Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 29 november 2010, no. 167535, houdende openstelling subsidieaanvragen en vaststelling subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011)
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
FAB-randen: randen op productiepercelen gericht op het aantrekken van natuurlijke vijanden ten behoeve van natuurlijke plaagbeheersing in het naastgelegen gewas, bestaande uit enkel en alleen FAB-planten;
–
FAB-planten: eenjarige of meerjarige bloemen en kruiden, bruikbaar voor het aantrekken van natuurlijke vijanden;
–
Minister: Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
–
monitoring:
a.
registratie van de bewerkingen en omschrijving van de ten behoeve van de aanleg en onderhoud van de FAB-rand uitgevoerde werkzaamheden, en
b.
registratie van de gegevens van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen gerelateerd aan de aanwezigheid van natuurlijke vijanden in de FAB-rand en de aanwezigheid van plaaginsecten in het aangrenzend perceel. Deze gegevens bestaan uit:
1.
datum van de bespuiting;
2.
merknaam en werkzame stof van het gewasbeschermingsmiddel;
3.
dosering; en
4.
toegepaste spuitdoppen;
–
regeling: Regeling LNV-subsidies;
–
scouting: registratie van de verhouding van aanwezige plaaginsecten ten opzichte van natuurlijke vijanden in het naast de FAB rand gelegen perceel;
–
verordening (EG) nr. 2200/96:verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die overwegen om te schakelen naar de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, die in omschakeling zijn of die reeds omgeschakeld zijn naar die biologische productiemethode.
2
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 17 januari 2011 tot en met 30 november 2011.
Artikel
4
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten, en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
a.
de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
b.
de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
c.
de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering;
d.
de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode;
e.
de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen;
f.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of
g.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
2
In afwijking van artikel 3, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen die lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij door desbetreffende ondernemingen wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, en g, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
Artikel
6
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
7
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
Artikel
8
Het subsidieplafond bedraagt € 450.000.
Titel
2
Bedrijfsadviesdiensten
Artikel
9
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2011 tot en met 13 mei 2011 door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 73/2009 ontvangen.
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies en ten minste € 250.
Artikel
12
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000.
Titel
3
Kennisverspreiding (praktijknetwerken)
Artikel
13
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal twee deelnemers bestaat.
2
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 15 september 2011 tot en met 28 oktober 2011.
Artikel
14
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 13, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
a.
het gekozen thema en de gekozen aanpak van het project inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
b.
het project een meer duurzaam karakter heeft;
c.
de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project;
d.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid.
Artikel
15
1
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.
2
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, 70% van de subsidiabele kosten, en bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 500.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op het thema functionele agrobiodiversiteit als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel o, van de regeling, voor zover deze projecten gericht zijn op het bevorderen van natuurlijke plaagbestrijding door middel van FAB-randen.
2
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend door landbouwondernemingen, in een samenwerkingsverband van ten minste 100 landbouwondernemingen.
3
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 17 januari 2011 tot en met 31 januari 2011.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen advies uit in de vorm van een rangschikking.
Artikel
21
In aanvulling op artikel 2:16, tweede lid, van de regeling draagt een project meer bij aan het bevorderen van nieuwe kennis of technologieën in de gehele sector indien:
a.
het samenwerkingsverband groter is;
b.
er meer regionale spreiding is van deelnemende landbouwondernemingen;
c.
er meer regionale en landelijke samenwerking is tussen de landbouwondernemingen in het samenwerkingsverband ten behoeve van kennisuitwisseling en demonstraties.
Artikel
22
De subsidie wordt uitsluitend verleend indien uit het op het project toegesneden communicatieplan volgt dat de resultaten van de scouting en de resultaten van de monitoring openbaar worden gemaakt.
Artikel
23
1
De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat voor de berekening van het subsidiebedrag de kosten als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, onderdelen b, c, d en h, van de regeling gezamenlijk ten hoogste 30% van de totale subsidiabele kosten bedragen.
Onderzoek en ontwikkeling (samenwerking bij innovatieprojecten)
Artikel
26
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-. paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de bijenhouderij, glastuinbouw, paddenstoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
3
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat het innovatieproject past binnen één of meerdere van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.
4
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari 2011 tot en met 25 februari 2011.
5
De aanvragen, bedoeld in het derde lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni 2011 tot en met 15 juli 2011.
Artikel
27
1
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 26, eerste, tweede of derde lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Projecten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer bijdraagt aan de uitwerking van de zes speerpunten van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij.
Artikel
28
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
Artikel
29
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling;
een energiebesparend ventilatiesysteem met voorverwarming en/of warmte terugwinning als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling;
de aansluiting op een energie- of CO2netwerk als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 13, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 13, onderdeel B, van de regeling.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2011 tot en met 13 mei 2011.
De subsidie voor de in artikel 31, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
2
De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
in de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 maart 2011, of
b.
in de periode van 15 september 2011 tot en met 28 oktober 2011.
Artikel
39
De subsidie voor de in artikel 38, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m2 opervlak voor het gesloten en bjibehorende open gedeelte of het totale oppervlak semi-gesloten kas.
Artikel
40
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, bedraagt:
In afwijking van artikel 35, eerste lid, en artikel 38, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel
42
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 36 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel
43
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, en 38, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
–
meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zo laag mogelijke CO² -uitstoot;
–
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
–
een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economische inpasbare systemen.
§
3
Investeringen in technieken ter vermindering van de uitstoot fijn stof
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten.
Artikel
49
Het subsidieplafond bedraagt € 20.000.000.
Titel
7
Voedselkwaliteitsregelingen
Artikel
50
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 september 2011 tot en met 30 december 2011.
Artikel
51
Het subsidieplafond bedraagt € 250.000.
Artikel
52
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Titel
8
Herstructureringssteun Q-koorts 2010
Artikel
53
1
Aanvragen tot verstrekking van een subsidie als bedoeld in artikel 2:69k regeling worden ingediend in de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 september 2011.
2
Aanvragen kunnen worden ingediend door ondernemingen die zodanig ernstig zijn getroffen door maatregelen ter bestrijding van de Q-koorts dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan zijn aan te merken als onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2:69c, eerste lid, van de regeling.
Binnen vier maanden na afronding van de maatregelen in het herstructureringsplan, bedoeld in artikel 2:69n van de regeling, dient de subsidieontvanger een eindverslag in dat ten minste bevat:
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 3 januari 2011 tot en met 30 december 2011.
Artikel
61
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
a.
de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.478.444,09;
b.
Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000.
Titel
2
Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 3 januari 2011 tot en met 27 februari 2011.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 300.000.
Hoofdstuk
4
Visserij
Titel
1
Maatregelen van gemeenschappelijk belang
§
1
Innovatieprojecten
Artikel
64
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 maart 2011.
2
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 350.000,–.
3
Het subsidieplafond bedraagt € 1.500.000,–.
Artikel
65
Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.
§
2
Collectieve acties
Artikel
66
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project, bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 maart 2011.
Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.
§
3
Duurzame ontwikkeling visserijgebieden
Artikel
70
1
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:33c van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 tot en met 31 januari 2011.
2
Het subsidieplafond bedraagt voor het visserijgebied opgenomen in:
Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.
Artikel
71
Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 70 met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.
Artikel
72
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte.
Titel
2
Investeringen in vissersvaartuigen
§
1
Investeringen in koelvriesinstallaties
Artikel
73
1
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen worden ingediend voor de uitvoering van activiteiten betreffende de modernisering van vissersvaartuigen voor zover deze betrekking hebben op de vervanging van een koelvriesinstallatie en er op gericht zijn om te voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel c, sub v, van verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEG L 244).
2
Geen subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verleend indien de te vervangen koelvriesinstallatie niet voldoet aan het vereiste, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c, sub iv, van de in het eerste lid genoemde verordening.
3
Aanvragen als bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen die geregistreerd zijn in het Nederlands visserijregister, met een bruto tonnage groter dan of gelijk aan 1230 brutoton.
Artikel
74
1
In afwijking van artikel 4:36 van de regeling verdeelt de Minister het totale beschikbare subsidiebedrag op basis van de in de in aanmerking komende aanvragen opgenomen subsidiabele kosten evenredig over al die aanvragen.
In afwijking van artikel 4:37, eerste lid, van de regeling voert de subsidieontvanger de activiteiten waarvoor subsidie is verleend uit binnen twee jaar en zes maanden na de datum van subsidieverlening.
Artikel
76
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 28 februari 2011.
Artikel
79
Het subsidieplafond bedraagt € 5.000.000.
Artikel
80
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een accountantsverklaring.
Hoofdstuk
5
Overige bepalingen en slotbepalingen
Artikel
81
De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing, naar rato verhoogd:
a.
de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 34, 37, onderdeel a, en 40, onderdeel a, met het bedrag of bedragen overgebleven door het niet bereiken van een of meerdere van deze subsidieplafonds;
b.
de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 37, onderdeel b, en 40, onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds of met het bedrag of bedragen overgebleven door het niet bereiken van een of meerdere van de in onderdeel a bedoelde subsidieplafonds;
c.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 30, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds.
Artikel
82
1
Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 14, 20, 27 en 43 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
2
De beoordelingscommissie, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de heer drs. J.P.J. Lokker en de heer ir. J.T.G.M. Koolen.
De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Artikel
84
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.
Artikel
85
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,H.Bleker
Bijlage
1
Hoogte van het subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij investeringen op het terrein van energiebesparing als bedoeld in artikel 31, eerste lid
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 31, eerste lid, onderdeel a):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 7,00
€ 70.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,20
€ 260.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,10
€ 3,90
€ 70.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,40
€ 3,80
€ 260.000,–
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 31,eerste lid, onderdeel b):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 7,00
€ 70.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,20
€ 260.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,10
€ 3,90
€ 70.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,40
€ 3,80
€ 260.000,–
Klimaatcomputer (artikel 31, eerste lid, onderdeel c):
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
€ 50.000,–
Meerinvestering kasdek met antireflectie gecoat kasdekglas (artikel 31, onderdeel d):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen
25%
€ 10,00
€ 500.000,–
Warmtebuffersysteem (artikel 31, eerste lid, onderdeel e):
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 60 m3
€ 50.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 125 m3
€ 70.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 250 m3
€ 90.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
250 m3 of groter
€ 100.000,–
Verticale ventilatoren (artikel 31, onderdeel f):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 4,–
€ 40.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,–
€ 150.000,–
Energieclusters (artikel 31, eerste lid, onderdeel g):
Per aangesloten energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming
25%
€150.000,–
€ 50.000,–
Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 31, eerste lid, onderdeel h):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,50
€ 65.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,00
€ 250.000,–
Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 31, eerste lid, onderdeel i):
Bij uitbesteding materiaal en installatie
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 15,–
€ 50.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 10
€ 150.000,–
Bij enkel uitbesteden materiaal (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 7,–
€ 8,–
€ 50.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,–
€ 4,–
€ 150.000,–
Energiebesparend ventilatiesysteem met voorverwarming en/of warmte terugwinning (artikel 31, eerste lid, onderdeel j):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen
25%
€ 15,–
€ 750.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen
25%
€ 20,–
€ 1.000.000,–
Meerinvestering diffuus glas (artikel 31, eerste lid, onderdeel k):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 12.,–
€ 120.000
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie ........... bedraagt.
Deel
1
Kasklimaatwensen en kasuitrusting
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
1
Gesloten kas fractie
%
50
n.v.t.
50
2
Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem)
groente
groente
groente
3
Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple)
enkelglas
enkelglas
enkelglas
4
Stooktemperatuur dag
°C
18
18
18
5
Stooktemperatuur nacht
°C
17
17
17
6
Koel- of ventilatietemperatuur
°C
27
27
27
7
Pband ventilatie/koeling
°C
2
2
2
8
Maximale ventilatie met buitenlucht
m3/(m2 hr)
0
n.v.t.
n.v.t.
9
Toegestane RV in de kas
%
85
85
85
10
Deksproeiers (kies ja of nee)
nee
nee
nee
11
Minimumbuistemperatuur
°C
40
40
40
12
VO van het minimumbuisnet
m2 buis/m2
0,2
0,2
0,2
13
Streefwaarde CO2
ppm
900
900
900
14
Maximale doseercapaciteit
kg/(ha hr)
120
180
180
15
Stralingscrit. voor schaduwscherm
W/m2
1000
1000
1000
16
Schaduwfactor schaduwscherm
%
30
30
30
17
Buitentemp sluiten energiescherm
°C
12
12
12
18
Besparingspercentage v.h. scherm
%
45
45
45
19
Belichtingsintensiteit
Wel/m2
0
0
0
20
Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3)
2
2
2
Belichtingsschema’s
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
[Schema1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1
DagnrStartBel
280
(→ dit is 6 oktober)
2
DagnrStopBel
80
(→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 2 uur uit)
5
SavondsAan
22
uur
[Schema2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1
DagnrStartBel
260
(→ dit is 16 september)
2
DagnrStopBel
91
(→ dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
22
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
2
uur
[Schema3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1
DagnrStartBel
330
(→ dit is 25 november)
2
DagnrStopBel
300
(→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
24
uur
Deel
2
Ketelhuis
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
Nieuw of vernieuwd ketelhuis
1
Kasoppervlak
1
ha
Geconditioneerd oppervlak
0,5
ha
Niet geconditioneerd opp. 0,5 ha
2
Buffercapaciteit
200
m3
200
m3/ha
3
Thermisch warmtepompvermogen
700
kW th
700
kW/ha
4
Efficientie v.d. warmtepomp
45
%
5
Capaciteit aquifer
200
m3/uur
400
m3/ha gecond. kas per uur
6
Temp verlies scheidingswisselaar
1
°C
7
Bufferinhoud koudebuffer
1500
m3
3000
m3/ha gecond. kas
8
Koude bron laden op
8
°C
9
WK-vermogen
60
kW el.
60
kW/ha
10
elektrisch WK-rendement
42
%
11
thermisch WK-rendement
55
%
12
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
ja
13
Zomerse WK-warmte oversch. in aquif.
nee
Referentie ketelhuis
14
Kasoppervlak
1
ha
15
Buffercapaciteit
100
m3
100
m3/ha
16
WK-vermogen
0
kW el.
0
kW/ha
17
elektrisch WK-rendement
42
%
18
thermisch WK-rendement
55
%
19
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
nee
Deel
3
Koel- en verwarmkarakteristieken
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt.
Benchmark punten v.d. Koelunit
0
1
Koelvermogen[kW]
20
kW
0
2
Watertemp in [°C]
12
°C
17
0
3
Watertemp uit [°C]
22
°C
0
0
4
Luchttemperatuur in [°C]
26
°C
21
0
5
Luchttemperatuur uit [°C]
16
°C
0
0
6
Koelvermogen geldt bij een RV van
85
%
0
7
Maximaal luchtdebiet [m3/uur]
2000
m3/uur
0
8
Electr.gebr.vent bij max luchtdeb.
0,3
kW
0
9
Waterzijdige drukval
1,2
bar
0
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Verwarmen
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
–1,00
0,00
0,00
0,20
0,10
1,36
32,57
2,42
0,15
1,67
48,86
3,06
0,20
1,92
65,14
3,52
0,25
2,15
81,43
3,87
0,30
2,36
97,71
4,14
0,35
2,55
114,00
4,36
0,40
2,72
130,29
4,53
0,45
2,89
146,57
4,67
0,50
3,04
162,86
4,77
0,55
3,19
179,14
4,85
0,60
3,33
195,43
4,91
0,65
3,47
211,71
4,95
0,70
3,60
228,00
4,97
0,75
3,60
244,29
4,98
0,80
3,60
260,57
4,98
0,85
3,60
276,86
4,96
0,90
3,60
293,14
4,93
0,95
3,60
309,43
4,90
1,00
3,60
325,71
4,85
100,00
3,60
800,00
19,90
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Deel
4
Overzicht van de resultaten
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.