Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 6 december 2011, nr. 246957, houdende de openstelling van subsidieaanvragen en de vaststelling van subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012)
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
verordening (EG) nr. 2200/96:verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
d.
verordening (EG) nr. 73/2009:verordening (EG) Nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30).
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 april 2012 tot en met 14 mei 2012 door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 73/2009 ontvangen.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.
2
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste twee jaar.
3
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste tweeënhalf jaar.
4
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2012 tot en met 31 mei 2012.
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.
2
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, 70% van de subsidiabele kosten, en bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 250.000.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 7, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
a.
het gekozen thema en de gekozen aanpak van het project inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
b.
het project een meer duurzaam karakter heeft;
c.
de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project;
d.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid;
e.
het project beter aansluit bij de agenda’s van de topsectoren agro & food onderscheidenlijk tuinbouw & uitgangsmaterialen.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op de thema’s, bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel g of onderdeel v, voor zover deze projecten zich richten op vernieuwingen die een bijdrage leveren aan het bereiken van de doelstellingen, genoemd in artikel 2 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren.
2
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend door landbouwondernemingen of een samenwerkingsverband van landbouwondernemingen onderling, dan wel met agro-MKB ondernemingen, bosbouwondernemingen of MKB ondernemingen werkzaam in de voedselindustrie, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de sectoren: veehouderij, akkerbouw, tuinbouw open teelt, bloembollen, bolbloemen, paddenstoelen of glastuinbouw.
3
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 2 april 2012 tot en met 14 mei 2012.
Artikel
11b
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen advies uit in de vorm van een rangschikking.
meer bijdraagt aan de doelstellingen, genoemd in artikel 2 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren;
b.
meer bijdraagt aan de voor de sectoren, genoemd in artikel 11a, tweede lid, relevante convenantafspraken als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 8 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren;
c.
een gunstigere verhouding heeft tussen de kosten en de doelstellingen, genoemd in artikel 2 van het convenant Schone en Zuinige Agrosectoren.
Artikel
11d
1
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.
2
Indien het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband van uitsluitend landbouwondernemingen, bedraagt de subsidie voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, in afwijking van het eerste lid ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten.
Artikel
11e
1
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, bedraagt € 4.200.000.
2
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond van het Productschap Tuinbouw van € 202.000 voor projecten ingediend door glastuinbouwondernemingen, met dien verstande dat per project ten hoogste 20% van het subsidiebedrag ten laste komt van het additionele subsidieplafond.
Onderzoek en ontwikkeling (samenwerking bij innovatieprojecten)
Artikel
12
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat het innovatieproject past binnen één of meerdere van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.
2
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari 2012 tot en met 24 februari 2012.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Artikel
14
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
Het subsidieplafond bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, € 8.000.000.
Titel
4
Bedrijfsmodernisering
§
1
Marktintroductie energie-innovaties
Artikel
17
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties, niet zijnde aardwarmteprojecten, als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie worden gesubsidieerd.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van:
a.
1 februari 2012 tot en met 15 maart 2012, of
b.
24 september 2012 tot en met 29 oktober 2012.
Artikel
18
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.
Artikel
19
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, bedraagt:
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie worden gesubsidieerd.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van:
a.
1 februari 2012 tot en met 15 maart 2012, of
b.
24 september 2012 tot en met 29 oktober 2012.
Artikel
21
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m2 opervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale oppervlak semi-gesloten kas.
Artikel
22
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, bedraagt:
In afwijking van artikel 17, eerste lid, en artikel 20, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel
24
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 19 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel
25
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en 20, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energie-innovatie naar het oordeel van de commissie:
a.
meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zo laag mogelijke CO2 -uitstoot;
b.
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
c.
gericht op teelttechnische of economische inpasbare systemen. een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt
§
2
Jonge landbouwers
Artikel
25a
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 26 oktober 2012.
2
Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Artikel
25b
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
Artikel
25c
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
25d
Het subsidieplafond bedraagt € 5.300.000.
Artikel
25e
1
De subsidiabele kosten bedragen niet meer dan € 80.000.
2
De subsidie bedraagt ten minste € 5000 en ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten.
§
3
Verdergaande verduurzaming land- en tuinbouw in het kader van nieuwe uitdagingen (POP NU)
Per landbouwonderneming, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt B, wordt één aanvraag ingediend per categorie, die betrekking kan hebben op één of meerdere apparaten, installaties of machines onderscheiden in de categorieën 1, 2, 3, 4 en 5, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling.
4
Landbouwondernemingen die in het jaar 2010 en 2011 voor apparatuur, installaties of machines onderscheiden in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, subsidie toegewezen hebben gekregen voor één of meer categorieën komen niet voor subsidie in aanmerking.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2015 en per landbouwonderneming bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt B kan in die periode maximaal één aanvraag per categorie gedaan worden.
35% van de subsidiabele kosten voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in categorie 1, onderdelen b tot en met g, categorie 4, onderdelen a tot en met e, en categorie 5.
b.
25% van de subsidiabele kosten voor apparatuur, installaties of machines als bedoeld in categorie 1, onderdeel a, categorie 2, categorie 3 en categorie 4, onderdeel f.
2
De subsidie per categorie bedraagt ten minste € 5.000 en ten hoogste € 100.000.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
a.
€ 315.000 voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, categorie 1, die integraal onderdeel uitmaken van een co-vergistingsinstallatie of een vergistingsinstallatie, voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Utrecht;
b.
€ 925.000 voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, categorieën 4 en 5, voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Utrecht.
§
4
Duurzame stallen en houderijsystemen rond N2000
Artikel
25k
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de:
a.
melkveehouderij;
b.
vleesveehouderij;
c.
schapenhouderij;
d.
geitenhouderij;
e.
varkenshouderij;
f.
kalverenhouderij
g.
pluimveehouderij, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of
h.
konijnenhouderij,
2
Het eerste lid is niet van toepassing op varkens- en pluimveehouderijen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
3
De landbouwondernemingen, bedoeld in het eerste lid, zijn ten hoogste 3.000 meter verwijderd van een gebied als beschreven in bijlage 2 bij dit besluit.
4
De investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in het eerste lid leidt tot een emissiewaarde van ten hoogste 75% ten opzichte van:
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2012 tot en met 31 augustus 2012.
Artikel
25l
1
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 25k, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
indien de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert;
b.
naarmate de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
c.
naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn;
d.
naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden;
e.
naarmate de vermindering van de uitstoot van ammoniak hoger is, en
f.
naarmate de landbouwonderneming al dan niet in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan dan wel deze vergunningen heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag tot subsidieverlening.
3
Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het tweede lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Artikel
25m
1
De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt.
2
In aanvulling op het eerste lid, bedraagt de hoogte van de subsidie voor aanvragers gevestigd in het gebied Groot Wilnis Vinkeveen in de provincie Utrecht ten hoogste € 50.000.
Artikel
25n
1
Het subsidieplafond bedraagt € 8.000.000.
2
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van € 678.000 voor aanvragers gevestigd in Limburg.
3
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van € 200.000 voor aanvragers gevestigd in het gebied Groot Wilnis Vinkeveen in de provincie Utrecht.
4
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van € 908.000 voor aanvragers gevestigd in Gelderland.
De extra kosten, bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
§
5
Investeringen op het terrein van energiebesparing
Artikel
25q
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling;
een energiebesparend ventilatiesysteem met voorverwarming en/of warmteterugwinning als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling;
de aansluiting op een energie- of CO2netwerk als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 13, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 13, onderdeel B, van de regeling.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 12 oktober 2012 tot en met 9 november 2012.
Per glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverband kan slechts één aanvraag voor subsidieverlening worden ingediend. De aanvraag kan meerdere investeringen als bedoeld in het eerste lid bevatten.
5
In afwijking van het vierde lid, mag een glastuinbouwonderneming geen aanvraag voor subsidieverlening indienen voor zowel een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, als een investering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel k.
Artikel
25r
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
25s
1
De subsidie voor de investeringen, bedoeld in artikel 25q, eerste lid, wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 3 met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
2
De aanvraag tot subsidievaststelling wordt binnen een jaar na subsidieverlening ingediend.
3
Indien een vergunning die op grond van een wettelijk voorschrift vereist is voor een investering als bedoeld in artikel 25q, eerste lid, vanwege omstandigheden die aantoonbaar buiten de invloedssfeer van de subsidieaanvrager liggen, niet tijdig is verkregen om voor de investering binnen een jaar na subsidieverlening een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen, kan de termijn, bedoeld in het tweede lid, op verzoek van de subsidieaanvrager met een jaar verlengd worden.
4
Voor de toepassing van het derde lid, dient de subsidieaanvrager een verzoek tot uitstel van het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling in bij de Minister, waarbij de subsidieaanvrager aantoont dat de vergunning, bedoeld in het derde lid, niet tijdig is verkregen vanwege omstandigheden die buiten zijn invloedssfeer liggen. De subsidieaanvrager draagt er zorg voor dat het verzoek binnen een jaar na subsidieverlening in het bezit is van Dienst Regelingen.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2012 tot en met 31 december 2012.
Artikel
29
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
a.
de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.478.444,09;
b.
Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000.
Titel
2
Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren
Artikel
30
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:51, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub a, van de regeling in de periode van 2 januari 2012 tot en met 14 februari 2012.
Artikel
31
Het subsidieplafond bedraagt € 150.000.
Titel
3
Behoud zeldzame landbouwhuisdierrassen
Artikel
32
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari 2012 tot en met 24 februari 2012.
Artikel
33
Het subsidieplafond bedraagt € 200.000.
Titel
4
Biodiversiteit en bedrijfsleven
Artikel
33a
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:67 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 26 september 2012, 17.00 uur.
Artikel
33b
Het subsidieplafond bedraagt € 2.500.000,–.
Titel
5
Behoud van gescheperde schaapskuddes bestaande uit zeldzame rassen
Artikel
33c
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:74 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 3 september 2012 tot en met 1 oktober 2012.
Artikel
33d
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000,00.
Titel
6
Groen en doen: vrijwilligersprojecten op het gebied van natuur- en landschapsbeheer
Artikel
33d*
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 3:79 van de Regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 9 november 2012.
Artikel
33e
Het subsidieplafond bedraagt € 610.000.
Hoofdstuk
4
Visserij
Titel
1
Maatregelen van gemeenschappelijk belang
§
1
Innovatieprojecten
Artikel
34
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012.
2
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 250.000.
3
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
Artikel
35
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van betaalde kosten.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012.
Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.
Artikel
43b
Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 43a met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.
Artikel
43c
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van de gemaakte en betaalde kosten.
Investeringen in weegapparatuur aan boord van vissersvaartuigen
Artikel
43f
1
Aanvragen voor de vaststelling van subsidie voor de aanschaf en installatie van elektronische weegapparatuur als bedoeld in artikel 4:39a, eerste lid, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli 2011 tot en met 1 november 2012.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000,-.
Artikel
43g
In afwijking van artikel 1:2, tweede lid, van de regeling kan subsidie worden verleend voor activiteiten die zijn aangevangen voor de subsidievaststelling met dien verstande dat de activiteiten zijn aangevangen na 1 juni 2011.
Artikel
43h
Er worden geen voorschotten verleend.
Titel
2
Investeringen in aquacultuur
Artikel
44
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:40 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 3 september 2012 tot en met 28 september 2012.
Aanvragen tot verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4:68 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober tot en met 31 oktober 2012.
2
Het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in het eerste lid bedraagt € 400.000.
Titel
3
Garantstelling visserij
Artikel
48
1
Aanvragen tot verstrekking van een garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari 2012 tot en met 20 juli 2012.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 2 juli 2012 tot en met 14 september 2012.
Artikel
48b
De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 120.000 per jaar.
Artikel
48c
De duur van de subsidieverlening bedraagt maximaal 4 jaar.
Artikel
48d
Het subsidieplafond bedraagt € 1.920.000.
Hoofdstuk
5
Overige bepalingen en slotbepalingen
Artikel
49
De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing, naar rato verhoogd:
a.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 9, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
b.
de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 19 en 22 met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 25j, eerste lid, onderdelen c of d, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 25j, eerste lid, onderdeel a, b, c of d;
e.
het subsidieplafond, bedoeld in artikel 25j, tweede lid, onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 25j, tweede lid, onderdeel a.
Artikel
50
1
Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 10, 11b, 13 en 25 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
2
De beoordelingscommissie, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de heer drs. J.P.J. Lokker en de heer ir. J.T.G.M. Koolen.
Artikel
51
Wijzigt het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2001.
De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Artikel
54
1
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
2
In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 51, onderdelen A en B, in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
3
In afwijking van het eerste lid treedt artikel 51, onderdeel C, in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 5 december 2011.
4
In afwijking van het eerste lid treedt artikel 52, onderdelen B en C, in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 7 november 2011.
Artikel
55
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,H.Bleker
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie bedraagt.
Deel
1
Kasklimaatwensen en kasuitrusting
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
1
Gesloten kas fractie
%
50
n.v.t.
50
2
Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem)
groente
groente
groente
3
Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple)
enkelglas
enkelglas
enkelglas
4
Stooktemperatuur dag
°C
18
18
18
5
Stooktemperatuur nacht
°C
17
17
17
6
Koel- of ventilatietemperatuur
°C
27
27
27
7
Pband ventilatie/koeling
°C
2
2
2
8
Maximale ventilatie met buitenlucht
m3/(m2 hr)
0
n.v.t.
n.v.t.
9
Toegestane RV in de kas
%
85
85
85
10
Deksproeiers (kies ja of nee)
nee
nee
nee
11
Minimumbuistemperatuur
°C
40
40
40
12
VO van het minimumbuisnet
m2 buis/m2
0,2
0,2
0,2
13
Streefwaarde CO2
ppm
900
900
900
14
Maximale doseercapaciteit
kg/(ha hr)
120
180
180
15
Stralingscrit. voor schaduwscherm
W/m2
1000
1000
1000
16
Schaduwfactor schaduwscherm
%
30
30
30
17
Buitentemp sluiten energiescherm
°C
12
12
12
18
Besparingspercentage v.h. scherm
%
45
45
45
19
Belichtingsintensiteit
Wel/m2
0
0
0
20
Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3)
2
2
2
Belichtingsschema’s
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
[Schema 1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1
DagnrStartBel
280
(→ dit is 6 oktober)
2
DagnrStopBel
80
(→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 2 uur uit)
5
SavondsAan
22
uur
[Schema 2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1
DagnrStartBel
260
(→ dit is 16 september)
2
DagnrStopBel
91
(→dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
22
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
2
uur
[Schema 3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1
DagnrStartBel
330
(→ dit is 25 november)
2
DagnrStopBel
300
(→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
24
uur
Deel
2
Ketelhuis
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
1
Kasoppervlak
1
ha
Geconditioneerd oppervlak
0,5
ha
Niet geconditioneerd opp. 0,5 ha
2
Buffercapaciteit
200
m3
200
m3/ha
3
Thermisch warmtepompvermogen
700
kW th
700
kW/ha
4
Efficientie v.d. warmtepomp
45
%
5
Capaciteit aquifer
200
m3/uur
400
m3/ha gecond. kas per uur
6
Temp verlies scheidingswisselaar
1
°C
7
Bufferinhoud koudebuffer
1500
m3
3000
m3/ha gecond. kas
8
Koude bron laden op
8
°C
9
WK-vermogen
60
kW el.
60
kW/ha
10
elektrisch WK-rendement
42
%
11
thermisch WK-rendement
55
%
12
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
ja
13
Zomerse WK-warmte oversch. in aquif.
nee
Referentie ketelhuis
14
Kasoppervlak
1
ha
15
Buffercapaciteit
100
m3
100
m3/ha
16
WK-vermogen
0
kW el.
0
kW/ha
17
elektrisch WK-rendement
42
%
18
thermisch WK-rendement
55
%
19
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
nee
Deel
3
Koel- en verwarmkarakteristieken
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt.
Benchmark punten v.d. Koelunit
0
1
Koelvermogen[kW]
20
kW
0
2
Watertemp in [°C]
12
°C
17
0
3
Watertemp uit [°C]
22
°C
0
0
4
Luchttemperatuur in [°C]
26
°C
21
0
5
Luchttemperatuur uit [°C]
16
°C
0
0
6
Koelvermogen geldt bij een RV van
85
%
0
7
Maximaal luchtdebiet [m3/uur]
2000
m3/uur
0
8
Electr.gebr.vent bij max luchtdeb.
0,3
kW
0
9
Waterzijdige drukval
1,2
bar
0
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Verwarmen
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
-1,00
0,00
0,00
0,20
0,10
1,36
32,57
2,42
0,15
1,67
48,86
3,06
0,20
1,92
65,14
3,52
0,25
2,15
81,43
3,87
0,30
2,36
97,71
4,14
0,35
2,55
114,00
4,36
0,40
2,72
130,29
4,53
0,45
2,89
146,57
4,67
0,50
3,04
162,86
4,77
0,55
3,19
179,14
4,85
0,60
3,33
195,43
4,91
0,65
3,47
211,71
4,95
0,70
3,60
228,00
4,97
0,75
3,60
244,29
4,98
0,80
3,60
260,57
4,98
0,85
3,60
276,86
4,96
0,90
3,60
293,14
4,93
0,95
3,60
309,43
4,90
1,00
3,60
325,71
4,85
100,00
3,60
800,00
19,90
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Deel
4
Overzicht van de resultaten
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Hoogte van het subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij investeringen op het terrein van energiebesparing als bedoeld in artikel 25q, eerste lid
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 25q, eerste lid, onderdeel a):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 7,00
€ 70.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,20
€ 260.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,10
€ 3,90
€ 70.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,40
€ 3,80
€ 260.000,–
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 25q ,eerste lid, onderdeel b):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 7,00
€ 70.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,20
€ 260.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,10
€ 3,90
€ 70.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,40
€ 3,80
€ 260.000,–
Warmtebuffersysteem (artikel 25q, eerste lid, onderdeel c):
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 60 m3
€ 50.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 125 m3
€ 70.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 250 m3
€ 90.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
250 m3 of groter
€ 100.000,–
Verticale ventilatoren (artikel 25q, eerste lid, onderdeel d):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 4,–
€ 40.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,–
€ 150.000,–
Energieclusters (artikel 25q, eerste lid, onderdeel e):
Per aangesloten energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming
25%
€ 150.000,–
€ 50.000,–
Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 25q, eerste lid, onderdeel f):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,50
€ 65.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,00
€ 250.000,–
Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 25q, eerste lid, onderdeel g):
Bij uitbesteding materiaal en installatie
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 15,–
€ 50.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 10
€ 150.000,–
Bij enkel uitbesteden materiaal (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 7,–
€ 8,–
€ 50.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,–
€ 4,–
€ 150.000,–
Energiebesparend ventilatiesysteem met voorverwarming en/of warmte terugwinning (artikel 25q, eerste lid, onderdeel h):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen
25%
€ 15,–
€ 750.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen
25%
€ 20,–
€ 1.000.000,–
Diffuus glas (artikel 25q, eerste lid, onderdeel i):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 12.,–
€ 120.000
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 10,–
€ 500.000
Biomassa gestookte ketelinstallatie (artikel 25q, eerste lid, onderdeel j):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming
25%
0 t/m 500
€ 800,–/kW
€ 400.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming
25%
> 500 t/m 1500
€ 600,–/kW
€ 900.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming
25%
> 1500
€ 400,–/kW
€ 1.500.000,–
Aansluiting op een energie- of CO2netwerk (artikel 25q, eerste lid, onderdeel k):
per aangesloten energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming