Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 maart 2012, nr. IENM/BSK-2012/28591, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de indienststelling van spoorvoertuigen op hoofdspoorweginfrastructuur (Regeling indienststelling spoorvoertuigen)

Regeling indienststelling spoorvoertuigen

De Minister van Infrastructuur en Milieu,
Gelet op richtlijn nr. 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PbEU L 191), richtlijn nr. 2008/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (PbEU L 345) tot wijziging van richtlijn nr. 2004/49/EG inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen, artikel 36, derde lid, onderdelen b, c en e, en tiende lid, artikel 37, vierde lid, artikel 37a, vierde en vijfde lid, artikel 38, vierde lid, artikel 46, tweede en vijfde lid, en artikel 91, eerste lid, van de Spoorwegwet en artikel 39b, eerste en tweede lid, van het Besluit spoorverkeer;

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beschikking 2007/756/EG: beschikking nr. 2007/756/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PbEU L 305);

  • besluit 2010/713/EU: besluit nr. 2010/713/EU van de Commissie van 9 november 2010 inzake de modules voor de procedure voor de beoordeling van de conformiteit, de geschiktheid voor gebruik en de EG-keuring die moet worden toegepast in het kader van de overeenkomstig richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde technische specificaties inzake interoperabiliteit (PbEU L 319);

  • bijzonder spoorvoertuig: spoorvoertuig voorzien van een eigen voortbewegingsinrichting niet zijnde een locomotief of een treinstel;

  • DIN: Deutsche Industrienorm;

  • EN: Europese norm;

  • ERRI: rapport van het European Rail Research Institute;

  • ISO: door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie uitgegeven norm;

  • lichte treinstellen: treinstellen ontworpen om te voldoen aan de categorie C-III als bedoeld in EN 15227:2008;

  • locomotief: tractievoertuig dat of combinatie van meer spoorvoertuigen die niet bedoeld is om reizigers of goederen te vervoeren en onder normale omstandigheden afgekoppeld en als zelfstandig spoorvoertuig gebruikt kan worden;

  • NEN-EN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven Europese norm;

  • NPR: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven Nederlandse praktijkrichtlijn;

  • rangeervoertuig: tractie-eenheid die alleen bestemd is voor gebruik op rangeerterreinen, stations en opstelterreinen;

  • richtlijn 2004/26: richtlijn nr. 2004/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 april 2004 tot wijziging van Richtlijn 97/68/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige-verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PbEG L 146);

  • rijtuig: spoorvoertuig zonder eigen aandrijving dat in een vaste of variabele treinsamenstelling wordt gebruikt voor het vervoer van reizigers;

  • stuurstandrijtuig: spoorvoertuig zonder eigen aandrijving dat voorzien is van een bestuurderscabine;

  • trein: een samenstel van één of meer spoorvoertuigen dat deelneemt aan het spoorverkeer;

  • treinstel: vaste samenstelling van spoorvoertuigen die als trein kan rijden;

  • TSI CR CCS: beschikking nr. 2006/679/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 2006 betreffende de technische specificaties van het subsysteem besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PbEU L 284);

  • TSI CR Loc&Pas: besluit nr. 2011/291/EU van de Commissie van 26 april 2011 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem rollend materieel – ‘Locomotieven en reizigerstreinen’ van het conventionele trans-Europees spoorwegsysteem (PbEU L 139);

  • TSI CR WAG: beschikking nr. 2006/861/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 juli 2006 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem rollend materieel – goederenwagens van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PbEU L 344);

  • TSI HS CCS: beschikking nr. 2006/860/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 november 2006 betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit van het subsysteem Besturing en seingeving van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem en tot wijziging van bijlage A bij Beschikking 2006/679/EG betreffende de technische specificaties inzake interoperabiliteit ban het subsysteem ‘Besturing en seingeving’ van het conventionele trans-Europees spoorwegsysteem (PbEU L 342);

  • TSI HS RST: beschikking nr. 2008/232/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 februari 2008 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem rollend materieel van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem (PbEU L 232);

  • TSI PRM: beschikking nr. 2008/164/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 21 december 2007 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit ‘personen met beperkte mobiliteit’ voor het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem en het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (PbEU L 64);

  • TSI SRT: beschikking nr. 2008/163/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit met betrekking tot veiligheid in spoorwegtunnels voor het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem en het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (PbEU L 64);

  • UIC: voorschrift (Fiche) van de Internationale Spoorweg Unie;

  • vaste samenstelling: samenstelling van rollend materieel die alleen in een werkplaats op andere wijze kan worden samengesteld;

  • verordening 201/2011/EU: verordening nr. 201/2011/EU van de Commissie van 1 maart 2011 betreffende het model voor de verklaring van overeenstemming met een goedgekeurd type spoorvoertuig (PbEU L 57).

  • verordening 445/2011: verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie van 10 mei 2011 betreffende een systeem voor de certificering van met het onderhoud van goederenwagens belaste entiteiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 653/2007 (PbEU L 122)

  • wagen: spoorvoertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting bestemd voor het vervoer van goederen;

  • wet: Spoorwegwet.

Artikel

2

§

2

Nationale voorschriften ter uitvoering van essentiële eisen

Artikel

3

Artikel

4

Het subsysteem rollend materieel van een spoorvoertuig waarvoor TSI CR WAG, TSI CR Loc&Pas, TSI CR CCS, TSI HS CCS of TSI HS RST niet geldt, voldoet aan de in bijlage 3 opgenomen eisen.

Artikel

5

Onderhoudsvoertuigen in de vervoersmodus voldoen aan: de eisen in TSI CR Loc&Pas of aan NEN EN 14033-1 en NEN-EN 14033-3.

§

3

Nationale voorschriften ter uitwerking van open punten in TSI’s

Artikel

6

De voorschriften ter uitwerking van in een technische specificatie inzake interoperabiliteit opgenomen open punten gelden voor het subsysteem of de subsystemen waarvoor die technische specificatie inzake interoperabiliteit geldt.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

§

4

Nationale voorschriften ten behoeve van de verenigbaarheid met niet-TSI-conforme infrastructuur

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

De stroomafname van treinen wordt conform onderstaande afbeelding automatisch beperkt in overeenstemming met artikel 7.2 van NEN-EN 50388, waarbij:

  • a.

    Umin1 = 1000V;

  • b.

    U2 = 1350V;

  • c.

    Imax (trein) = 4000A; en

  • d.

    de onderspanningsinrichting is afgesteld op 950V.

Artikel

20

De op spoorvoertuigen geïnstalleerde stroomafnemers voldoen aan de volgende eisen:

  • a.

    de opdruk van de rijdraad bedraagt ten hoogste 100 mm bij een voertuigsnelheid tot en met 140 km/u;

  • b.

    de opdruk van de rijdraad bedraagt ten hoogste 120 mm bij een voertuigsnelheid vanaf 140 km/u tot en met 160 km/u;

  • c.

    de dynamische opdrukkracht bedraagt ten minste 40 N en ten hoogste 300 N;

  • d.

    de stroomafname van iedere stroomafnemer bij een stilstaande trein is zodanig, dat de temperatuur van de rijdraad ten hoogste 150 °C bedraagt;

  • e.

    de maximale afstand van de kop van het spoorvoertuig tot de laatste stroomafnemer van het treinstel bedraagt maximaal 400 m;

  • f.

    een locomotief kan voorzien zijn van doorgekoppelde opstaande stroomafnemers.

Artikel

21

Artikel

22

De stroomafnemer voldoet aan de volgende eisen:

  • a.

    de opdruk van de rijdraad bedraagt ten hoogste 100 mm bij een voertuigsnelheid tot en met 140 km/u. De opdruk van de rijdraad bedraagt ten hoogste 120 mm bij een snelheid vanaf 140 km/u tot en met 160 km/u;

  • b.

    de dynamische opdrukkracht bedraagt ten minste 40 N, ten hoogste 200 N bij een snelheid van 160 km/u en ten hoogste 350 N bij een overgang naar starre ophanging;

  • c.

    de stroomafname van een stilstaand spoorvoertuig is zodanig, dat de temperatuur van de rijdraad ten hoogste 150° C bedraagt; en

  • d.

    de stroomafnemer is bij het opkomen binnen 10 seconden tot maximale hoogte opgeveerd.

Artikel

23

Spoorvoertuigen die gebruik maken van grensbaanvakken met België voldoen aan de onderzijde aan uitsparing voor Crocodile in overeenstemming met onderdeel 3.5 van EN 15273-2:2010, annex A. Het betreft hier het traject tussen het emplacement Roosendaal en de Belgische grens en het traject tussen emplacement Maastricht Randwijck en de Belgische grens.

Artikel

24

§

5

Voertuigregister

Artikel

25

De aanvrager voor een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet, voegt bij de aanvraag de gegevens, bedoeld in aanhangsel 4 van de bijlage behorende bij beschikking 2007/756/EG.

§

6

Vergunning voor type

Artikel

26

§

7

Aanvraag van vergunning voor indienststelling en aanvullende vergunning voor indienststelling

Artikel

27

Artikel

28

§

8

Onderhoud van spoorvoertuigen

§

9

Slotbepalingen

Artikel

32

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indienststelling spoorvoertuigen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,M.H.Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Bijlage

1

behorende bij artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c

Hoofdstuk

1

Verwerking van het ATBEG-baansignaal

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding is in staat het ATBEG-baansignaal te verwerken zoals gespecificeerd in tabel 1.

Tabel 1. Specificatie van het ATBEG-baansignaal

1.

De ATB-code wordt gevormd door een amplitude gemoduleerde 75Hz stroom die voor de eerste as van de trein door de spoorstaven loopt. De stroomrichting in de linker spoorstaaf is tegengesteld aan de stroomrichting in de rechter spoorstaaf (figuur 1).

2.

De draaggolffrequentie is 75Hz +/– 3Hz.

3.

Deze draaggolf wordt gemoduleerd. Daarbij wordt het niveau van de draaggolf geschakeld tussen een hoog niveau en een laag niveau.

De frequentie waarmee dat gebeurt (de modulatiefrequentie) staat voor de ‘code’. Deze code representeert het seinbeeld van de seinen (en/of borden) langs de baan.

4.

De modulatiefrequenties zijn:

75 pulsen/minuut (code75)

96 pulsen/minuut (code96)

120 pulsen/minuut (code120)

147 pulsen/minuut (code147)

180 pulsen/minuut (code180)

220 pulsen/minuut (code220)

270 pulsen/minuut (code270)

allen +/– 3 pulsen/minuut

5.

Het niveau van de draaggolf bedraagt tussen 6,5A en 25A. Ook wanneer de draaggolf is uitgeschakeld, kan tot maximaal 3A stroom met de draaggolf frequentie door de spoorstaven lopen.

6.

Het niveauverschil tussen de ATB-stroom door de linker- en rechterspoorstaaf kan verschillen. Dit verschil bedraagt maximaal ca. 3,5A.

7.

Voor het bepalen van de storingsgevoeligheid van de decodering kan voor de duty cycle het volgende worden aangenomen:

duty cycle tussen 40/60 en 60/40: 99%

duty cycle tussen 30/70 en 70/30: 99,9%

duty cycle tussen 20/80 en 80/20: 99,99%

duty cycle buiten 20/80 en 80/20 verwerpen

8.

De ATB-infrastructuur is verdeeld in secties:

Deze zijn minimaal zo lang dat een trein bij de ter plaatse geldende maximumsnelheid altijd ten minste 4 perioden van de ATB-code ontvangt. In geval van inschakelsecties is dat ten minste 10s, in geval van code96 en 8s in geval van andere codes. In geval van een uitschakelsectie is de code (code75) minimaal 12s aanwezig. Deze minimumtijden worden gevormd door een minimumafstand waarover de code aanwezig is en een maximumsnelheid waarmee het materieel passeert.

Na het passeren van een ‘sectiescheiding’ kan gedurende 1,4s geen code aanwezig zijn (inschakelen van de code)

De fase van de draaggolf kan op de sectiescheidingen 180 graden draaien.

De fase van het gemoduleerde signaal kan op de sectiescheidingen tussen –180 en +180 draaien.

Bij codeveranderingen is de start fase van de nieuwe code onafhankelijk van de eindfase van de oude code.

Bij het passeren van een sectiescheiding is iedere willekeurige overgang tussen ‘codes’ (modulatiefrequenties) mogelijk.

De veranderingen van de baancode bij sectiescheidingen kunnen gelijktijdig met andere verstoringen optreden. Daarnaast kan de baancode op ieder moment veranderen.

Incidenteel is de afstand tussen sectiescheidingen korter dan nodig om 4 gehele perioden ATB-code te ontvangen. In die gevallen zijn meestal maatregelen genomen om een inschakelvertraging te voorkomen (‘voorcodering’). Fasedraaiingen in draaggolf en code zijn in die gevallen echter wel mogelijk.

9.

Via materieel en onderstations kunnen ATB-codestromen uit andere secties door de spoorstaven lopen.

De grootte van deze stromen is maximaal 3,5A en kan ATB-code bevatten.

10.

Door de spoorstaven lopen behalve ATB-codestromen ook tractieretourstromen. Deze stromen zijn verdeeld tussen de beide spoorstaven of lopen (in geval van enkelbenige isolatie) in één spoorstaaf.

De tractie retourstroom door de spoorstaven kan de volgende componenten bevatten:

• een DC component tot 4000A;

• een 50Hz component tot 250A (parallel loop 25kV);

• weerstand tractie-installaties: deze produceren harmonischen van de motorfrequentie met een grootte van max. 3A;

• chopper tractie-installaties: deze produceren harmonischen van de motorfrequentie met een grootte van max. 1A. Daarnaast produceren deze installaties een stroom met de schakelfrequentie van de chopper. Voorkomende frequenties zijn: 66⅔ Hz, 100Hz, 300Hz, ca. 315Hz, 400Hz en 450Hz. De stromen bij deze frequenties bedragen maximaal 5A;

• invertorinstallaties: deze produceren een breed spectrum aan harmonischen van de motor/invertor frequentie en mengfrequenties van deze harmonische met de schakelfrequenties van de halfgeleiders. In het frequentiegebied tussen 68 en 82Hz is deze stroom maximaal 2A per trein.

Naast deze door het spoorvoertuig veroorzaakte componenten zijn in eventuele tractie retourstromen altijd harmonischen van de gelijkrichters aanwezig:

• 50 en 100 Hz bij asymmetrie van de gelijkrichter.

• 300Hz bij 6 pulsige en semi 12 pulsige gelijkrichting

• 600Hz bij 12 pulsige en semi 24 pulsige gelijkrichting

De ATB dient immuun te zijn voor door het spoorvoertuig zelf gegenereerde stroorstromen, de minimale waarden voor deze immuniteit is aangegeven in hoofdstuk 6.2 van bijlage 6.

Daarnaast kunnen in het spoor de volgende frequentie worden aangetroffen:

1145Hz.+/– 0,2Hz met een minimale veldsterkte van 4,75 Am/m +/–10% en 1445Hz, 1744,5Hz, 2353Hz en 2670,5Hz +/– 0,2% met een minimale veldsterkte van 15,75 Am/m +/–10%.

11.

De kleinst voorkomende boogstralen zijn:

• in bogen: 350m;

• in wissels: 460m.

Hoofdstuk

2

Atbeg-functies

2.1

Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • adequaat handelen: het verlagen van de snelheid door de machinist bij een remopdracht.

2.1.1

Functionele toestanden in ATBEG-gebied

Het spoorvoertuig kent bij het rijden op de `eerste generatie baanvakken’ ten aanzien van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen de volgende functionele toestanden:

  • 1.

    ‘stand-by’: in de trein wordt geen cabine bediend. De snelheidsbewaking indien geen enkele cabine bediendis, is geen ATB-functie;

  • 2.

    ‘uitgeschakeld’: de trein is bediend, maar er is geen snelheidsbewaking mogelijk omdat het initiëren van een remming door de ATB onmogelijk is of is gemaakt. Bij ATB-EG (fase3), ATB-EG (fase4), ATBNG en ATBL-NL gebeurt dit door het sluiten van de remafsluitkraan;

  • 3.

    ‘BD’: ATBEG bewaakt de snelheid niet (buiten dienst);

  • 4.

    ‘I’: ATBEG initieert een remming (interventie);

  • 5.

    ‘Const’: bewaking van een constante snelheid (door in de baan aanwezige ATB code aangegeven);

  • 6.

    ‘REM’: bewaking van de door in de baan aanwezige ATB-code aangegeven snelheid na een codewisseling.

diagram

De cijfers in het diagram verwijzen naar de transitienummers in paragraaf 2.2 van deze bijlage. De prioriteit van de transities wordt bepaald door de nummering (een lager nummer betekent een hogere prioriteit).

Bij transitie geldt verder het volgende:

  • 1.

    alle tijden die worden gemeten voor het activeren van een functie worden op nul gezet (resetten van alle timers). Dat betekent ook dat functies die op het moment van de transitie nog niet door het aflopen van een gespecificeerde tijd zijn gestart, niet meer op grond van de oude voorwaarden worden gestart (timers worden onderbroken door een toestandsovergang);

  • 2.

    het weergeven van een incidenteel akoestisch signaal met een gespecificeerde lengte (‘gong’, ‘losbel’ en ‘BD-signaal’) wordt niet door transities of welke verandering dan ook onderbroken. Continue auditieve signalen (‘rembel’) worden afgebroken zodra de voorwaarden vervallen.

2.2

Functies

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding vervult ATB-functies die verschillen per functionele toestand. Een tabel met functies per functionele toestand is opgenomen in paragraaf 2.2.9.

2.2.1

Meerdere toestanden

1.1

In de bediendecabine moet de treinsnelheid worden getoond.De weergegeven actuele treinsnelheid mag niet meer dan 3km/h afwijken van de bewaakte snelheid.

1.2

Als de ATB-functie wordt uitgeschakeld m.b.v. het bedieningsmiddel ‘ATB uit’ als bedoeld in paragraaf 2.8 dan wordt overgegaan naar de toestand ‘uitgeschakeld’. Dit mag alleen mogelijk zijn bij stilstand. Het buiten bedrijf zetten van de ATB met het bedieningsmiddel ‘ATB uit’ moet ook na inschakelen nog herkenbaar zijn voor onderhoudspersoneel. Dit kan onder meer worden gerealiseerd door af te dwingen dat een zegel wordt verbroken of digitale registratie.

Voor de machinist moet herkenbaar zijn dat geen ATB beschikbaar is. Dit kan onder meer worden gerealiseerd door het tonen van een (rode) lamp of een melding op een display, zoals het diagnosedisplay of het ETCS-display.

1.3

Als in de trein geen cabine is bediend, dan moet worden overgegaan naar de toestand ‘stand-by’.Deze eis is geldig in de toestanden CONST, REM en BD. Het voorkomen van rijden en rollen, indien de trein niet of niet op juiste wijze wordt bediend, is geen ATBEG- functie. Rijdend wegnemen van de cabine selectie moet leiden tot een veilige toestand. Dit is echter geen ATB-functie.

2.2.2

Stand-by

2.1

Er worden geen ATB-cabineseinen in getoond.

2.2

Er wordt geen snelremming geïnitieerd en tractie is vrijgegeven.

2.3

Als een cabine wordt bediend, dan wordt overgegaan naar de toestand ‘CONST’.

2.2.3

Uitgeschakeld

3.1

Er worden geen ATB-cabineseinen in getoond.

3.2

Er wordt geen snelremming geïnitieerd en tractie is vrijgegeven.

3.3

Als de ATB-functie bij stilstand wordt ingeschakeld en er is een cabine bediend, dan wordt overgegaan naar de toestand ‘CONST’.

3.4

Als de ATB-functie bij stilstand wordt ingeschakeld en er is geen cabine bediend, dan wordt overgegaan naar de toestand ‘stand-by’.

3.5

Als de ATB-functie wordt ingeschakeld terwijl de trein niet stilstaat, dan wordt overgegaan naar de toestand ‘I’.

2.2.4

Buiten dienst

4.1

Er worden geen ATB cabineseinen in getoond.

4.2

In de bediende cabine wordt aan de machinist getoond dat de snelheidsbewaking niet actief is (optische signaleringen, ‘blauwe lamp’), dit tot het moment dat de attentieknop wordt bediend.

4.3

Er wordt geen snelremming geïnitieerd en tractie is vrijgegeven.

4.4

Indien de attentieknop of -knoppen in de bediende cabine wordt ingedrukt terwijl de trein rijdt, dan wordt zodra een baancode anders dan code75 is gesignaleerd de snelheidsbewaking ingeschakeld. Overgang naar de toestand ‘CONST’.

4.5

In de toestand ‘BD’ moet een tijd Tinschakel nadat de attentieknop of -knoppen in de bediende cabine wordt ingedrukt terwijl de trein rijdt, worden ingegrepen, tenzij de toestand binnen een tijd Tinschakel na het bedienen van de knop is veranderd in ‘CONST’ . Overgang naar toestand ‘I’.

4.6

In de toestand ‘BD’ moet indien voor de eerste as van de trein een tijd Ton onafgebroken code, anders dan code75, aanwezig is, een snelremming worden ingezet, tenzij de toestand binnen een tijd Tinschakel na het bedienen van de knop is veranderd in ‘CONST’. Overgang naar toestand ‘I’.

4.7

Indien bij stilstand

a. de attentieknop of -knoppen in de bediende cabine een tijd ‘Tbd’ (constanten) wordt ingedrukt; of

b. indien code wordt ontvangen wordt de snelheidsbewaking ingeschakeld.

Overgang naar de toestand ‘CONST’.

Toelichting:

De functies 4.4 t/m 4.6 zorgen samen voor het gecontroleerd inschakelen van ATBEG indien rijdend code wordt gevonden en het bewaken op de aanwezigheid van code en antennes. De functies hangen in die zin samen, maar kunnen onafhankelijk van elkaar worden gerealiseerd.

2.2.5

Interventie (‘I’)

5.1

Er wordt een snelremming geïnitieerd.

5.2

De tractie wordt afgeschakeld.

5.3

In de bediende cabine wordt met een rode lamp aan de machinist getoond dat het ATB-systeem heeft ingegrepen.

5.4

Indien in de bediendecabine bij stilstand van de trein de ontgrendelknop of -knoppen wordt bediend of worden bediend, wordt de snelremming ongedaan gemaakt, de rode lamp gedoofd en de tractie vrijgegeven.

2.2.6

Functies en toestandsovergangen in de toestanden Const en REM

6.1

Indien ten opzichte van de bediendecabine vooruit wordt gereden, wordt in die cabine het in paragraaf 2.7 bedoelde cabinesein behorend bij de voor de eerste as aanwezige baancode weergegeven. Indien achteruit wordt gereden, wordt 40 km/h als maximumsnelheid getoond en bewaakt.

6.2

Indien de machinist adequaat handelt, is dat voor de machinist herkenbaar middels een witte lamp.

6.3

Bij wijziging van het cabinesein wordt in de bediendecabine een akoestisch signaal (‘gong’, auditieve signaleringen) gegeven op zodanige wijze dat de machinist de wijziging van het cabinesein en het klinken van de ‘gong’ als gelijktijdig ervaart. Dit betekent dat de ‘gong’ maximaal een tijd ‘Tgong’ voorafgaand aan of later dan de wijziging van het ‘cabinesein’ mag worden gegeven.

6.4

Indien gedurende een aaneengesloten periode Tblauw, de baancode code75 wordt ontvangen, dan wordt de ATB-snelheidsbewaking beëindigd, en wordt een akoestisch uitschakelsignaal gegeven. (Overgang naar de functionele toestand ‘BD’)

6.5

Indien de ‘BD-knop’ in de bediende cabine bij stilstand en met de rem bediend, een tijd ‘Tbd’ wordt ingedrukt, terwijl geen baancode of code75 aanwezig is, dan wordt de ATB snelheidsbewaking beëindigd. (Overgang naar de functionele toestand ‘BD’)

2.2.7

Functies en toestandsovergangen tijdens constante snelheidsbewaking (CONST)

7.1

Indien de treinsnelheid hoger is dan de snelheid die correspondeert met de baancode (‘VcodeX’, paragraaf 2.4) plus ‘V_marge’, en de machinist handelt niet adequaat, dan klinkt de ‘rembel’ in de bediende cabine (auditieve signaleringen).

7.2

Als de treinsnelheid daalt tot de snelheid die correspondeert met de baancode (‘VcodeX’, paragraaf 2.4) plus ‘V_marge’, terwijl de machinist adequaat handelt in de bediendecabine een ‘losindicatie’ gegeven (auditieve signaleringen).

7.3

Indien de treinsnelheid gedurende ‘Twarning’ hoger is dan de snelheid die correspondeert met de baancode als bedoeld in paragraaf 2.4 plus ‘V_marge’, terwijl de machinist niet of niet adequaat handelt, dan wordt een snelremming ingezet.

7.4

Indien de treinsnelheid bij wijziging van het cabinesein in de cabine hoger is dan de snelheid die correspondeert met de nieuwe code plus ‘V_marge’, dan wordt overgegaan naar de subtoestand ‘REM’.

2.2.8

Snelheidsbewaking na een codewisseling (REM)

8.1

Indien

a. na de overgang naar de toestand ‘REM’ een tijd langer dan ‘Trembel’ (constanten) is verstreken;

b. de machinist niet adequaat handelt als bedoeld in paragraaf 2.1; en

c. de treinsnelheid hoger is dan de snelheid die correspondeert met de baancode (‘VcodeX’, paragraaf 2.4) plus ‘Vlos’ (constanten), klinkt de ‘rembel’ (auditieve signaleringen) in de bediendecabine.

8.2

Na het klinken van de rembel heeft de machinist nog een tijd ‘Treactie’ beschikbaar om adequaat te reageren en daarmee een ingreep te voorkomen.

8.3

Als de treinsnelheid daalt tot de snelheid die correspondeert met de baancode plus Vlos, terwijl de machinist adequaat handelt, wordt in de bediende cabine een ‘losindicatie’ gegeven.

8.4

Indien de machinist niet adequaat handelt, wordt uiterlijk ‘Tintervention_yellow’ (timing requirements) na het wegvallen van de baancode, of ‘Tintervention’ (timing requirements) na het veranderen van de baancode naar een baancode, die correspondeert met een snelheid lager dan de huidige snelheid plus V_marge, een snelremming ingezet. (overgang naar de functionele toestand ‘I’)

8.5

Indien de treinsnelheid lager is dan de snelheid die correspondeert met de baancode (‘VcodeX’, paragraaf 2.4) plus ‘V_marge’, wordt overgegaan naar de toestand ‘CONST’.

8.6

Indien de treinsnelheid na de overgang naar de toestand ‘REM’ gedurende een tijd ‘Tlos’ (constanten) lager is dan de snelheid die correspondeert met de baancode (‘VcodeX’, paragraaf 2.4) plus ‘Vlos’ (constanten), wordt overgegaan naar de toestand ‘CONST’.

2.2.9

Functies per functionele toestand

In onderstaande tabel worden de functies per functionele toestand gegeven. Een ‘J’ betekent dat de functie in die toestand gerealiseerd moet zijn; een ‘N’ betekent dat de functie niet gerealiseerd mag zijn; en een ‘O’ betekent dat de eis optioneel is, dus dat de functie gerealiseerd mag zijn.

2.1/3.1/4.1

J

J

N

N

N

J

3.3

J

N

N

N

N

N

3.4

J

N

N

N

N

N

1.1

J

O

J

J

J

J

2.2/3.2/4.3

J

J

N

N

N

J

2.3

N

J

N

N

N

J

1.2

N

J

J

J

J

J

1.3

N

N

J

J

N

J

6.1

N

N

J

J

O

N

6.2

N

N

J

J

N

N

6.3

N

N

J

J

O

N

8.1

N

N

J

N

N

N

8.2

N

N

J

N

N

N

8.4

N

N

J

N

N

N

8.3

N

N

J

N

N

N

8.5

N

N

J

N

N

N

8.6

N

N

J

N

N

N

7.1

N

N

N

J

N

N

7.2

N

N

N

J

N

N

7.3

N

N

N

J

N

N

7.4

N

N

N

J

N

N

6.4

N

N

J

J

N

N

6.5

N

N

N

J

N

N

5.1

N

N

N

N

J

N

5.2

N

N

N

N

J

N

5.3

N

N

N

N

J

N

5.4

N

N

N

N

J

N

4.2

N

N

N

N

N

J

4.4

N

N

N

N

N

J

4.5

N

N

N

N

N

J

4.6

N

N

N

N

N

J

4.7

N

N

N

N

N

J

2.3

Timing requirements

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding voldoet aan de onderstaande timing requirements.

Tintervention_yellow

Maximum tijd tussen wegvallen van de baancode en het inzetten van een snelremming indien de machinist niet adequaat handelt.

• Ssnelrem- SATBis verkorting van de remweg door een eventueel snellere opbouw van remkracht in geval van een ATB-interventie, ten opzichte van de UIC remkrachtopbouwtijd na ontluchting van de treinleiding.

• v is de maximum-ATB-snelheid (in m/s) die de trein mag rijden bij de voorgaande baancode.

De nominale waarde is de gemiddelde waarde, waarbij in 80% van Timing de gevallen de afwijking ten opzichte van deze gemiddelde waarde niet meer bedraagt dan 0,1s en in 95% van de gevallen niet meer dan 0,15s.

Nominaal:

4,6s +

(Ssnelrem-SATB)/v

worst case:

4,8s +

(Ssnelrem-SATB)/v

Tintervention

Maximumtijd tussen het wijzigen van de baancode (anders dan geen code) en het inzetten van een snelremming indien de machinist niet adequaat handelt (definities) en de treinsnelheid te hoog is.

• Ssnelrem- SATBis verkorting van de remweg door een eventueel snellere opbouw van remkracht in geval van een ATB-interventie, ten opzichte van de UIC remkrachtopbouwtijd na ontluchting van de treinleiding.

• v is de maximum-ATB-snelheid (in m/s) die de trein mag rijden bij de voorgaande baancode.

8,3s +

(Ssnelrem-SATB)/v

Tblauw

Tijd dat code75 in het spoor aanwezig moet zijn voordat naar BD wordt overgegaan.

6s (+/–1s)

Tinschakel

Tijd tussen het bedienen van de attentieknop en de overgang van ‘BD’ naar ‘I’ indien geen code (anders dan ‘geen code’ en ‘code75’) voor de eerste as van de trein aanwezig is.

5s (+/–1s)

Ton

Tijd beschikbaar voor de machinist voor het bedienen van de ‘attentieknop’, nadat in de toestand ‘BD’ code (anders dan ‘geen code’ en ‘code75’) voor de eerste as van de trein aanwezig is gekomen.

Opmerking: samen met Tinschakel definieert Ton het venster waarbinnen de machinist de attentieknop moet bedienen in een inschakelsectie:

‘De machinist dient de attentieknop te bedienen in het tijdvenster van Tinschakel voor het binnenrijden van de inschakelsectie tot Ton na het binnenrijden van de inschakelsectie.

5s (+/–1s)

Tgong

Maximum tijdverschil tussen de wisseling van het cabinesein en het klinken van de ‘gong’. toelichting: de gong mag zowel maximaal Tgong voor als Tgong na de cabinesein wisseling klinken.

0,3s

Trembe

Tijd tussen de ‘gong’ en de ‘rembel’. toelichting: De gong dient een tijd Trembel voor de rembel te klinken.

0,3s–0,7s

Treactie

Minimale tijd die voor de reactie van de machinist beschikbaar moet zijn.

1,7s

Twarning

Maximum tijd dat de maximumsnelheid (VcodeX + V_marge ) tijdens constante snelheidsbewaking bij niet adequaat handelen door de machinist mag worden overschreden voordat een snelremming moet worden ingezet.

5s

2.4

Configureren van de bewaakte snelheden

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding configureert de bewaakte snelheden op onderstaande wijze.

Vcode96

Snelheid corresponderend met code96

140 km/h (140km/h of 160km/h)

Vcode120

Snelheid corresponderend met code120

130 km/h

Vcode147

Snelheid corresponderend met code147

80 km/h (10, 80, 100 en 160km/h)

Vcode180

Snelheid corresponderend met code180

80 km/h

Vcode220

Snelheid corresponderend met code220

60 km/h

Vgeen code

Snelheid corresponderend met geen code

40 km/h

Het systeem moet ingesteld zijn op de aangegeven default-waarde en moet instelbaar zijn op alle waarden in de range. De minister kan een andere default-waarde uit de range voorschrijven en bepalen dat binnen de door hem vast te stellen termijn de default-waarde van in gebruik zijnde systemen moet worden ingesteld op die andere waarde.

2.5

Constanten

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding voldoet aan onderstaande eisen.

V_marge

Toegestane snelheidsmarge boven de door de baancode aangegeven snelheid.

3 km/h voor locomotieven

5 km/h voor treinstellen

Tlos

Tijd dat de hogere snelheidsmarge Vlos wordt

20s

Vlos

Snelheidsmarge boven de door de baancode aangegeven snelheid waarbij tijdens remmen een losindicatie wordt gegeven.

5 km/h voor reizigersmaterieel

12 km/h voor locomotieven

Tbd

Tijd dat de attentieknop moet worden ingedrukt om van de toestand ‘BD’ naar de toestand ‘CONST’ over te gaan,

en

tijd dat de BD knop moet worden ingedrukt om van de toestand ‘CONST’ naar ‘BD’ te gaan.

2s

2.6

Auditieve signaleringen naar de machinist

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding is in staat om de onderstaande auditieve signaleringen naar de machinist voort te brengen.

‘gong’

Signalering die aangeeft dat het in de cabine weergegeven cabinesein verandert.

Specificatie: Éénmaal weergave van het geluid ‘gong’ (‘gong.wav’).

‘rembel’

Signalering die aangeeft dat de machinist dient te remmen.

Specificatie: Continue weergave van het geluid ‘bel’ (‘bel.wav’).

‘losindicatie’

Signalering die aangeeft dat de machinist de remmen mag lossen.

Specificatie: Drie maal weergave van het geluid ‘bel’ (‘bel.wav’):

300ms ‘bel’, 300ms stil, 300ms ‘bel’, 300ms stil, 300ms ‘bel’.

‘BD-signaal’/uitschakelsignaal

Signalering die aangeeft dat verder in ATB loos gebied wordt gereden.

Specificatie: Tenminste vijf maal weergave van het geluid ‘gong’ (‘gong.wav’):

Tijd tussen de start van de opéénvolgende weergaven van het geluid ‘gong’ (tijd tussen de ‘gongslagen’): 800ms.

(*) Alle in de bovenstaande tabel genoemde tijden zijn gespecificeerd +/– 10%.

(**) De genoemde geluidsbestanden ‘gong.wav’, ‘bel.wav’ en ‘zoemer.wav’ worden door de Minister van Infrastructuur en Milieu verstrekt.

2.7

Optische signaleringen naar de machinist

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding is in staat om onderstaande optische signaleringen naar de machinist voort te brengen.

‘snelheid’

De actuele snelheid van de trein.

‘cabinesein’

Seinbeeld dat aan de machinist wordt getoond.

‘witte lamp’

Witte indicator die aangeeft dat de rem voldoende wordt bediend om een ATB ingreep te voorkomen.

‘rode lamp’

Rode indicator die aangeeft dat de ATB heeft ingegrepen.

‘blauwe lamp’

Blauwe indicator die aangeeft dat de ATB functie niet actief is, maar dat het systeem gereed is om in te schakelen zodra code in de baan beschikbaar komt.

Daarbij gelden de volgende eisen:

4.7.1

Bij iedere code die correspondeert met een snelheid groter of gelijk aan de maximum materieelsnelheid wordt als cabinesein ‘groen’ getoond. Bij de code die correspondeert met de hoogste gecodeerde snelheid, wordt altijd ‘groen’ getoond.

Indien de trein beschikt over ERMTS/ETCS- apparatuur, dan wordt als maximum materieelsnelheid de door de machinist ingevoerde snelheid ook voor ATBEG gebruikt. In andere gevallen wordt een vaste waarde gebruikt.

4.7.2

Bij iedere code die correspondeert met een snelheid kleiner dan de maximum materieelsnelheid, en kleiner dan de hoogste gecodeerde snelheid (140km/h of 160km/h) wordt als cabinesein ‘geel’ getoond.

4.7.3

Per bewaakt snelheidsniveau (het minimum van de materieelsnelheid en de snelheid die correspondeert met de ATB code), moet een apart cabinesein op fysiek verschillende plaatsen worden voorzien. Ter verduidelijking: alle codes die corresponderen met een snelheid groter of gelijk aan de maximum. materieelsnelheid, en dus allen leiden tot bewaking van dezelfde snelheid, leiden tot hetzelfde cabinesein (‘groen’) op dezelfde plaats. Bij de code die correspondeert met de hoogste gecodeerde snelheid, wordt altijd ‘groen’ getoond.

4.7.4

De maximum snelheid behorend bij het cabinesein moet erop worden aangegeven, mits de aangegeven snelheid niet hoger is dan de maximum materieelsnelheid.

4.7.5

De cabine seinen dienen in oplopende snelheid (van links naar rechts of met de snelheidsmeter mee) te worden geplaatst

4.7.6

De maat van de cabineseinen dient tenminste 15mm x 12 mm (hxb) te bedragen

4.7.7

De op de cabineseinen gebruikte tekst om de snelheid mee aan te duiden moet goed zichtbaar zijn.

4.7.8

Optische signaleringen moeten voldoen aan de eisen geformuleerd in CENELEC: CLC/prTR 50549-7), tenzij dit een conflict oplevert met het bovenstaande. In dat geval geldt het bovenstaande.

2.8

Knoppen

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding beschikt ten minste over de onderstaande knoppen.

BD knop

Knop op de stuurtafel om te schakelen van de toestand ‘CONST’ naar de toestand ‘BD’ (te gebruiken bij stilstand).

Ontgrendelknop

Knop op de stuurtafel om een ATB ingreep ongedaan te maken nadat de trein tot stilstand is gekomen.

Deze knop mag met de snelrem bediening worden gecombineerd. Kiezen van de snelremstand geeft dan ook bediening van de ontgrendelknop.

Attentieknop

Knop op de stuurtafel om aan te geven dat ATB gebied wordt binnengereden.

Met dezelfde knop kan bij stilstand direct vanuit de toestand ‘BD’ naar de toestand ‘CONST’ worden geschakeld.

ATB uit

Een bedieningsmiddel om de ATB functie uit te schakelen.

De knoppen moeten voldoen aan de eisen geformuleerd in CENELEC: CLC/prTR 50549-7.

2.9

Veiligheids- en beschikbaarheidseisen

Het geïnstalleerde systeem van automatische treinbeïnvloeding aan de onderstaande veiligheidseisen en beschikbaarheids.

De kans op een veiligheidsstoring die korter dan drie seconden duurt is kleiner dan 2 x 10-6/uur.

De kans op een veiligheidsstoring die langer dan drie seconden duurt is kleiner dan 2 x 10-8/uur.

De kans op storingen die uitsluitend leiden tot onveilige foutieve informatie aan de bestuurder is indien de Driver Machine Interface (DMI) niet aan SIL 1 voldoet, kleiner dan 3 x 10-5/uur

De kans op een beschikbaarheidsstoring is kleiner dan 2,2 x 10-4/uur.

Hoofdstuk

3

Installatievoorschriften

Het ATB systeem dient te worden geïnstalleerd conform de voorschriften van de leverancier van het systeem. Voor de initiële ATB versies: ATB Fase 4, ATBNG Classic en ATBL-NL zijn de installatievoorschriften opvraagbaar bij de Railfinfra-beheerder.

Bijlage

2

behorende bij artikel 3, eerste lid, onderdelen c en d

Het in een spoorvoertuig geïnstalleerd systeem van automatische treinbeïnvloeding dat behoort tot ERTMS/ETCS bevat een specifieke transmissiemodule die voldoet aan de onderstaande eisen.

Hoofdstuk

1

STM behorende bij artikel 3, eerste lid, onderdeel c

timing eisen

1.1

Van Cold Standby naar Hot Standby

Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Cold Standby’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Hot Standby Order’ binnen 3,0 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Hot Standby’ en het bericht ‘Hot Standby Acknowledge’ op de Profibus te hebben gezet.

1.2

Van Hot Standby naar Data Available

Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Hot Standby’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Data Availlable Order’ binnen 3,0 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Data Available’ en het bericht ‘Data Available Acknowledge’ op de Profibus te hebben gezet.

1.3

Van Hot standby naar Data Available, tot het moment dat de DMI kan worden geïnformeerd

Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Hot Standby’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Data Available Order’, binnen 1,5 seconden een toestand te hebben bereikt in Data Available waarin het de rem kan bedienen en/of de DMI kan informeren.

1.4

Van Data Available naar Cold Standby

Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Data Available’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Cold Standby Order’ binnen 3,0 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Cold Standby’ en het bericht ‘Cold Standby Acknowledge’ op de Profibus te hebben gezet.

1.5

Van Data Available naar Cold Standby tot het moment dat de DMI niet meer kan worden geïnformeerd

Een specifieke transmissiemodule die zich in de toestand ‘Data Available’ bevindt, dient na ontvangst van een ‘Cold Standby Order’ binnen 1,5 seconden over te zijn gegaan naar de toestand ‘Cold Standby’ waarbij het de rem niet meer kan bedienen en/of de DMI kan worden geïnformeerd.

eisen m.b.t.ATB

1.6

Codering

De specifieke transmissiemodule zal bij een overgang van ATB code in de baan naar geen code in de baan, niet sneller detecteren dan binnen 1,3 seconden nadat de ATB antenne de locatie passeert waar deze overgang is geïmplementeerd.

1.7

Eis met betrekking tot het gebruik van V_max STM

De specifieke transmissiemodule zal een ‘STM max speed’ waarde ter grootte van 140 km/uur afgeven aan de EVC, als het zich in substate ‘Hot Standby’ bevindt.

1.8

ATB toestanden

Wanneer de specifieke transmissiemodule een overgang maakt naar DA, dan moet het spoorvoertuig zich in de toestand CONST komen, zoals gespecificeerd in paragraaf 2.2.7 van de bijlage 1. De transitie van ATB STM DA naar CS dient mogelijk te zijn vanuit alle andere interne toestanden van ‘Uitgeschakeld’.

Hoofdstuk

2

ERTMS behorende bij artikel 3, eerste lid, onderdeel d

  • 2.1

    De ERMTS-apparatuur moet voldoen aan de door Onze Minister goedgekeurde baan-trein-integratie testen.

  • 2.2

    De keuze voor NL-mode is uitsluitend mogelijk, indien een technische maatregel voorkomt dat het voertuig als leidende tractie kan opereren. Het verlaten van NL- mode kan alleen tijdens stilstand van het voertuig.

  • 2.3

    Alle zelfstandig voortbewegende voertuigen zijn van een treinbeveiligingssysteem voorzien dat de snelheid bewaakt op basis van informatie die uit de baan wordt ontvangen. De consequentie hiervan is dat ETCS L0 niet is toegestaan en niet wordt toegepast. ETCS L0 bewaakt uitsluitend de maximumsnelheid van een trein, gebaseerd op de nationale waarde. ETCS L0 wordt bij transities naar Nederlandse ERTMS-baanvakken niet aangeboden als mogelijke ETCS-level. Tevens is de nationale waarde voor ETCS L0 gesteld op 10 km/h.

  • 2.4

    Voor leidende tractievoertuigen is SL-mode niet toegestaan. Alle gemotoriseerde voertuigen in een trein die op afstand bestuurd worden door een leidende tractie, maken gebruik van SL-mode. Het gebruik van NP-mode is niet toegestaan.

  • 2.5

    Het correcte treinnummer wordt in GSM-R ingevoerd. Het treinnummer dat bij ETCS wordt gevraagd, wordt niet gebruikt.

  • 2.6

    Tractie voertuigen die op afstand bestuurd worden door radio gestuurde apparatuur tijdens rangeren opereren in ETCS SH-mode. Het gebruik van NP-mode is in dit verband niet toegestaan.

  • 2.7

    Wanneer de baan een Leveltransitie naar het Nederlandse class B-systeem (NID_STM=1) opdraagt, dan wordt de treinbeweging door het Nederlandse ATB- systeem bewaakt.

  • 2.8

    De monitor van ERTMS-treinen garandeert de beschikbaarheid van de Planning Info te garanderen.

Bijlage

3

behorende bij artikel 4

Een spoorvoertuig, dat niet voldoet aan TSI CR WAG of TSI CR Loc&Pas voldoet aan de nationale eisen in deze bijlage en aan de in de tabel opgenomen normen.Een eis geldt slechts voor een stuurstandrijtuig indien dat in de in deze bijlage opgenomen tabel uitdrukkelijk is vermeld.

1.1

Spoorvoertuigen met automatische koppeling

  • 1.1.1

    De automatische koppeling heeft een breeksterkte van minimaal 1 MN.

  • 1.1.2

    De automatische koppeling is in staat alle bewegingen van het voertuig tijdens bogen en wisselloop toe te laten waarbij de eventuele reactiekrachten minimaal zijn.

1.2

Rem- en persluchtsysteem

  • 1.2.1

    Spoorvoertuigen zijn voorzien van rem- en persluchtsystemen die voldoen aan de volgende goedkeuringseisen:

    • a.

      de compressorcapaciteit is voldoende opdat onder ongunstige omstandigheden het remsysteem gevoed wordt en er geen remkrachtvermindering optreedt;

    • b.

      remapparatuur is in en onder de bak zodanig aangebracht dat deze goed beschermd is in geval van aanrijdingen opdat functieverlies wordt geminimaliseerd;

    • c.

      de bedienkracht van de noodremtrekker is niet groter dan 200 N.

1.3

Eisen ten aanzien van deuren

Definities

  • dicht: deur is gesloten, maar kan geopend worden door het bedienen van de deurbedieningsorganen;

  • geblokkeerd: deur is gesloten en kan niet geopend worden door het bedienen van de deurbedieningsorganen en ook niet door de noodbediening.

  • vergrendeld: deur is gesloten en kan niet geopend worden door het bedienen van de deurbedieningsorganen, wel door bedienen van de noodbediening.

1.3.1

Reizigersinstapdeuren

  • 1.3.1.1

    Vanuit veiligheidsoptiek worden aan het openen van de deuren de volgende eisen gesteld:

    • bij stilstand zijn alle deuren altijd van binnenuit door de reiziger te openen met een noodbediening, welke buiten alle besturingen en beveiligingen om en onder alle omstandigheden is te bedienen, ook indien het rijtuig beschadigd of gekanteld is;

    • er mag geen gevaar bestaan voor letsel door inklemming van lichaamsdelen bij het openen van de deuren. Indien gevaar voor inklemming bestaat, is een inklembeveiliging noodzakelijk;

    • kleine voorwerpen of lichaamsdelen die door de inklembeveiliging niet gedetecteerd kunnen worden, moeten na inklemming met een geringe inspanning weggetrokken kunnen worden;

    • bij stilstand worden de deuren uitsluitend aan de perronzijde vrijgegeven voor bediening door de reiziger;

    • (nood)bediening aan de buitenzijde ten behoeve van hulpverleners is vereist bij minstens één deur per rijtuigzijde, bij voorkeur diagonaal geplaatst.

  • 1.3.1.2

    Vanuit veiligheidsoptiek worden aan het sluiten van deuren de volgende eisen gesteld:

    • er mag geen gevaar bestaan voor letsel door inklemming van lichaamsdelen bij het sluiten van de deuren tussen deurbladen onderling en tussen deurblad en kozijn/dorpel. Indien gevaar voor inklemming bestaat is een inklembeveiliging noodzakelijk;

    • kleine voorwerpen of lichaamsdelen die door de inklembeveiliging niet gedetecteerd kunnen worden, moeten na inklemming met een geringe inspanning weggetrokken kunnen worden;

    • bij automatisch sluiten van de deur dient dit aangekondigd te worden door een waarschuwingssignaal.

  • 1.3.1.3

    Vanuit veiligheidsoptiek worden aan het centraal sluiten van deuren de volgende eisen gesteld:

    • het sluitproces moet vooraf worden gegaan door een attentiesignaal;

    • inklemgevaar: indien het personeel de opdracht heeft en in staat is om vast te stellen of iets of iemand ingeklemd raakt of gevaar loopt om ingeklemd te raken en het personeel kan het sluitproces onderbreken of terugdraaien, is inklembeveiliging niet voorgeschreven;

    • kleine voorwerpen of lichaamsdelen die door een inklembeveiliging niet gedetecteerd zouden kunnen worden moeten na inklemming met geringe inspanning weggetrokken kunnen worden.

  • 1.3.1.4

    Vanuit veiligheidsoptiek mogen deuren niet voorzien zijn van een systeem voor centraal openen.

  • 1.3.1.5

    Vanuit veiligheidsoptiek wordt aan het gesloten houden van deuren de volgende eis gesteld:

    • bij niet stilstand zijn de deuren dicht, vergrendeld en geblokkeerd;

    • houvast aan de buitenzijde van de trein is niet toegestaan.

  • 1.3.1.6

    Vanuit veiligheidsoptiek wordt bij geopende, opengaande en gesloten deuren de volgende eisen gesteld aan het buitenprofiel:

    • vaste objecten worden niet geraakt;

    • er ontstaan geen beperkingen of belemmeringen ten aanzien van het in- en uitstappen.

1.3.2

Algemene regels voor deuren en bediening

Deuren zijn zodanig geconstrueerd, dat door het falen van een enkel element niet een onveilige situatie kan ontstaan of dat door regelmatige controle tijdig de onveilige situatie kan worden voorkomen, omdat het element een goed volgbaar degradatiegedrag vertoont. Aangetoond dient te worden dat de kans op een onveilige situatie voldoende klein is in relatie tot de verwachte gevolgen.

Deuren zijn zodanig geconstrueerd, dat reizigers bij het in- en uitstappen en tijdens de rit in een railvoertuig geen schade oplopen, geen hinder ondervinden en evenmin in gevaar worden gebracht door de gebruikelijke bedrijfsuitvoering of als gevolg van voorzienbare afwijkingen in de normale bedrijfsuitvoering. Als voorzienbare afwijking van de normale bedrijfsuitvoering worden in ieder geval beschouwd:

  • a.

    een bedieningsfout door een lid van het treinpersoneel;

  • b.

    een verkeerde bediening van een inrichting, die bedoeld is om door reizigers bediend te worden;

  • c.

    een onbevoegde bedieningshandeling;

  • d.

    een storing, dat wil zeggen een afwijking in het normale functioneren van een onderdeel van een systeem in of buiten het voertuig;

  • e.

    indien een waarschuwingssignaal voor het sluiten van de deuren wordt gebruikt als middel om het in- of uitstappen te bespoedigen of om een reiziger te weerhouden om in of uit te stappen: het negeren van dit signaal door de in- of uitstappende reizigers;

  • f.

    het aanraken door onbevoegden van onderdelen van het voertuig, die door hun constructie of door het voeren van een elektrische spanning (letsel)schade kunnen veroorzaken;

  • g.

    een te lange trein in relatie tot de perronlengte.

1.4

Stoorstroomdetector

Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

1.5

Verbrandingsmotoren

Spoorvoertuigen die zijn voorzien van een eigen voortbewegingsinrichting door middel van verbrandingsmotoren voldoen aan richtlijn 2004/26.

1.6

Radiobesturing

Een systeem voor radiobesturing van een spoorvoertuig voldoet aan EN 50239, waarbij:

  • a.

    het dodemansysteem in de radio heeft dezelfde systeemreacties als het dodemansysteem in het spoorvoertuig;

  • b.

    de kantelbeveiliging initieert het uitschakelen van de aandrijving en het inzetten van een volle remming indien de zender langer dan 7,5 seconden in een hoek van 45° ten opzichte van de normale draagwijze wordt gehouden;

  • c.

    elk commando dat gegeven wordt door de zender resulteert in de betreffende reactie van het spoorvoertuig binnen 0,5 seconden;

1.7

Ritregistratie

Spoorvoertuigen die sneller kunnen rijden dan 40 km/u, zijn voorzien van een systeem voor automatische ritregistratie dat voldoet aan de volgende goedkeuringseisen:

  • a.

    het oplossend vermogen van de registratie is voldoende groot om een zuivere analyse te kunnen maken van de te onderzoeken gebeurtenis;

  • b.

    de registratie start uiterlijk bij het in beweging zetten van het voertuig;

  • c.

    de opslagcapaciteit van de automatische ritregistratie bepaalt de inzetmogelijkheden van het spoorvoertuig na een gebeurtenis waarvoor de registratie wordt uitgelezen;

  • d.

    na het tot stilstand komen van een spoorvoertuig worden nog 30 seconden gegevens geregistreerd. Daarna worden de gegevens niet overschreven, en

  • e.

    de automatische ritregistratie kan zonder verlies van informatie bijzondere omstandigheden doorstaan. De kans op verlies van informatie moet klein zijn, en

  • f.

    door de automatische ritregistratie worden minimaal de in bijlage 7 opgenomen tabel genoemde gegevens geregistreerd.

1.8

Stoot- en trekwerk

Het loopwerk van wagens is zodanig dat voldaan wordt aan de volgende goedkeuringseisen:

  • a.

    tijdens bogenloop van twee gekoppelde voertuigen wordt tijdens het doorlopen van een boog van 150 m de optredende dwarskracht nooit groter dan 250 kN hetgeen wordt aangetoond door middel van een bogenloopberekening als bedoeld in ERRI B36/RP32;

  • b.

    de minimale boogstraal die gekoppeld bereden wordt, geldt als controle op de optredende maximale verspankracht.

1.9

Voertuigen algemeen

  • 1.

    De zone bij spoorvoertuigen die zichtbaar is voor de apparatuur voor aslager conditie bewaking in de infrastructuur voldoet aan de paragrafen 5.1 en 5.2 van EN 15437-1.

  • 2.

    Spoorvoertuigen die niet voorzien zijn van een standaard UIC stoot- en trekwerk en UIC remaansluiting, zijn uitgerust met een passend koppelstuk ten behoeve van het bergen.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet indien de desbetreffende spoorwegonderneming met de beheerder afspraken heeft gemaakt over het brengen van koppelstukken naar de te bergen voertuigen.

  • 4.

    Het spoorvoertuig kan een horizontale boog met een radius van 150 m en groter doorlopen.

  • 5.

    Indien treinen geschikt zijn voor elektrische tractie van 1500 V voldoen deze aan de volgende eisen:

    • a.

      er is een voorziening voor de stroomafname aanwezig die over het gehele spanningsbereik stabiel is en waarbij de stroomafname voor een trein ten hoogste 4000 A is;

    • b.

      door middel van een inrichting wordt bij overstroom de stroomtoevoer die door het spoorvoertuig zelf wordt veroorzaakt, automatisch en direct uitgeschakeld conform artikel 11.2 van NEN-EN 50388.

  • 6.

    Indien treinen als bedoeld in lid 5 tevens voorzien zijn van een recuperatie-inrichting, zorgt deze ervoor dat de recuperatie van de stroom automatisch stopt indien de recuperatiespanning lager wordt dan U6 als weergegeven in de volgende grafiek:

    waarbij U6 = 1200 V, U8 <= 1950 V, Imax = 4000 A. De waarde U7 dient zodanig te worden gekozen dat een stabiele recuperatieregeling wordt verkregen.

  • 7.

    Indien spoorvoertuigen zijn voorzien van een systeem van energievoorziening dat geschikt is voor 25 kV en worden ingezet op hoofdspoorweginfrastructuur voorzien van een 25 kV energievoorziening voldoet dit aan de volgende eisen:

    • a.

      er is een voorziening van de stroomafname aanwezig die over het gehele spanningsbereik stabiel is en waarbij de stroomafname ten hoogste 800 A is;

    • b.

      de stroomafname wordt automatisch beperkt conform artikel 7.2 van NEN-EN 50388;

    • c.

      bij een overstroom die door het spoorvoertuig zelf wordt veroorzaakt, wordt de overstroom automatisch en direct uitgeschakeld conform artikel 11.2 van NEN-EN 50388;

    • d.

      de vermogensfactor voldoet aan artikel 6 van NEN-EN 50388;

    • e.

      de complexe ingangsadmittantie dient in geen enkele bedrijfstoestand een positief reëel deel te hebben voor frequenties boven 500 Hz;

  • 8.

    Indien voertuigen als bedoeld in lid 7 tevens zijn voorzien van een recuperatie-inrichting gelden de volgende eisen:

    • a.

      de recuperatiestroom wordt begrensd tot maximaal 800 A;

    • b.

      de inrichting zorgt ervoor dat de recuperatie van de stroom automatisch stopt indien de recuperatiespanning lager wordt dan 17,5 kV;

    • c.

      de recuperatiespanning wordt begrensd tot maximaal 27,5 kV permanent en 29 kV gedurende maximaal 5 minuten.

  • 9.

    Stroomafnemers geïnstalleerd op spoorvoertuigen en geschikt voor 1500 V, voldoen aan de volgende eisen:

    • a.

      het dynamisch gedrag van stroomafnemers bevindt zich in een bandbreedte tussen tenminste 4800 mm en ten hoogste 5750 mm gemeten vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven

    • b.

      de maximale hoogte van een stroomafnemer is begrensd op 5.860 mm gemeten vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven; deze begrenzing kan door middel van een stuit worden gerealiseerd;

    • c.

      de breedte van de schuit bedraagt ten minste 1900 mm en ten hoogste 1950 mm;

    • d.

      het profiel van de schuit voldoet aan EN 50367, Annex B, figuur B.3;

    • e.

      het sleepstuk is vervaardigd van koolstof of gemetalliseerde koolstof als bedoeld in EN 50367;

    • f.

      de lengte van het sleepstuk bedraagt ten minste 800 mm;

    • g.

      de gemiddelde dynamische contactkracht (Fm) voldoet aan de formule 70 N < Fm < 0,00097 v2 + 140 N, waarbij de snelheid v wordt uitgedrukt in km/u. Met een standaarddeviatie (s) van maximaal 0,3 Fm;

    • h.

      de scheefstand van de stroomafnemer bedraagt ten hoogste 200 mm op een hoogte van 5500 mm gemeten vanaf de bovenkant van de spoorstaaf;

    • i.

      het type stroomafnemer doorstaat de test die geschiedt volgens EN 50206;

    • j.

      stroomafnemers van spoorvoertuigen in één treinsamenstelling mogen niet elektrisch via het voertuig doorgekoppeld worden.

  • 10.

    In afwijking van lid 9, onderdeel j, kan een locomotief voorzien zijn van doorgekoppelde opstaande stroomafnemers.

  • 11.

    Indien spoorvoertuigen zijn voorzien van een stroomafnemer welke geschikt is voor 25 kV en het spoorvoertuig wordt ingezet op sporen met een 25 kV energievoorziening, voldoet de stroomafnemer aan de volgende eisen:

    • a.

      het dynamisch gedrag van stroomafnemers bevindt zich in een bandbreedte tussen tenminste 4.800 mm en ten hoogste 5.800 mm gemeten vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven;

    • b.

      de breedte van de schuit bedraagt 1.600 mm of 1.950 mm;

    • c.

      het profiel van een schuit met een breedte van 1.600 mm voldoet aan de norm EN 50367, Annex A.2, figuur A.7;

    • d.

      het profiel van een schuit met een breedte van 1.950 mm voldoet aan de norm EN 50367, Annex B, type 1 (figuur B.3);

    • e.

      het sleepstuk is vervaardigd van koolstof of gemetalliseerde koolstof als bedoeld in EN 50367;

    • f.

      de lengte van het sleepstuk bedraagt ten minste 800 mm;

    • g.

      de gemiddelde dynamische contactkracht F(m) ), voldoet aan de formule 60 N < Fm < 0,00047 v2 + 90 N, waarbij de snelheid v wordt uitgedrukt in km/u. Met een standaarddeviatie (s) van maximaal 0,3 Fm:

    • h.

      de scheefstand van de schuit van de stroomafnemer voldoet aan EN 50206 paragraaf 4.2;

    • i.

      de stroomafnemer en alle elektrisch verbonden delen voldoen met betrekking tot de isolatieafstanden aan tabel A3 van NEN-EN 50124-1 en met betrekking tot de kruipwegafstanden aan tabel A7 van NEN-EN 50124-1 waarbij het elektrisch werkgebied van de stroomafnemer tussen 4.700 mm en 5.800 mm bedraagt, gemeten vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven;

    • j.

      de stroomafnemer kan vanuit de cabine automatisch en handmatig bediend worden;

    • k.

      de stroomafnemer is bij het neerlaten binnen 3 seconden 15 cm vanaf de rijdraad verwijderd;

    • l.

      de stroom door de stroomafnemer is nihil indien de stroomafnemer los komt van de rijdraad;

    • m.

      de systeemreactietijd is geminimaliseerd tot maximaal 2 seconden;

    • n.

      de afstand tussen de sleepstukken bedraagt maximaal 650 mm inclusief de breedten van de koolstrippen;

    • o.

      de afstand tussen opstaande stroomafnemers voldoet aan NEN-EN 50367.

  • 12.

    Indien het spoorvoertuig wordt ingezet op sporen met een 25 kV energievoorziening en de stroomafnemer voor 25 kV defect raakt:

    • a.

      daalt de stroomafnemer automatisch neer tot dakligging voor spoorvoertuigen die geschikt zijn voor een hogere snelheid dan 160 km/u en

    • b.

      is deze binnen 1 seconde gedaald tot 20 cm onder de rijdraad.

  • 13.

    Indien een spoorvoertuig is voorzien van meerdere stroomafnemers zijn deze niet elektrisch via het spoorvoertuig doorverbonden.

1.10

Besturing en seingeving

  • 1.

    De GSM-R voice communicatie blijft bij het passeren van de verzorgingsgebieden van de grens van de Nederlandse netwerkproviders met andere netwerk providers dan wel bij het passeren van grensbaanvakken ononderbroken.

  • 2.

    De GSM-R cabradio is vast in de cabine gemonteerd.

  • 3.

    De impedantie tussen het spoorvoertuig en de spoorstaaf bedraagt bij:

    • a.

      spoorvoertuigen bestemd voor het vervoer van goederen ten hoogste 150 mΩ, en bij;

    • b.

      de overige spoorvoertuigen ten hoogste 50 mΩ.

  • 4.

    Artikel 3, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Indien een spoorvoertuig is voorzien van zandstrooiers, dienen deze te voldoen aan bijlage A, aanhangsel 1, artikel 4.1, van TSI CR CCS.

2.1

Elektrische installatie

a. Isolatiecoördinatie

EN 50124

b. Elektromagnetische compatibiliteit

EN 50121-1

EN 50121-3-1

EN 50121-3-2

c. Retourstromen

UIC 512

d. Veiligheidsaarding

UIC 533

UIC 552

NEN-EN 50153

e. Elektrische energievoorziening

EN 50163

EN 50388

UIC 550

UIC 550-1

UIC 550-2

UIC 626

f. Aanraakveiligheid

EN 50153

UIC 533

UIC 552

UIC 611

NEN 1010, NEN 3140

g. Batterij

Kortsluitbescherming dicht bij de batterij

h. Depotvoeding

UIC 554-1

UIC 554-2

i. Brandvoorschriften

TSI SRT paragraaf 4.2.5

j. Diversen

UIC 648

2.2

Remsystemen

a. Algemeen

UIC 540

UIC 541-03

UIC 541-04

UIC 541-05

UIC 541-06

UIC 541-07

UIC 541-08

UIC 541-1

UIC 541-2

UIC 541-3

UIC 541-4

UIC 541-5

UIC 542

UIC 543

UIC 544-1 (3e editie van 1 januari 1966, herdruk van 1 juli 1985, inclusief 9 wijzigingsbladen van 1 januari 1985)

UIC 544-2

UIC 545

UIC 547

UIC 640

UIC 648

b. Componenten

UIC 542

c. Hoog remvermogen

UIC 546

2.3

Deursystemen

a. Algemeen

UIC 565-1

UIC 565-2

UIC 565-3

UIC 568

en punt 1.3 van deze bijlage

b. Reizigers instapdeuren en treden

EN 14752

UIC 560

c. Overige deuren en handgrepen

UIC 560

d. Cabinedeuren

UIC 651

UIC 651

UIC 651

UIC 651

2.4

Casco

a. Cabine: instaptreden, handgrepen

UIC 651

Opmerking voor rijtuigen: geldt alleen voor stuurstandrijtuigen.

b. Aanbouwdelen, deuren, overgangsinrichting, handrail, ketels, schuifwanden

UIC 646

UIC 560

UIC 561

UIC 566

UIC 646

UIC 573

UIC 576

b. Opschriften

UIC 640

UIC 438-1

UIC 580

UIC 438-4

UIC 438-2

c. Sterkte

EN 12663-1

EN 12663-1

Categorie P-II

EN 12663-1

EN 12663-1

EN 12663-2

UIC 577

ERRI B12 P17

EN 12663-2

UIC 577

ERRI B12 P17

d. Botsveiligheid

EN 15227, cat. C-1

EN 15227, cat. C-1, geldt alleen voor stuurstand-rijtuigen)

f. Ontwerp

UIC 571-3

UIC 571-4

UIC 581

g. Aanbouwdelen

UIC 532

UIC 535-1

UIC 535-2

UIC 535-3

UIC 575

h. Bijzondere wagens

UIC 549

UIC 572

i. Container en wissellaadbakken

UIC 574

UIC 591

UIC 592-2

UIC 592-3

UIC 592-4

UIC 593

UIC 596-5

UIC 596-6

NEN 283-284

2.5

Loopwerk

a. Draaistel algemeen

UIC 510-1

UIC510-3

UIC 517

UIC 530-1

UIC 530-2

UIC 530-4

b. Wielstellen

UIC 510-2

UIC 510-5

UIC 512

UIC 810

UIC 812

EN 13979-1

EN 15437

EN 13262

UIC510-2

UIC510-4

UIC 511

UIC 512

EN 13103

EN 13104

EN 13104

c. Wielaslagers

EN 12080

EN 12081

EN 12082

EN 14865-1

EN 14865-2

d. Sterkte

EN 13749

e. Dynamisch gedrag, ontsporingsveiligheid en spoorbelasting

hoofdstukken 4.1 en 5 van EN 14363

f. Spoorstaafruimers

Onder normale gebruiksomstandigheden is de afstand tussen de onderzijde van de spoorstaafruimer en de bovenzijde van de spoorstaven zo klein mogelijk, voor zover dit door bewegingen van het spoorvoertuig en het bijbehorende omgrenzingsprofiel wordt toegestaan.

Opmerking voor rijtuigen: geldt alleen voor stuurstandrijtuigen.

g. Snelheid

UIC 432

2.6

Stoot- en trekwerk

a. Automatische koppeling

UIC 522

UIC 522-2

UIC 523

UIC 524

b. Buffers/trekwerk

UIC 520

UIC 521

UIC 527-1

UIC 526-1

UIC 526-3

UIC 529

UIC 528

UIC 526-1

UIC 526-3

UIC 529

UIC 527-2

UIC 526-1

UIC 526-2

UIC 526-3

c. Trekhaak en schroefkoppeling

UIC 520

UIC 520

UIC 520

ERRI: B36 RP32, B12 RP17, B12 DT 135

2.7

Hoofdafmetingen en vormgeving

a. Omgrenzingsprofiel

EN 15273

UIC 505-1

UIC 505-4

UIC 505-5

UIC 506

2.8

Additionele systemen

a. Dodeman installatie

UIC 641

Werkende bij elke snelheid

Opmerking voor rijtuigen: geldt alleen voor stuurstandrijtuigen.

b. Front- en sluitseinen

UIC 651

EN 15153-1

UIC 532

UIC 651, geldt alleen voor stuurstand-rijtuigen

EN 15153-1

UIC 651

UIC 532

c. Reizigersnoodrem

Verplicht aanwezig in alle ruimtes bestemd voor reizigers en/of personeel, inclusief de balkons.

Op toiletten niet verplicht.

d. Radiobesturing

NEN-EN 50239

NPR-R9-005

‘dodeman-functie’ in de afstandsbediening opnemen.

NEN-EN 50239

NPR-R9-005

‘dodeman-functie’ in de afstandsbediening opnemen.

e. Tyfoon

UIC 644

Opmerking voor rijtuigen: geldt alleen voor stuurstandrijtuigen.

2.9

Elektronica en software toepassingen (veiligheidstoepassingen)

Algemeen

Bewijs van veiligheid en veilige implementatie volgens: NEN-EN 50126, 50128, 50129 en 50155.

2.10

Veiligheidsinventaris

a. Rode vlag

In cabine aanwezig.

b. Noodsein lantaarn

In cabine aanwezig.

c. Kortsluitkabel

In cabine aanwezig.

d. Brandblusser

In cabine aanwezig. Opmerking voor rijtuigen: geldt alleen voor stuurstandrijtuigen.

In (tussen)rijtuigen aanwezig

e. Verbandtrommel afdekfolie en handschoenen

In cabine of conducteursruimte.

2.11

Interieur (veiligheidsaspecten)

a. Brandveiligheid

TSI SRT paragraaf 4.2.5.

b. Noodverlichting

TSI SRT paragraaf 4.2.5.

c. Frontruit cabine

UIC 651, snelheid projectiel is 200 km/u + de maximale snelheid van het spoorvoertuig

ISO 3538

DIN 52305

d. Zichtlijnen machinist

UIC 651

e. Nooduitstapvensters en vluchtwegen

UIC 651

UIC 560

UIC 564-1

TSI SRT paragraaf 4.2.5

f. Veiligheidsglas

UIC 564-1

EN 12600 (gehard glas)

g. Meubilair

UIC 566

h. Opschriften

UIC 580

Bijlage

4

behorende bij artikel 7, vijfde en zevende lid, onderdeel b

Eisen ten aanzien van detectie door middel van assentellers

Ter invulling van het open punt in bijlage A, aanhangsel 1 artikel 3.2.1 van de TSI CR CCS en TSI HS CCS geldt dat de aanwezigheid van voldoende metaalvrije ruimte rond de wielen ten behoeve van de goede werking van assentelsystemen proefondervindelijk vastgesteld moet worden tijdens testritten op een daartoe door de infrabeheerder aangewezen representatief traject of door vergelijking op basis van dossieronderzoek met een voertuig dat zich reeds bewezen heeft.

Spoorvoertuigen die rijden over sporen die zijn uitgerust met assentellers mogen geen velden of stromen produceren die de werking van de assentellers beïnvloeden.

Conformiteit wordt verondersteld indien de trein voldoet aan onderstaande richtwaarden en indien de stroom door de spoorstaven tussen de wielen van de trein en voor en achter de trein in de werkfrequentieband van de assentellers de maximale RMS waarde in de onderstaande tabel niet overschrijden.

Az L90-4

Sk30C

~ 28

~ 30,7

27,0 ... 29,0

29,7 ... 31,7

0.075

0,075

Az LM

Sk30H

~ 28

~ 30,7

27,0 ... 29,0

29,7 ... 31,7

0,165

0,180

GETS ¹

~ 39,0

~ 50,0

38,0 ... 40,0

49,0 ... 51,0

0,142

0,124

¹ De GETS assenteller komt alleen voor op dieselbaanvakken.

Conformiteit van voertuigen die rijden over sporen die uitgerust zijn met assentellers zal in de toekomst ook via de meetmethode van TS50238-3 aangetoond kunnen worden. Op dit moment zijn de grenswaarden voor Az L90-4 en Az LM in x, y en z-richting volgens opgaaf van TS50238-3 nog niet bekend.

Aanvullend geldt dat de grenswaarden voor de volgende mogelijke beïnvloedingsmechanismen nog niet bekend zijn:

  • verstoring van de telkop door magnetische velden;

  • verstoring van de telkop door DC retourstroom in de spoorstaaf (verzadiging);

  • verstoring van de telkop door metalen delen of permanent magneetremmen van het voertuig;

  • verstoring van signalen op de kabels tussen telkop en verwerkingssysteem;

  • verstoring van de telkop door elektrische velden;

  • verstoring van de telkop tijdens wielpassage;

en zijn daarom nog niet in de bovenstaande tabel verwerkt. Bij beoordeling van de conformiteit dienen deze mechanismen echter wel beschouwd te worden.

Bijlage

5

behorende bij artikel 7, zesde lid

Eisen ten aanzien van de detectiekwaliteit van spoorvoertuigen

Een treinsamenstelling wordt toegelaten op het aspect detectiekwaliteit op grond van de score in het puntenmodel, of het gemeten kortsluitgedrag of het voldoen aan een combinatie-eis. Indien in de praktijk blijkt dat het detectiegedrag onvoldoende is, houdt de Minister zich het recht voor om aanvullende eisen te stellen.

Puntenmodel

De treinsamenstelling wordt toegelaten indien in totaal 43 of meer punten worden gescoord volgens onderstaande tabel:

Type tractie

5

Elektrisch

Anders

3

1

Wiel profiel

5

Conform EN 13715 S1002

Anders

3

1

Rem type

3

Gietijzeren remblokken

Anders

3

1

Aslast

2

< 5 ton

5–10 ton

10–15 ton

15–20 ton

> 20 ton

1

2

3

4

5

Assen

1

N assen

N

Totaal score

Combinatie-eis

Een elektrische treinsamenstelling wordt toegelaten op een baanvak indien de ritfrequentie van andere elektrische treinen die naast het toe te laten spoorvoertuig (gaan) rijden tenminste 36 keer per 24 uur per spoor bedraagt, vastgelegd in de dienstregeling. Dit wordt gecombineerd met de eis dat deze treinsamenstelling minimaal 6 assen heeft (waarvan ten hoogste de middelste 2 per 6 assen onderbroken mogen zijn, doch elektrisch verbonden) met een aslast van minimaal 6 ton òf deze minimaal 4 assen hebben met een minimale aslast van 18 ton.

Gemeten kortsluitgedrag

Een treinsamenstelling wordt toegelaten indien tien gemeten kortsluitwaarden in een meetsectie onder de maandnorm blijven. De maandnorm wordt berekend door de som van het gemiddelde over de gehele maand van de slechtste kortsluitwaarden per dag van passerend reeds toegelaten materieel (dat een bezettingsgraad van tenminste 75% vormt) en 2 maal de standaarddeviatie. Er mogen hoogstens 2 metingen per 24 uur worden uitgevoerd en tijdens de meting mag niet worden geremd of tractie worden gevoerd.

Bijlage

6

behorende bij artikel 7, zevende lid, onderdeel a

Eisen voor elektrische compatibiliteit tussen spoorvoertuigen en treindetectiesystemen

1

Eisenset voor spoorvoertuigen

De eisenset en bijbehorende testmethoden zijn van toepassing op één ‘stoorbron’ van de verstorende eenheid.

De eisenset is per definitie gebaseerd op het maximale stabiele stoorstroomsignaal waaraan de spoorstroomloop blootgesteld mag worden.

De eisenset voor spoorvoertuigen bevat verschillende marges voor verschillende spoorstroomlopen waarbij rekening gehouden wordt met reeds opgewekte stoorstromen:

  • door andere spoorvoertuigen op het nevenspoor;

  • door harmonische uit de tractie-installatie door de impedantie van de ‘verstorende eenheid’.

Indien enkelvoudige tractie-eenheden getest worden op de operationele spoorweg moet de grenswaarden toegepast worden op de maximale treinsamenstelling door gebruik te maken van toepasselijke optelregels.

De eisensets zijn gedefinieerd bij absolute frequenties en derhalve onafhankelijk van variaties op de bovenleidingspanning.

Een spoorvoertuig hoeft alleen te voldoen aan de eisenset voor tractiefrequenties (DC, 16,7 Hz, 50 Hz) waarop het ingezet wordt.

2

Systeemdefinitie

2.1

Opbouw

Het gehele systeem dat beschouwd moet worden is afgebeeld in onderstaande figuur. Het bestaat uit 5 blokken die in de volgende paragrafen beschreven worden.

Figuur 1 – Systeemconfiguratie voor stoorstromen

Power system

Voedingssysteem

Train

Trein

Traction unit(s) under consideration

Onderzochte tractie-eenhe(i)d(en)

Other traction units

Overige tractie-eenheden

Convertor/substation

Omzetter/onderstation

Measurement

Meting

Track circuit receiver

Spoorstroomloop

Evaluation method

Beoordelingsmethode

2.2

Spoorvoertuig

In de context van deze bijlage is het geteste spoorvoertuig de stoorstroombron waarop de eisenset van toepassing is. Het kan onderdeel uitmaken van samenstelling van meerdere ‘stoorbronnen’ binnen de verstorende eenheid. Door de werking van omzetters van de tractie-installatie en hulpverbruikers en andere interactie produceert een spoorvoertuig stoorstromen die terugvloeien in de infrastructuur.

Een trein kan bestaan uit meerdere tractie-eenheden (niet noodzakelijkerwijs allemaal van hetzelfde type) en hulpverbruikers (in zowel de tractie-eenheden als in de individuele rijtuigen).

De interface tussen spoorvoertuig en infrastructuur bevindt zich op het punt waar de stroomafname plaatsvindt (stroomafnemer-bovenleiding en wiel-rail. Alle eisen voor het spoorvoertuig zijn geformuleerd voor deze interface.

2.3

Voedingssysteem

Het voedingssysteem bestaat uit alle spanning voerende delen van het elektrische system, zoals elektriciteitscentrales of nutsbedrijven, onderstations en hoogspanningsleidingen. Stoorstromen van andere spoorvoertuigen kunnen circuleren via de voeding en zo van invloed zijn op de gemeten stromen van het geteste spoorvoertuig. Bij de beoordeling van stoorstromen wordt dit deel het ‘hot path’ genoemd.

2.4

Pad voor retourstroom

De spoorstaven vormen een belangrijk onderdeel van het retourstroompad van het te beoordelen systeem. Dezelfde spoorstaven maken onderdeel uit van het treindetectiesysteem bekend als spoorstroomloop en daarvoor is het belangrijk dat de integriteit van de spoorstroomloop niet beïnvloed wordt door stoorstromen.

Bij de beoordeling van stoorstromen wordt dit deel het ‘cold path‘ genoemd.

De zogenaamde ‘transferfunctie’ is de verhouding tussen de door de trein in de retourstroom geïnjecteerde stoorstroom en de voor de spoorstroomloop geldende spoorstroomlimiet (of de spanning op de ontvanger van de spoorstroomloop).

2.5

Spoorstroomloop ontvanger

De spoorstroomloop ontvanger detecteert of een sectie al of niet vrij is. Voor een betrouwbare en veilige werking mag het niet verstoord worden door stoorstromen veroorzaakt door spoorvoertuigen en de voeding. De ontvanger reageert op de spanning tussen beide spoorstaven. De ontvanger kan gekarakteriseerd worden zonder rekening te houden met het voedingssysteem.

2.6

Meet- en beoordelingsmethode

De meet- en beoordelingsmethode wordt toegepast op de totale lijn- (of retour)spanning van één ‘stoorbron’ en moet aantonen dat emissies zoals gemeten aan het geteste spoorvoertuig de eisenset al of niet overschrijdt.

De methode moet zodanig worden gekozen dat rekening wordt gehouden met zowel de transferfunctie als de karakteristiek van de spoorstroomloop.

3

Beoordelingsmethoden

3.1

Algemeen

Spoorstroomlopen maken gebruik van smalband frequentiesignalen om de aanwezigheid van spoorvoertuigen te detecteren. Daardoor wordt het van toepassing zijnde mechanisme voor verstoring bepaald. Buiten deze frequentieband zijn ze grotendeels immuun voor verstoringen. De frequentie-inhoud van het signaal (aan/uit) binnen de bandbreedte varieert in de tijd.

3.2

Gekozen methode

Theoretisch kan zowel een methode in het tijddomein als in het frequentiedomein gekozen worden om grenswaarden voor stoorstromen te definiëren. Spoorstroomlopen als technische systemen werken echter in het tijddomein en bevatten gewoonlijk input filters die eveneens in het tijddomein werken.

Voor een tijddomein model zijn de stabiele grenswaarden uit de eisenset niet voldoende. De complete parameterset voor spoorstroomlopen om emissie van spoorvoertuigen te verifiëren, bestaat uit: centrumfrequenties, spanningslimiet bij de centrumfrequentie die eveneens spanningen omvat bij alle van invloed zijnde frequenties binnen de bandbreedte van het RMS filter, filtercurve en integratietijd.

3.3

Criteria voor compatibiliteit

3.3.1

Locatie

De interface tussen spoorvoertuig en infrastructuur bevindt zich bij de stroomafnemer en de wielen. De meetketen moet, indien mogelijk, zodanig gepositioneerd moeten worden dat daarmee de totale retourstroom van de ‘stoorbron’ gemeten kan worden.

3.3.2

Criteria

De stoorstroom mag de grenswaarden zoals vermeld in de tabellen 1, 2, 3 en 4 niet overschrijden. Deze grenswaarde moet gerespecteerd worden voor elke ‘track circuit channel’ zoals genoemd in § 6.

Enkelvoudige, eenmalige overschrijdingen van de grenswaarde kunnen geaccepteerd worden als aangetoond kan worden dat deze afkomstig zijn van transiënten en het ontwerpgedrag van spoorstroomlopen niet beïnvloeden. Voorbeelden van transiënte verschijnselen zijn denderen van de stroomafnemer, werking van de snelschakelaar en inrush van het lijnfilter.

3.3.3

Veiligheid en beschikbaarheid

Het aantonen van compatibiliteit moet een pass/fail criterium zijn onder worstcase condities voor het spoorvoertuig (nominaal en degraded) bij bekende gevoeligheid van de spoorstroomloop.

Anderzijds is de eisenset gedefinieerd voor plausibele degraded condities van de spoorstroomloop. Numerieke doelen kunnen beschikbaar en toegewezen zijn aan deze typen of TDS fouten, maar onmogelijk te verifiëren door testen. Daarom moet het spoorvoertuig voldoen aan de eisenset zoals gedefinieerd in deze bijlage onder alle operationele condities (nominaal en degraded). Elke overschrijding van de gedefinieerde stoorstroom grenswaarden in de eisenset voor spoorvoertuigen moet behandeld worden overeenkomstig §3.2. De testen moeten uitgevoerd worden onder gecontroleerde omstandigheden en de bovenleiding frequentie op het tijdstip van de test moet vastgelegd worden door metingen. Voor DC netwerken moet de infrastructuurbeheerder de voorwaarde ten aanzien van de stabiliteit van de frequentie van het netwerk op het moment dat de test uitgevoerd werd, beschikbaar stellen.

4

Testspecificaties voor spoorvoertuigen

De volledige methodiek voor het aantonen van compatibiliteit met spoorstroomlopen moet overeenstemmen met EN 50238.

De meet- en beoordelingsmethode van emissies vanuit spoorvoertuigen moet in staat zijn om onderscheid te maken tussen stabiele verstoring en verstoring als gevolg van transient gedrag. Overschrijdingen van een grenswaarde die onomstreden toegekend kunnen worden aan verstoring op de tractievoeding moeten besproken worden met de infrastructuurbeheerder bij de beoordeling van het stoorgedrag van het spoorvoertuig. In alle andere gevallen is een gedetailleerder onderzoek vereist en moet aanvullende informatie verkregen worden van de ontwerper.

Testen zijn typetesten en moeten uitgevoerd worden voordat de eerste eenheid in normaal gebruik genomen wordt. De testmethode voor tractie-eenheden wordt in detail gespecificeerd in paragraaf 4.1.1.

4.1

Doel van compatibiliteit testen

Compatibiliteitstesten worden uitgevoerd om conformiteit met de eisenset te verifiëren voor alle configuraties opgesomd in 4.1.1. De operationele condities voor het geteste spoorvoertuig worden gegeven in 4.1.2. In 5.3 staan de toestanden van de infrastructuur waarmee rekening gehouden moet worden.

4.1.1

Stoorbronnen: omstandigheden waaronder het geteste spoorvoertuig gemeten moet worden

  • Volledig uitgeschakeld (referentie meting)

  • Alleen hulpverbruikers

  • De laagspanningsverdeling moet ingeschakeld worden voor hulpverbruikers

  • Tractie in normale configuratie (inclusief hulpverbruikers en gelijkspanningsverdeling)

  • Alle plausibele degraded modes (bijvoorbeeld een of meer omzetters buiten gebruik) die op kunnen treden tijdens het gebruik

  • Fouten in de stoorbron en de bijbehorende effecten worden niet beschouwd tijdens de testen.

  • Voertuigsamenstelling bestaande uit multiple tractie installaties met interlacing tussen de tractie installaties dienen als geheel getest te worden.

4.1.2

Operationele voorwaarden voor testen

Onderstaande quasi stationaire operationele toestanden moeten minimaal onderdeel uitmaken van de testen:

  • Rijden op verschillende punten:

    • nominale snelheid (maximale stroom)

    • maximale snelheid (Vmax)

    • helft van de nominale snelheid

    • halverwege de nominale snelheid en Vmax

  • Aanzetten/remmen bij 100% en 50% van de beschikbare tractie/vermogensbegrenzing

  • Omstandigheden waarbij worstcase verstoringen gegenereerd worden, moeten onderdeel uitmaken van deze testcycli en de testritten moeten zodanig uitgevoerd worden dat het snelheidsbereik doorlopen wordt met een maximale versnelling van 0,5 m/s2 met vol vermogen. Dit kan bereikt worden met een geschikte last of een remmende eenheid.

  • Uitrollen en constant rijden bij verschillende snelheden

  • Alle bovengenoemde cycli in de vorm van korte testritten. Elke cyclus moet drie keer uitgevoerd worden om vertrouwen te geven dat de resultaten reproduceerbaar zijn.

Onderstaande dynamische operationele voorwaarden zijn open punten in het beoordelingsproces. Sommige dynamische operationele punten kunnen een transiente respons geven van de meetketen, waardoor overschrijdingen van de eisenset verwacht kunnen worden.

  • Opstarten en uitschakelen van het spoorvoertuig bij stilstand

  • Abrupte veranderingen van tractie/remkracht, zowel handmatig bediend als door automatische snelheidsbewaking (indien van toepassing)

  • Rijden door neutrale secties (AC) of onderbrekingen (DC)

  • Effecten van denderen van stroomafnemer, rijden door open spaninrichtingen

  • Aanzetten en remmen (100%) onder slechte adhesie omstandigheden

4.2

Eisen aan testapparatuur (hardware)

  • Afzonderlijke spanningssensor op het gemeenschappelijke voedingspunt (stroomafnemer) voor alle apparatuur in de trein van één ‘verstorende eenheid’.

  • Anti aliasing filter

  • Digitale registratieapparatuur (DAT recorder, op PC gebaseerd of andere elektronische apparatuur); extractie van geselecteerde delen van een testrit en conversie naar digitale databestanden in een gebruikelijk formaat (ASCII, Matlab,...) moet gemakkelijk mogelijk zijn

  • Nauwkeurigheid van de gehele keten (met betrekking tot individuele grenzen) 10% of beter en dekkingsfactor k = 2 [ENV 13005].

  • Aanvullende registratie van de status van het spoorvoertuig (snelheid, trekkracht, grondharmonische frequentie van de lijnspanning) en plaats enz., met een adequate (eventueel lagere) tijdresolutie, maar eenvoudige relatie met het huidige signaal moet tijdens de meting en voor nabewerking en beoordeling mogelijk zijn

  • voorafgaand aan de metingen moet de meetketen in het testvoertuig gecontroleerd worden

5

Stoorstroomanalyse en beoordelingsmethode voor spoorvoertuigen

5.1

Optelregels voor meervoudige stoorbronnen in één ‘verstorende eenheid’

De gehele trein vormt, met betrekking tot verstoring van spoorstroomkringen, één ’verstorende eenheid’ (IU). Alle grenswaarden voor stoorstromen die in deze bijlage genoemd worden, zijn geldig voor één IU.

Een trein kan bestaan uit meerdere tractie-eenheden (TU), vaak gemodelleerd als één stoorbron. Elke tractie-eenheid wordt gevoed vanuit één stroomafnemer. Eén TU kan zijn:

  • een locomotief

  • een elektrisch treinstel, met één of meer tractie-installaties of motorwagens

  • een complete reizigerstrein, bestaande uit maximaal 16 rijtuigen.

Het aantal TU’s dat één IU vormt, is afhankelijk van het type spoorvoertuig en zijn inzet. Daarom valt de definitie van dergelijke aantallen buiten de scope van deze bijlage. De afbeelding toont enkele voorbeelden van diverse typen en samenstellingen van tractie-eenheden, die samen één ‘verstorende eenheid’ vormen.

Figuur 3 – samenstelling van tractie-eenheden

1 Loc + Freight train

1 locomotief + goederentrein

2 Locs + Freight train

2 locomotieven + goederentrein

1 Loc + Pass. train

1 locomotief + reizigerstrein

1 EMU

1 elektrisch treinstel

2 EMU’s

2 elektrische treinstellen

4 Locomotives

4 locomotieven

De meting van de totale harmonische stroom van een trein is moeilijk, aangezien een true-fase optelling van signalen van verscheidene sensoren, ook voor hogere frequenties, nodig is. Om het goedkeuringsproces voor deze gevallen te vereenvoudigen, wordt de stoorstroom van slechts één TU gemeten, en met een factor K vermenigvuldigd om de totale stroom voor N eenheden af te leiden. Om K te bepalen moet onderscheid gemaakt worden tussen de volgende drie typen harmonischen:

Tabel 1 – Optelregels

K = N

K = f(N)

(zie figuur en noot 1)

K = √N

Synchronisatie met

– gemeenschappelijke interne klok

– of AC lijnspanning

Synchronisatie met

– onafhankelijke klokken

– motor hoek positie

Geen synchronisatie

Voorbeelden:

– harmonische van het onderstation

– sprongen in de lijnspanning

– niet-interlaced PWM harmonischen synchroon met AC lijnspanning

Voorbeelden:

– harmonische van vaste frequentie PWM

– motor invertor harmonische met alleen faseafhankelijke motor hoek positie

Voorbeelden:

– hogere order harmonische, afhankelijk van converter parameters

– verstoring door stuiteren van de stroomafnemer, spanningssluizen, onderbrekingen

Figuur 4 – K factor

Synchronised to common reference

Gesynchroniseerd met gemeenschappelijke referentie

Synchronised to independent clocks

Gesynchroniseerd met onafhankelijke klokken

Completely uncorrelated

Geen correlatie

De overeenkomstige numerieke waarden zijn:

Table 2 – K factor

1

1.95

2.76

3.38

3.86

4.27

4.63

4.98

5.30

5.60

5.90

6.17

6.44

6.68

6.91

7.12

1

1.41

1.73

2.00

2.23

2.45

2.65

2.82

3.00

3.16

3.32

3.46

3.61

3.74

3.87

4.00

Welke van deze drie categorieën van toepassing is, moet worden beoordeeld voor elke frequentieband waarvoor grenswaarden zijn bepaald. De beoordeling kan op het algemene ontwerp van de tractie-eenheid en het overheersende verstoringmechanisme voor elke frequentieband worden gebaseerd, en vergt geen extra metingen. Het is niet mogelijk om een algemene frequentiegrens te geven waarboven de niet-synchronisatie van toepassing is. Dit hangt van de technologie van de invertors, andere componenten en hun besturing af en is aan technologische ontwikkelingen onderhevig.

Voor multiple tractie van twee of meer TU’s met systematische interlacing tussen PWM patronen (met betrekking tot AC lijnspanning of een gemeenschappelijke klok), kan de gedeeltelijke of volledige eliminatie van sommige harmonische worden bereikt. Dergelijke gevallen moeten afzonderlijk worden behandeld, nochtans kan K nooit kleiner zijn dan 1. Als de gedeeltelijke of volledige eliminatie van harmonische wordt geëist, moet de correcte werking van de interlacing door metingen worden aangetoond. Speciale aandacht moet aan degraded modes of verschillen in werkingspunten tussen TU’s worden gegeven, waar de eliminatie van harmonische onvolledig zou kunnen zijn.

De optelregels voor harmonische die door diode en fasehoek gecontroleerde convertors worden geproduceerd, worden behandeld volgens UIC 550.

Noot: waarden K voor volledig niet correlerende harmonische zijn gelijk aan de vierkantswortel van aantal eenheden N. Numeriek komen deze waarden overeen met het 99% percentiel van de som van N fasoren met willekeurige lengte tussen 0 en 1 en willekeurige fase (d.w.z. de absolute waarde van de som van N dergelijke fasoren is kleiner dan of gelijk aan K = F (N) met 99% waarschijnlijkheid). Voor waarden K van gesynchroniseerde harmonische worden gegevens verwerkt op de zelfde manier, maar met N fasoren met lengte 1 en willekeurige fase. Dit geeft weer dat de harmonische die aan onafhankelijke klokken worden gesynchroniseerd gelijke omvang kunnen hebben, maar bijna nooit samenvallen met stijgend aantal N.

Optelregels hoeven niet beschouwd te worden als emissies van de ‘stoorbron’ worden gemeten.

5.2

DC-tractie:

In het geval van gelijkstroomtractie moet rekening gehouden worden met harmonische frequenties als gevolg van het rectificerende proces. Over het algemeen zijn dit harmonische van 50Hz die met 6, 12, 18, etc.... worden vermenigvuldigd, zodat rekening gehouden moet worden met 300Hz, 600Hz ....enz.

In het geval dat het DC-onderstation weinig stroom levert, zullen de gelijkrichterdioden als modulator werken. Vandaar: indien een trein een stroom met een frequentie van bijv. 225 Hz produceert, kan dit resulteren in een stroom van 75 Hz als gevolg van het modulatieproces.

Dit fenomeen leidt tot eisen ten aanzien van stromen met frequentiebanden rond 25 Hz, 125 Hz, 175 Hz, 225Hz, 375Hz, 525Hz en 675Hz.

5.3

Eisen aan infrastructuur tijdens de metingen

De harmonische metingen met een tractie-eenheid moeten op een spoorweginfrastructuur met geschikte kenmerken worden gedaan zoals hieronder bepaald. Als aan alle infrastructuurvereisten is voldaan, is een herhaling van de harmonische metingen met dezelfde tractie-eenheid op andere spoorweginfrastructuren met hetzelfde voedingssysteem niet meer nodig (1500 V gelijkstroom, 15 kV 16.7 Hertz, 25 kV 50 Hertz) (wederzijdse erkenning).

De eisen aan de infrastructuur moeten ervoor zorgen dat de testtrein onder representatieve omstandigheden op de elektrische interfaces tussen infrastructuur en trein gemeten wordt (stroomafnemer/wielen). Dit betreft:

  • Spanningsspectrum: correcte vertegenwoordiging van de invloed van andere treinen en/of onderstation/frequentieomvormers

  • Impedantie/resonanties voeding: versterking of vermindering van geproduceerde harmonische

De volgende eisen aan de infrastructuur zijn van toepassing voor harmonische metingen die voor wederzijdse erkenning geschikt zijn:

AC voeding (15 kV, 16.7 Hz alsook 25 kV, 50 Hz):

  • Metingen zowel dichtbij het onderstation als ver verwijderd van het onderstation (minimaal 20 km)

  • Metingen zowel op open lijn als op een gebied met grotere geconcentreerde elektrische capaciteit (b.v. grote stations, of tunnels met kabels)

  • De laagste voedingsresonantie moet gelijk zijn aan of lager dan 80% van de laagste centrumfrequentie van een audiofrequentie spoorstroomkring

  • De testritten moeten uitgevoerd worden op verschillende secties van een netwerk met verschillende numerieke waarden voor de resonanties. Dit kan worden bereikt door minimaal door drie fasesecties van verschillende lengte te rijden in een 50-Hertz netwerk

  • Andere voertuigen op hetzelfde net kunnen aanwezig zijn of niet, aangezien hun invloed in de meeste gevallen te verwaarlozen is. Uitzondering: situatie met capacitieve input impedantie/lange kabels op het dak.

  • Geïsoleerde netwerken mogen niet gevoed worden door een statische frequentie omzetter (hoewel zonder betekenis in de meeste gevallen, zou dit eisen ten aanzien van spoorvoertuigen en statische omzetters kunnen mengen en de interpretatie van resultaten bemoeilijken)

DC voeding (1500 V):

  • Metingen zowel dichtbij het onderstation als ver verwijderd van het onderstation (minimaal 7 km voor 1500-V systemen)

  • Metingen zowel op open lijn als op een gebied met grotere geconcentreerde elektrische capaciteit (b.v. grote stations, of tunnels met kabels);

  • Voor 75 Hz beïnvloeding wordt ervan uitgegaan dat geen resonanties optreden.

  • Het netwerk moet minstens uit drie verschillende voedingssecties met scheidingen daartussen, moeten bestaan, leidend tot sprongen in de lijnspanning bij passage met tractie.

  • Voeding vanuit een onderstation met 6-puls gelijkrichter zonder uitgangsfilter moet meegenomen worden.

  • Er zijn geen eisen voor de aanwezigheid van andere voertuigen of specifieke configuraties van de 75Hz spoorstroomlopen.

  • Het is gebruikelijk dat de 75Hz stoorstroomproductie gemeten wordt op infrastructuur waarin geen 75Hz bronnen aanwezig zijn, het baanvak wordt daarvoor buiten dienst genomen en de GRS detectie apparatuur wordt uitgeschakeld.

Geïsoleerde netwerken en testringen bieden in beginsel alleen vaste resonantiecondities die mogelijk niet aan de eisen voldoen. Nochtans is het aanvaardbaar om de resonantiecondities van een testring te wijzigen om aan de eisen te voldoen, bijvoorbeeld door het schakelen of anders configureren van extra hoogspanningskabels.

Tractie-eenheden die verschillende softwareconfiguraties hebben voor één voedingssysteem, bijvoorbeeld om aan de stoorstroomeisen van twee verschillende landen te voldoen, kunnen nog steeds op slechts één netwerk worden getest zolang er geen spoorstroomkringen zijn geïnstalleerd die in conflict komen met één van de configuraties van de tractie-eenheid. Anders moeten enkele testen op een andere infrastructuur zonder een dergelijk conflict worden gedaan.

Alle testen moeten zodanig gepland worden dat de herhalingen van operationele parameters, zoals versnelling, niet op dezelfde locatie worden gedaan. Een goede mix van de invloed van inzet en infrastructuur zal een beter algemeen beeld geven van de toekomstige inzet van het spoorvoertuig.

5.4

Documentatie

  • De gemeten gegevens moeten in een gemakkelijk toegankelijk, digitaal formaat worden opgeslagen of moeten gemakkelijk voor verdere evaluatie geconverteerd kunnen worden, ook als de testen zijn voltooid en het voertuig is goedgekeurd. Dit zou van belang of noodzakelijk kunnen zijn als de kenmerken van de infrastructuur op een later tijdstip veranderen, bijvoorbeeld als gevolg van de implementatie van een nieuwe spoorstroomloop.

  • De beschrijving van de ‘verstorende eenheid’ moet als volgt gedocumenteerd worden:

    • Overzichtsschema's (tractie-installatie en hulpverbruikers) waaruit het aantal convertors afgeleid kan worden, of het voertuig passieve filters heeft enz.

    • Belangrijkste parameters van de vermogencircuits en convertors van de tractie-eenheden en de hulpverbruikers (zodat de harmonischen als een goede eerste ordebenadering kunnen worden berekend).

  • De metingen moeten in een rapport worden gedocumenteerd, dat bevat:

    • Beschrijving van de gebruikte testapparatuur

    • Omschrijving van de infrastructuur waarop de testen werden uitgevoerd

    • Beschrijving van de testomstandigheden, zoals onder meer lading, rijrichting en weer

    • Één kenmerkend spectrum van de blijvende toestand voor elke configuratie met aanduiding van het overeenkomstige werkingspunt

    • Piek houdspectrum per testcyclus (exclusief belangrijke transienten)

    • Snelheid, trekkracht en lijnspanning evenals de resultaten voor elk kanaal van de spoorstroomloop in het tijddomein (output van beoordelingsmethode zoals hierboven bepaald) versus tijd voor elke testcyclus.

6

Eisenset

6.1

Definities

Δf ** [Hz]

Symmetrische bandbreedte rond de werkfrequentie of centrumfrequentie (voorbeeld voor Jade: FSK +/– 20Hz; dus Δf = 40

I0 RMS [A]

Toegestane stoorstroom bij f0

Δf3dB [Hz]

Verschil tussen de boven- en onderfrequentie van de 3 dB punten van de filtercurve

Δf20dB [Hz]

Verschil tussen de boven- en onderfrequentie van de 20 dB punten van de filtercurve

2*N [–]

Filterorde buiten de 20dB bandbreedte: genoemd getal betekent veelvoud van 6 (aangezien 6 dB/oct één orde is)

T [s]

Maximumtijdsduur waarin de stoorstroom de gedefinieerde grenswaarde mag overschrijden

Ti [s]

Minimumtijd tussen 2 voorvallen waarbij de grenswaarden overschreden worden

dB

20*10log (factor), dit betekent 20dB is een factor 10

Bij alle frequenties, gedefinieerd door de f0 en Δf20dB punten in onderstaande tabellen, moet de lijnstroom, geanalyseerd door een filter zoals gedefinieerd in deze tabellen, onder de aangegeven waarde I0 blijven. Dit is op alle vier frequentieranges van toepassing zoals vermeld in de tabellen.

De lijnstroom is gedefinieerd als de totale stroom die loopt van bovenleiding via de stroomafnemer door de trein naar het retourstroomcircuit.

6.2

GRS

GRS is een ATP gecodeerde spoorstroomkring.

Metingen mogen niet uitgevoerd worden op lijnen die beïnvloed kunnen worden door 25kV 50Hz stoorstromen.

De grenswaarden en filterkarakteristieken van tabel 1 zijn van toepassing op DC-lijnen met GRS.

Tabel 1 – GRS

GRS (ATBEG)

75

n.a.

0,5

20

40

6

0,2

1,7

Voor grenswaarden van mengtermen die tijdens leemtebedrijf van het onderstation zonder externe 50Hz bron kunnen leiden tot ongewenste 75Hz componenten gelden de aanvullende eisen van tabel 2a.

Tabel 2a – GRS – grenswaarden als gevolg van gelijkrichten van tractievoeding

GRS (ATBEG)

25

Exacte invulling nog open

GRS (ATBEG)

225

n.a.

1

20

40

6

0,2

1,7

GRS (ATBEG)

375

n.a.

1

20

40

6

0,2

1,7

GRS (ATBEG)

525

n.a.

1

20

40

6

0,2

1,7

GRS (ATBEG)

675

n.a.

1

20

40

6

0,2

1,7

Voor grenswaarden van mengtermen die tijdens leemtebedrijf van het onderstation met externe 50Hz bron kunnen leiden tot ongewenste 75Hz componenten gelden de aanvullende eisen van tabel 2b.

Tabel 2b – GRS – grenswaarden als gevolg van gelijkrichten van tractievoeding en externe 50Hz bron

GRS (ATBEG)

25

Exacte invulling nog open

GRS (ATBEG)

125

Exacte invulling nog open

GRS (ATBEG)

175

Exacte invulling nog open

6.3

Jade

De grenswaarden voor stoorstromen voor 25kV, 50Hz lijnen staan vermeld in tabel 3.

Tabel 3 – Jade 25kV, 50Hz lijnen

Jade 2/16

1.575

40

0,87

50

500

0,04

0,68

Jade 2/19

1.874

40

0,72

60

500

0,04

0,68

Jade 1 & 2/22

2.186

40

0,62

50

400

0,04

0,68

Jade 1 & 2/25

2.480

40

0,54

60

500

0,04

0,68

Jade 1 (HS)/28

2.821

40

0,56

60

350

0,04

0,68

Jade 1 (HS)/31

3.137

40

0,47

80

400

0,04

0,68

Jade 1 (HS)/49

49.082

400

0,20

8k

10k

0,04

0,68

Jade 1 (HS)/67

67.232

400

0,14

8k

10k

0,04

0,68

De grenswaarden voor stoorstromen op DC lijnen, staan vermeld in tabel 4.

Tabel 4 – Jade DC lijnen

Jade 1 & 2/16

1 575

40

0,54

35

400

0,04

0,68

Jade 1 & 2/19

1 874

40

0,45

35

400

0,04

0,68

Jade 1 & 2/22

2 186

40

0,39

35

400

0,04

0,68

Jade 1 & 2/25

2 480

40

0,34

35

400

0,04

0,68

Bijlage

7

behorende bij artikel 10, zesde lid, onderdeel f

Tijd

X

X

X

X

X

Snelheid

X

X

X

X

X

Bedienen rem

X

X

X

X

Bedienen snelrem

X

X

X

X

Bedienen directe rem

X

ATB cabineseinen

X

X

X

X ¹

X

Stand rijrichting-schakelaar

X

X

Signaal ‘deuren dicht’

X

X

X

Indien een spoorvoertuig is voorzien van een automatisch treinbeïnvloedingssyteem (ATB) dat werkt op basis van remcurvebewaking wordt van dat ATB-systeem ten minste geregistreerd:

• de door de machinist ingevoerde gegevens

• de aan de machinist gegeven opdrachten en toestemmingen

• bedieningshandelingen in opdracht of op verzoek van de ATB

• bedieningshandeling waarmee de remcurvebewaking wordt genegeerd

• bediening ‘Gladspoor’ knop*)

• de door de ATB bewaakte snelheid

• de aan de machinist getoonde bewaakte snelheid

• de data die door de ATB-treinapparatuur van de ATB-baanapparatuur wordt ontvangen

• de data die door de ATB-treinapparatuur aan de ATB-baanapparatuur wordt gezonden *)

• storingsmeldingen ATB-baanapparatuur

• storingsmeldingen ATB-treinapparatuur

• de uitvoering en het resultaat van de test van de ATB-treinapparatuur

• de door de ATB geïnitieerde ingrepen

• indien de ATB buiten bedrijf is geschakeld

• informatie over het adhesiegedrag van het spoorvoertuig).

¹ Indien aanwezig/beschikbaar.