Artikel
I
Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
In de artikelen IA tot en met IE wordt verstaan onder:
huurcommissie: huurcommissie als bedoeld in artikel 3a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;
huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 7: 237, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;
zelfstandige woning: zelfstandige woning als bedoeld in artikel 7: 234 van het Burgerlijk Wetboek.
De op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Aa, van deze wet bij de huurcommissie aanhangige verzoeken als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, zoals dat lid laatstelijk luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Aa, van deze wet, worden behandeld met toepassing van dat lid, zoals dat laatstelijk luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Aa, van deze wet.
Indien de eigenaar van een zelfstandige woning geen, overeenkomstig de op grond van artikel 120 van de Woningwet gegeven regels omtrent de energieprestatie van gebouwen afgegeven, energieprestatiecertificaat aan de huurder heeft verstrekt en daartoe op grond van die regels ook niet verplicht was, vindt, in afwijking van de op grond van artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gegevens regels zoals die komen te luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, de waardering van die woning plaats overeenkomstig de op grond van artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gegeven regels, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Indien de eigenaar van een zelfstandige woning, waarvoor een huurovereenkomst tot stand is gekomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, een, overeenkomstig de op grond van artikel 120 van de Woningwet gegeven regels omtrent de energieprestatie van gebouwen afgegeven, energieprestatiecertificaat aan de huurder heeft verstrekt, en een huurprijsverlaging als bedoeld in artikel 14 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte mogelijk is op grond van de waardering van de energieprestatie van die woning overeenkomstig de op grond van artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gegeven regels zoals die komen te luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en niet op grond van die regels zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, spreekt de huurcommissie in afwijking van artikel 14 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte uit dat de huurprijs ongewijzigd blijft.
Bij de toepassing van artikel 16 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte neemt de huurcommissie in geval van een verzoek als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die wet, in acht de krachtens artikel 12, tweede lid, van die wet gestelde regels, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
De artikelen IB, IC en ID van deze wet vervallen met ingang van 1 januari 2014, met dien verstande dat:
artikel IC van toepassing blijft op voorstellen tot verlaging van de huurprijs met een datum van ingang voor 1 januari 2014;
artikel ID van toepassing blijft op uitspraken van de huurcommissie of van de rechter die leiden tot een datum van ingang van de in rekening te brengen lagere huurprijs voor 1 januari 2014.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt binnen drie jaar na de datum, genoemd in artikel IE, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de op grond van artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte gegeven regels omtrent de energieprestatie van de woonruimte, zoals die komen te luiden na de inwerkingtreding van deze wet.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.