de risicogewogen posten dat zij met betrekking tot de in het kader van een securitisatietransactie ingenomen securitisatieposities berekent, beperken tot het bedrag aan risicogewogen posten dat een minimumomvang van het toetsingsvermogen als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit zou opleveren gelijk aan de som van:

  • a.

    8% van de risicogewogen posten die zouden ontstaan, indien de gesecuritiseerde activa niet waren gesecuritiseerd en op de balans van de financiële onderneming waren opgenomen; en

  • b.

    de verwachte verliesposten voor deze vorderingen.

Afdeling

5.3

De op ratings gebaseerde methode

§

5.3.1

Gebruikmaking van afgeleide kredietbeoordelingen

Artikel

29

Een financiële onderneming kent aan een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling een afgeleide kredietbeoordeling toe die gelijk is aan de kredietbeoordeling van de securitisatieposities met externe kredietbeoordeling (de ‘referentieposities’) van de hoogste rangorde die in alle opzichten zijn achtergesteld bij de betrokken securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling, indien minstens aan de volgende operationele vereisten is voldaan:

  • a.

    de referentieposities zijn in alle opzichten achtergesteld bij de securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling;

  • b.

    de looptijd van de referentieposities is gelijk aan of langer dan die van de betrokken securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling; en

  • c.

    alle afgeleide kredietbeoordelingen worden voortdurend geactualiseerd om eventuele wijzigingen in de kredietbeoordeling van de referentieposities weer te geven.

§

5.3.2

Risicogewichten volgens de op ratings gebaseerde methode

Artikel

30

Afdeling

5.4

De benadering met de interne beoordelingsmethodologie voor securitisatieposities in een ABCP-programma

Artikel

31

Indien daarvoor voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen, kan een financiële onderneming overeenkomstig artikel 35 een intern afgeleide kredietbeoordeling toepassen op een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling in een ABCP-programma, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32 tot en met 34.

Artikel

32

Het commercial paper dat in het kader van het ABCP-programma is uitgegeven, betreft securitisatieposities met een externe kredietbeoordeling.

Artikel

33

Artikel

34

Het ABCP-programma voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het ABCP-programma bevat underwriting standaarden in de vorm van krediet- en beleggingsrichtsnoeren;

  • b.

    in de underwriting standaarden van het ABCP-programma worden minimale toelaatbaarheidscriteria voor activa vastgesteld waaronder in ieder geval de criteria dat:

    • 1°.

      de aankoop van activa waarvoor er sprake is van een aanzienlijke betalingsachterstand of van wanbetaling wordt uitgesloten;

    • 2°.

      een al te sterke concentratie op een individuele debiteur of geografisch gebied wordt tegengegaan; en

    • 3°.

      de looptijd van de te kopen activa wordt beperkt;

  • c.

    het ABCP-programma beschikt over inningsstrategieën en -procedures die rekening houden met de operationele capaciteit en kredietkwaliteit van de beheerder van een securitisatie en in het programma wordt het risico voor de verkoper of de beheerder van een securitisatie door middel van uiteenlopende methoden beperkt;

  • d.

    bij de totale raming van verliezen op een pool van activa die het ABCP-programma overweegt te kopen wordt met alle bronnen van potentiële risico’s, zoals krediet- en verwateringsrisicorekening, rekening gehouden. Indien het niveau van de door de verkoper geboden kredietverbetering uitsluitend op kredietgerelateerde verliezen is gebaseerd, wordt een aparte reserve ingesteld voor het verwateringsrisico, indien dit verwateringsrisico van materieel belang is voor de specifieke pool van vorderingen. Met het oog op de vaststelling van het vereiste niveau van kredietverbetering worden de historische gegevens van meerdere jaren, die onder meer betrekking hebben op verliezen, betalingsachterstanden, verwatering en de omlooptijd van kortlopende vorderingen in beschouwing genomen; en

  • e.

    het ABCP-programma bevat met betrekking tot de aankoop van vorderingen structurele kenmerken, waaronder afbouwmechanismen, om de potentiële kredietverslechtering van de onderliggende portefeuille tegen te gaan.

Artikel

35

Afdeling

5.5

Benadering met toezichthoudersformule

Artikel

36

Afdeling

5.6

Liquiditeitsfaciliteiten

§

5.6.1

Toepasselijkheid van bepalingen

Artikel

37

Op een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling in de vorm van liquiditeitsfaciliteiten zijn, met het oog op de vaststelling van de hierop toe te passen omrekeningsfactor, de artikelen 38 en 39 van toepassing.

§

5.6.2

Voorschotfaciliteiten

Artikel

38

Op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit die voldoet aan de in artikel 24 genoemde voorwaarden, kan een omrekeningsfactor van 0% worden toegepast.

§

5.6.3

Bijzondere behandeling wanneer Kirb niet kan worden berekend

Artikel

39

Afdeling

5.7

Erkenning van kredietrisicovermindering ten aanzien van securitisatieposities

§

5.7.1

Volgestorte kredietprotectie

§

5.7.2

Niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel

41

Toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie en erkende verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie blijven beperkt tot de protectie en protectiegevers die overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 82, derde lid, van het Besluit, toelaatbaar zijn, en kan uitsluitend worden erkend, indien aan de in deze artikelen genoemde relevante minimumvereisten is voldaan.

§

5.7.3

Berekening van de vereiste minimumomvang van het toetsingsvermogen voor securitisatieposities met kredietrisicovermindering

§

5.7.3.1

Berekening volgens de op ratings gebaseerde methode

§

5.7.3.2

Benadering met toepassing van de toezichthoudersformule – volledige kredietprotectie

Artikel

43

§

5.7.3.3

Benadering met toepassing van de toezichthoudersformule – gedeeltelijke kredietprotectie

Artikel

44

Afdeling

5.8

Vermindering van risicogewogen posten

Artikel

45

Hoofdstuk

6

Aanvullende solvabiliteitsvereisten voor securitisaties van revolverende vorderingen met vervroegde-aflossingsbepalingen

Afdeling

6.1

Reikwijdte van dit hoofdstuk en vrijstellingen van behandeling als vervroegde aflossing

Artikel

46

Wanneer een initiërende financiële onderneming revolverende vorderingen verkoopt in een securitisatie die een vervroegde-aflossingsbepaling bevat, berekent deze financiële onderneming in aanvulling op de berekening van risicogewogen posten met betrekking tot haar securitisatieposities tevens een risicogewogen post volgens de methode bedoeld in dit hoofdstuk, onverminderd het bepaalde in artikel 47.

Artikel

47

Een initiërende financiële ondernemingen is vrijgesteld van het in artikel 46 bedoelde aanvullende solvabiliteitsvereiste in geval van de volgende typen securitisaties:

  • a.

    securitisaties van revolverende vorderingen waarbij de investeerders volledig blijven blootstaan aan alle risico’s in verband met toekomstige opnemingen door leningnemers, zodat het risico dat met de onderliggende faciliteiten is verbonden niet terugkeert naar de initiërende financiële onderneming, zelfs niet nadat zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die tot vervroegde aflossing aanleiding geeft; en

  • b.

    securitisaties waarbij een vervroegde-aflossingsbepaling uitsluitend van kracht wordt naar aanleiding van gebeurtenissen die geen verband houden met de prestatie of kredietwaardigheid van de gesecuritiseerde activa of kredietwaardigheid van de initiërende financiële onderneming.

Afdeling

6.2

Uitgangspunten voor de berekening van de risicogewogen posten

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

50

Afdeling

6.3

Het maximale kapitaalvereiste

Artikel

51

Afdeling

6.4

Berekening van risicogewogen posten

Artikel

52

Artikel

53

Artikel

54

De aanvraag om toestemming bedoeld in artikel 86, derde lid, van het Besluit om af te wijken van het bepaalde in artikel 53, wordt afgewezen, indien de financiële onderneming niet kan aantonen dat zij:

  • a.

    voor het bepalen van de omrekeningsfactor een benadering toepast die de behandeling, bedoeld in artikel 53, zo dicht mogelijk volgt; en

  • b.

    de omrekeningsfactor aansluit bij een prudente inschatting van het aanvullende solvabiliteitsvereiste, bedoeld in artikel 46.

Artikel

55

Hoofdstuk

7

Blootstelling aan overgedragen kredietrisico’s

Artikel

56

Artikel

57

Artikel

58

Artikel 56 is niet van toepassing als de gesecuritiseerde posities vorderingen of voorwaardelijke vorderingen zijn op, of volledig, onvoorwaardelijk en onherroepelijk gegarandeerd zijn door:

  • a.

    centrale overheden of centrale banken;

  • b.

    regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen van de lidstaten;

  • c.

    instellingen waaraan een risicoweging van 50% of minder is toegekend uit hoofde van de standaardbenadering; of

  • d.

    multilaterale ontwikkelingsbanken.

Artikel

59

Artikel 56 is niet van toepassing op:

  • a.

    transacties gebaseerd op een duidelijke, transparante en toegankelijke index, indien de onderliggende referentie-entiteiten identiek zijn aan die van een index van entiteiten die op ruime schaal wordt verhandeld, of andere verhandelbare effecten zijn dan securitisatieposities; of

  • b.

    syndicaatsleningen, aangekochte vorderingen of kredietverzuimswaps wanneer deze instrumenten niet worden gebruikt voor het verpakken en/of afdekken van een securitisatie die onder artikel 56 valt.

Artikel

60

Artikel

61

Artikel

62

Artikel

63

Als sponsor en als initiator optredende financiële ondernemingen maken aan beleggers bekend welk netto economisch belang zij uit hoofde van artikel 56 in de securitisatie aanhouden. Als sponsor en als initiator optredende financiële ondernemingen zorgen ervoor dat aspirant-beleggers gemakkelijk toegang krijgen tot alle wezenlijk relevante gegevens over de kredietkwaliteit en de resultaten van de individuele onderliggende posities, kasstromen en zekerheden ter dekking van een securitisatiepositie, alsook tot de informatie die nodig is om omvangrijke en op goede informatie gebaseerde stresstests op de kasstromen en de waarde van de zekerheden voor de onderliggende posities te kunnen uitvoeren. Hiertoe wordt door de financiële onderneming ‘wezenlijk relevante gegevens’ vastgesteld op de datum van de securitisatie en zo nodig als gevolg van de aard van de securitisatie daarna.

Artikel

64

Artikel

65

Artikel

66

Met inachtneming van de geheimhoudingsplicht en de uitzonderingen dienaangaande, bedoeld in de artikelen 1:89 en verder van de Wet op het financieel toezicht, maakt DNB vanaf 31 december 2011 op jaarbasis een korte beschrijving openbaar van het resultaat van de door DNB uitgevoerde evaluatie en een beschrijving van de maatregelen die zijn opgelegd in gevallen dat niet aan de artikelen 56 tot en met 63 is voldaan, op een niet tot afzonderlijke financiële ondernemingen herleidbare wijze.

Hoofdstuk

8

Aanvullende solvabiliteitsvereisten ter dekking van de positierisico’s van schuldinstrumenten

Artikel

67

Hoofdstuk

9

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

67a

Tot 31 december 2010 is de in bijlage 1, eerste lid, onderdeel e, genoemde limiet van 20% voor niet-achtergestelde effecten die zijn uitgegeven door Franse Fonds Commun de Créances of overeenkomstige securitisatievehikels niet van toepassing, voor zover voor die effecten een kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is die de gunstigste is die dit kredietbeoordelingsbureau voor gedekte obligaties toekent.

Artikel

68

Artikel

69

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling securitisaties Wft 2010.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam
De Nederlandsche Bank N.V., H.J. Brouwer, directeur

Bijlage

1

bij afdeling 5.5. van de Regeling securitisaties Wft 2010

Toezichthoudersformule en Vereenvoudigde input

Onderdeel A - Toezichthoudersformule als bedoeld in artikel 36, tweede lid

Het risicogewicht voor een securitisatiepositie volgens de benadering met de toezichthoudersformule bedraagt:

In deze uitdrukkingen verwijst Beta [x; a, b] naar de cumulatieve kansdichtheidsfunctie van de beta-verdeling met de parameters a en b, berekend in het punt x;

T (de omvang van de tranche waarin de securitisatiepositie wordt gehouden) wordt gemeten als de verhouding tussen (a) het nominale bedrag van de tranche en (b) de som van de waarde van de vorderingen die zijn gesecuritiseerd;

Hierbij is de waarde van een in bijlage B bij het Besluit genoemd afgeleid instrument, indien de actuele vervangingskostprijs geen positieve waarde is, de potentiële toekomstige vordering, berekend overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze regeling;

Kirbr is de verhouding tussen (a) Kirb en (b) de som van de waarde van de vorderingen die gesecuritiseerd zijn. Kirbr wordt in decimale vorm uitgedrukt (bijvoorbeeld Kirb = 15% van de pool zou worden uitgedrukt als een Kirbr van 0,15);

L (het kredietverbeteringsniveau) wordt gemeten als de verhouding tussen het nominale bedrag van alle tranches die achtergesteld zijn bij de tranche waarin de securitisatiepositie wordt gehouden en de som van de waarde van de vorderingen die gesecuritiseerd zijn;

Gekapitaliseerde toekomstige inkomsten worden niet in de meting van L betrokken. Door tegenpartijen verschuldigde bedragen in verband met in bijlage B bij het Besluit genoemde afgeleide instrumenten die tranches van een lagere rangorde vertegenwoordigen dan de desbetreffende tranche, kunnen bij de berekening van het niveau van de kredietverbetering tegen hun actuele vervangingskostprijs worden berekend (exclusief de potentiële toekomstige vordering);

N is het effectieve aantal vorderingen, berekend overeenkomstig artikel 30, vierde lid;

ELGD, het risicogewogen gemiddelde verlies bij wanbetaling, wordt als volgt berekend:

waarbij LGDi het gemiddelde LGD is dat verbonden is met alle vorderingen op de i-de debiteur; en LGD overeenkomstig de artikelen 69 tot en met 76 van het Besluit wordt bepaald;

In geval van hersecuritisatie wordt een LGD van 100% op de gesecuritiseerde posities toegepast. Wanneer wanbetaling en verwateringsrisico voor kortlopende gekochte vorderingen in een securitisatie gezamenlijk worden behandeld (dat wil zeggen er is een enkele reserve beschikbaar of er is sprake van ‘over-collateralisation’ om verliezen uit beide bronnen te dekken), wordt de input van het ELGD geconstrueerd als een gewogen gemiddelde van het LGD voor kredietrisico en 75% van het LGD voor het verwateringsrisico. De risicogewichten zijn de afzonderlijke kapitaalvereisten voor respectievelijk kredietrisico en verwateringsrisico.

Onderdeel B – Vereenvoudigde input als bedoeld in artikel 36, derde lid

In het kader van de benadering met toezichthoudersformule, is de vereenvoudigde input gegeven door:

(1) LGD = 50%; en

(2) N is gelijk aan ofwel

ofwel N = 1/C1.

In de bovenstaande formule is Cm de verhouding tussen de som van de waarde van de grootste m vorderingen en de som van de waarde van de gesecuritiseerde vorderingen. Het niveau van ‘m’ kan door de financiële onderneming worden bepaald.

Bijlage

2

bij de artikelen 18 en 30 van de Regeling securitisaties Wft 2010

Risicogewichten van securitisatieposities

Tabel 1. bij artikel 18 – Risicogewichten van securitisatieposities met een kredietbeoordeling anders dan voor de korte termijn (in procenten)

risicogewicht

20

50

100

350

1250

Tabel 2. bij artikel 18 – Risicogewichten van securitisatieposities met een kredietbeoordeling voor de korte termijn (in procenten)

risicogewicht

20

50

100

1250

Tabel 3. bij artikel 30 – Risicogewichten van securitisatieposities met een kredietbeoordeling anders dan voor de korte termijn (in procenten)

1

7

12

20

2

8

15

25

3

10

18

35

4

12

20

35

5

20

35

35

6

35

50

50

7

60

75

75

8

100

100

100

9

250

250

250

10

425

425

425

11

650

650

650

Lager dan 11

1250

1250

1250

Tabel 4. bij artikel 30 – Risicogewichten van securitisatieposities met een kredietbeoordeling voor de korte termijn (in procenten)

1

7

12

20

2

12

20

35

3

60

75

75

Lager dan 3

1250

1250

1250

Zie voor een overzicht van de mapping van erkende kredietbeoordelingbureaus de website van het Committee of European Banking Supervisors (CEBS):

http://www.c-ebs.org/sd/spreadsheets/rules/ecai_recognition.xls