Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES (Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES)

Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 23 november 2010, nr. AFP 2010/558, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 december 2010, nr. W06.10.0540/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr. DV2010/526 M, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk

2

In-, uit- en doorvoer

Afdeling

2.1

Kosten ambtelijke werkzaamheden

Artikel

2.1

Kosten zijn verschuldigd:

  • a.

    voor ambtelijke werkzaamheden verricht op verzoek van de belanghebbende:

    • 1°.

      buiten de openingstijden van de douanekantoren;

    • 2°.

      op andere plaatsen dan plaatsen die aangewezen zijn voor het onderzoek van goederen;

    • 3°.

      indien voor de verstrekking van inlichtingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving kosten zijn gemaakt, zoals voor analyses, expertises of terugzending van de goederen;

    • 4°.

      ter zake van het wijzigen van aangiften, en het wedergeldig verklaren, het ongeldig maken of het verlengen van de geldigheidsduur van een document;

  • b.

    voor de vernietiging van de goederen, bedoeld in de artikelen 2.22, eerste en derde lid, en 2.67, vijfde en zesde lid, van de wet;

  • c.

    indien kosten als bedoeld in artikel 2.54, derde lid, van de wet zijn gemaakt;

  • d.

    voor het heronderzoek van goederen, ingeval de verschillen in uitkomst tussen dat onderzoek en het eerdere onderzoek van de goederen, één percent of minder bedragen;

  • e.

    ter zake van advertenties, inventarisatie, overbrenging, verkoop of vernietiging in het kader van de inbewaringneming van goederen, bedoeld in artikel 2.67 van de wet;

  • f.

    ter zake van de opslag van goederen in een ruimte in beheer bij de overheid;

  • g.

    in de gevallen waarin bewaking van de goederen is bevolen.

Afdeling

2.2

Beperkingen voor de uit- en doorvoer van strategische goederen

Artikel

2.2

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Onze Minister: Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

  • b.

    goederen voor tweeërlei gebruik: goederen die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen aan de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;

  • c.

    militaire goederen: de militaire goederen, bedoeld in een door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister na overleg met Onze Minister die het mede aangaat vast te stellen ministeriële regeling;

  • d.

    Verordening 428/2009: Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik (PbEU 2009, L 134);

  • e.

    militair eindgebruik: de verwerking in militaire goederen, het gebruik van productie-, test- of onderzoeksapparatuur en onderdelen daarvan voor de ontwikkeling, de productie of het onderhoud van militaire goederen, en het gebruik van onafgewerkte goederen in een fabriek voor de fabricage van militaire goederen;

  • f.

    beschikking: een voor bezwaar vatbare schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is en die door Onze Minister is genomen op grond van deze afdeling.

Artikel

2.3

Artikel

2.4

Artikel

2.5

Indien Onze Minister heeft bepaald dat de uitvoer of de doorvoer van daarbij aangewezen goederen zonder vergunning is verboden, is degene tot wie de in artikel 2.3, derde lid, bedoelde regeling zich richt en de adressaat van het besluit, bedoeld in artikel 2.4, zodra voor hem aannemelijk is dat die goederen een andere bestemming zullen krijgen dan in de regeling of in het besluit is vermeld, verplicht onder opgave van redenen van deze gewijzigde bestemming mededeling te doen aan Onze Minister.

Artikel

2.6

Artikel

2.7

Artikel

2.8

Afdeling

2.3

Wijzigen en buiten werking stellen van aangiften

Artikel

2.9

Artikel

2.10

De inspecteur kan ambtshalve een aanvaarde aangifte buiten werking stellen, indien:

  • a.

    de aangever weigert de medewerking en bijstand, bedoeld in artikel 2.54 van de wet, te verlenen;

  • b.

    de bescheiden en gegevens, die vereist zijn voor de controle van de juistheid en volledigheid van de gegevens in de aangifte, niet worden overgelegd;

  • c.

    de aangever niet in staat is gebleken de aangegeven goederen aan de inspecteur te tonen;

  • d.

    belastingen ter zake van de invoer van goederen niet binnen de gestelde termijnen zijn betaald of binnen die termijnen geen zekerheid is gesteld; of

  • e.

    de betreffende goederen geen toegelaten douanebestemming kunnen krijgen in verband met de toepassing van verboden of beperkingen.

Afdeling

2.4

Onvolledige en vereenvoudigde aangifte

Artikel

2.11

Artikel

2.12

Afdeling

2.5

Over te leggen bescheiden

Artikel

2.13

Afdeling

2.6

Certificaten inzake goederenverkeer en certificaten van oorsprong

Artikel

2.14

Artikel

2.15

Artikel

2.16

Artikel

2.17

Artikel

2.18

Artikel

2.19

Artikel

2.20

Afdeling

2.7

Buiten werking stellen, wedergeldig verklaren, ongeldig maken en verlengen van de geldigheidsduur van documenten

Artikel

2.22

Artikel

2.23

Artikel

2.24

De inspecteur kan de geldigheidsduur van een document verlengen op een met redenen omkleed verzoek van de belanghebbende, indien de geldigheidsduur van het document op het moment dat de inspecteur het verzoek heeft ontvangen niet is verstreken en de goederen nog aanwezig zijn.

Afdeling

2.8

Zuivering van documenten

Artikel

2.25

Afdeling

2.9

Geautoriseerde marktdeelnemer

Artikel

2.26

Artikel

2.27

Artikel

2.28

Afdeling

2.10

Gebruik geweld en veiligheidsfouillering

Artikel

2.29

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    meerdere: de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;

  • b.

    geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, dieren of goederen;

  • c.

    geweldsmiddel: de wapens en uitrusting, waarmee geweld kan worden uitgeoefend, die krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wapenwet BES zijn toegestaan;

  • d.

    aanwenden van een geweldsmiddel: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruiken van een geweldsmiddel, daaronder begrepen het dreigen met een geweldsmiddel, waaronder niet wordt begrepen het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen.

Artikel

2.30

Artikel

2.31

Artikel

2.32

Het aanwenden van een geweldsmiddel door de ambtenaar is geoorloofd om een persoon aan de kleding te onderzoeken ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een wapen bij zich heeft. Het onderzoek aan de kleding moet noodzakelijk zijn om te voorkomen dat bedoelde persoon gebruik gaat maken van het wapen.

Artikel

2.33

De ambtenaar mag in verband met zijn eigen veiligheid of die van anderen slechts een geweldsmiddel uit voorzorg ter hand nemen indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het geweldsmiddel aan te wenden. Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het geweldsmiddel terstond opgeborgen.

Artikel

2.34

Artikel

2.35

Artikel

2.36

Artikel

2.37

Artikel

2.38

De bepalingen inzake het aanwenden van geweld, bedoeld in de artikelen 2.31 tot en met 2.34 en artikel 2.36, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het gebruik van vrijheidsbeperkende middelen.

Afdeling

2.11

Lijfsvisitatie

Artikel

2.39

Afdeling

2.12

Douane-entrepots

Artikel

2.40

Artikel

2.41

Indien een douane-entrepot bestemd is voor de opslag van goederen door eenieder, zijn de bepalingen, bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, onderdelen c, d, e, f, g, h, en i, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing op degene die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de aangifte voor de douanebestemming douane-entrepot.

Artikel

2.42

Artikel

2.43

Artikel

2.44

Artikel

2.45

Artikel

2.46

Afdeling

2.13

Bestuurlijke boeten

Artikel

2.47

Overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 2.15, vijfde lid, vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.

Artikel

2.48

Overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 2.17, derde lid, vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.

Artikel

2.49

Overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 2.43, eerste lid, vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.

Afdeling

2.14

Strafrechtelijke bepalingen

Artikel

2.51

Degene die artikel 2.15, vijfde lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel

2.52

Degene die artikel 2.17, derde lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel

2.53

Degene die artikel 2.43, eerste lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Hoofdstuk

3

Formele bepalingen accijns

Artikel

3.1

Artikel

3.2

Artikel

3.3

Artikel

3.4

Artikel

3.5

Artikel

3.6

Vrijstelling van accijns voor benzine die is bestemd te worden gebruikt als brandstof voor schepen, andere dan pleziervaartuigen, dan wel voor het schoonmaken van tankschepen of voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, andere dan plezierluchtvaartuigen, wordt verleend indien:

  • a.

    de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig dan wel zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig verklaart dat de benzine is bestemd voor het in de aanhef bedoelde gebruik;

  • b.

    de verklaring geschiedt in tweevoud met gebruikmaking van een door de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats opgesteld bescheid in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats of met gebruikmaking van een door degene die de levering verricht opgesteld bescheid in geval van invoer;

  • c.

    de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig dan wel zijn vertegenwoordiger aan boord van het schip of luchtvaartuig beide exemplaren van de verklaring, bedoeld in onderdeel b, ondertekent; en

  • d.

    een exemplaar van de verklaring, bedoeld in onderdeel b, op overzichtelijke wijze wordt opgenomen in de administratie van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats in geval van uitslag uit de accijnsgoederenplaats of in de administratie van degene die de aangifte voor de douanebestemming invoer doet in geval van invoer en het andere exemplaar wordt bewaard aan boord van het schip of luchtvaartuig dan wel wordt opgenomen in de administratie van de eigenaar of exploitant van het schip of luchtvaartuig.

Artikel

3.7

Artikel

3.7a

Artikel

3.7b

Voor de toepassing van de teruggaaf voor onder ambtelijk toezicht vernietigde accijnsgoederen is artikel 3.7a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel

3.7c

Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die zijn gebracht binnen een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed als zodanig is aangewezen, wordt verleend aan de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats waarnaar de goederen zijn overgebracht indien uit de administratie blijkt dat de goederen in zijn accijnsgoederenplaats zijn opgenomen.

Artikel

3.8

Artikel

3.9

Van ruwe en van gedeeltelijk tot verbruik bereide tabak die wordt vervoerd moet aan de hand van bescheiden de herkomst kunnen worden aangetoond.

Hoofdstuk

4

Slotbepaling

Artikel

4.1

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage
Beatrix
De Staatssecretaris van Financiën, F. H. H. Weekers
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, H. Bleker
De Minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten