Artikel
1
De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D1 en E bij D1 voldoet, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage, Toetsmatrijs praktijkexamen D1, E bij D1, D en E bij D.
Besluit:
De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D1 en E bij D1 voldoet, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage, Toetsmatrijs praktijkexamen D1, E bij D1, D en E bij D.
De eisen waaraan de aanvrager van het praktijkexamen voor de rijbewijscategorie D en E bij D voldoet, zijn nader uitgewerkt in de bij deze regeling behorende bijlage Toetsmatrijs praktijkexamen D1, E bij D1, D en E bij D.
Het CBR draagt er zorg voor dat het resultaat van het examen aan de aanvrager bekend wordt gemaakt. Bij een onvoldoende examen wordt tevens aangegeven aan welke exameneisen de aanvrager niet heeft voldaan.
De Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën D en E bij D wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdelen A tot en met L, van de wet van 26 januari 2012 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in verband met de implementatie van de derde rijbewijsrichtlijn (Stb. 2012, 39) in werking treedt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën D1, E bij D1, D en E bij D.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
|
Categoriecode: |
D1, D1E (Bus D1 praktijk, Bus D1 met aanhangwagen praktijk) D, DE (Bus D praktijk, Bus D met aanhangwagen praktijk) |
|
Toetsvorm: |
Praktijk |
|
Dekkingsgraad toetstermen: |
100% |
|
Cesuur: |
De kandidaat moet een voldoende hebben behaald voor het examen om een bewijs van slagen te krijgen. |
|
Geldigheid examenresultaat: |
3 jaar |
|
Bijzonderheden: |
Geen |
|
1. |
Rijklaar controle (8.1, 8.1.1, 8.1.2, 8.1.3, 8.1.4, 8.1.5, 8.1.7, 8.1.8 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
|
2. |
Professioneel rijgedrag (1.3 Bijlage I, richtlijn 2003/59/EG, 8.4.1, 9.3.2 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
|
3. |
Verkeersgedrag tijdens een rit (1.5 Bijlage I, richtlijn 2003/59/EG, 8.1.9, 8.3, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.3.5, 8.3.6, 8.3.7, 8.3.8, 8.4.1 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
|
4. |
Bijzondere verrichtingen (8.2, 8,2.1, 8.2.2, 8.2.4 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
|
5. |
Voertuigbeheersing richtlijn (1.5, 1.6 Bijlage I, richtlijn 2003/59/EG, 9.3.1 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
|
6. |
Ergonomie en veiligheid (8.1.2 en 8.3.9 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
Eindtermen: Dit zijn de hoofdonderwerpen die in het examen voorkomen. Hierin staat 'ruim' omschreven wat er in het examen terug kan komen.
Toetstermen: Dit zijn onderdelen van een eindterm. Hierin staat meer uitgebreid omschreven wat er in het examen terug kan komen.
Afbakening: Dit zijn onderdelen van een toetsterm. Hier staat over welke onderwerpen vragen gesteld mogen worden in het examen. Als er geen afbakening is opgenomen, mag over die toetsterm in principe alles gevraagd worden.
Tax: Dit is de taxonomiecode van Romiszowski. Deze code geeft aan op welk niveau de vragen over een toetsterm gesteld worden.
F = Feitelijke kennis. De kandidaat kan feiten reproduceren (herkennen of herinneren).
B = Begripsmatige kennis. De kandidaat kan begrippen of principes omschrijven.
R = Reproductieve vaardigheden. De kandidaat kan acties uitvoeren die volgens een vastgelegde procedure verlopen.
P = Productieve vaardigheden. De kandidaat kan acties uitvoeren waarbij hij zijn eigen creativiteit en inzicht nodig heeft.
|
1. |
Rijklaar controle (8.1, 8.1.1, 8.1.2, 8.1.3, 8.1.4, 8.1.5, 8.1.7, 8.1.8 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
||
|
1.1 |
Voertuigdocumenten controleren |
De kandidaat is in staat om voor uitvoering van een rit de voertuigdocumenten te controleren en te vertalen naar praktisch gebruik: – kentekengegevens; – logboek airco. |
R |
|
1.2 |
Buitenzijde voertuig controleren |
De kandidaat is in staat om steekproefsgewijs visueel verschillende controles aan de buitenzijde van het voertuig uit te voeren gericht op een veilig weggebruik. • Algemene staat van het voertuig: – stand van het voertuig; – lekkages; – controle onder het voertuig; – schade; – goede bevestiging van voertuigonderdelen; – carrosserie; – goede sluiting deuren/luiken. • Bij de wielen/banden: – staat/profiel van de banden; – bandenspanning; – vastzitten van de wielmoeren; – aanwezigheid van spatschermen/spatborden; – de wielophanging en vering; – stuurinrichting. • Bij verlichting: goede staat en werking van de wettelijke verlichtingen/reflectie/markering. • Bij de ruiten: – voorruit en zijruiten (schoon, geen barst in zichtveld bestuurder); – goede staat en werking van de ruitenwissers. • Koppelmechanisme (alleen bij D(1)E): – het koppelmechanisme controleren; – de lucht-, elektro- en ABS-verbindingen controleren. |
R |
|
1.3 |
Vloeistoffen controleren en aanvullen |
De kandidaat is in staat alle noodzakelijke brand- en vloeistofniveaus te controleren en kan uitleggen hoe deze eventueel aan te vullen. |
R |
|
1.4 |
Controle en gebruik in het voertuig |
De kandidaat is in staat om de noodzakelijke controles aan de binnenzijde van het voertuig uit te voeren en weet hoe om te gaan met afwijkingen van: – meetinstrumenten; – controleapparaten; – waarschuwingsinrichtingen; – veiligheidsvoorzieningen (bijvoorbeeld brandblussers, EHBO-benodigdheden); – de staat van het interieur; – bedrijfsdeuren en nooduitgangen; – de gordels op passagierszitplaatsen. |
R |
|
1.5 |
Het voertuig rijklaar maken |
De kandidaat is in staat om voor de uitvoering van een rit het voertuig rijklaar te maken door juist afstellen van: – de stoel; – de spiegels en/of zichtsystemen; – de veiligheidsgordel; – de hoofdsteun; – het stuur. |
R |
|
2. |
Professioneel rijgedrag (1.3 Bijlage I, richtlijn 2003/59/EG, 8.4.1, 9.3.2, Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
||
|
2.1 |
Professioneel rijgedrag toepassen volgens de principes van het milieu- en energiebewust rijgedrag |
De kandidaat is in staat om tijdens de rit de principes van het professioneel rijgedrag toe te passen: – starten zonder gas geven; – wijze van accelereren en schakelen (zo vroeg mogelijk naar een hogere versnelling, rekening houdend met een zo optimaal mogelijk toerental); – rijden met een gelijkmatige snelheid; – voldoende afstand bewaren ten opzichte van medeweggebruikers; – anticiperen op verkeersontwikkelingen; – wijze van vertragen (uitrollen in de versnelling, gebruik maken van het rolvermogen van het voertuig); – het gebruik van hulpremsystemen; – comfortabel rijden met passagiers. |
R |
|
3. |
Verkeersgedrag tijdens een rit (1.5 Bijlage I, richtlijn 2003/59/EG, 8.1.9, 8.3, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.3.5, 8.3.6, 8.3.7, 8.3.8, 8.4.1 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
||
|
3.1 |
Veilig verkeersgedrag |
• De kandidaat is in staat om tijdens een rit veilig verkeersgedrag te tonen. • De kandidaat is in staat veilig weg te rijden na een stop in en buiten het verkeer. • De kandidaat is in staat om op de weg veilig verkeersgedrag te tonen tijdens: – het rijden op rechte weggedeelten; – het rijden van bochten in het wegverloop; – het naderen en passeren van kruispunten; – het afslaan; – het in- en uitvoegen; – het inhalen en voorbijgaan; – tegemoetkomen en ingehaald worden; – het wisselen van rijstrook en andere zijdelingse verplaatsingen. • De kandidaat is in staat om bij bijzondere weggedeelten veilig verkeersgedrag te vertonen tijdens: – het wegrijden vanuit/inrijden van een in- en uitrit; – het rijden op een erf; – het naderen en oversteken van spoorwegovergangen; – het naderen en passeren van (voetgangers)oversteekplaatsen; – het naderen en passeren van tram- en bushaltes; – het naderen en passeren van rotondes; – het rijden van stijgende en/of dalende wegen over een langere afstand; – het rijden door tunnels. |
R |
|
3.2 |
Algemeen verkeersgedrag |
De kandidaat laat tijdens de rit zien te beschikken over een defensieve en sociale rijstijl: – rekening houden met de belangen van medeweggebruikers en het comfort van passagiers; – anticiperen op verkeersontwikkelingen; – positieve communicatie met medeweggebruikers. |
R |
|
3.3 |
Kijkgedrag |
De kandidaat laat tijdens de rit zien te beschikken over juist en functioneel kijkgedrag gericht op bewust waarnemen van de verkeerssituatie: – rondom het voertuig kijken; – gebruik maken van aanwezige zichtsystemen (spiegels, camera’s en dergelijke) zowel binnen als buiten het voertuig; – dichtbij kijken; – ver weg kijken. |
R |
|
3.4 |
Route uitzetten en rijden |
De kandidaat is in staat om: – op basis van een ritopdracht een route uit te zetten met gebruik van hulpmiddelen (navigatieapparatuur, plattegrond en/of stratenboek); – een route te rijden met gebruik van hulpmiddelen (navigatieapparatuur, plattegrond en/of stratenboek) zodanig dat dit geen gevaar of onnodige hinder voor het overige verkeer oplevert. |
R |
|
4. |
Bijzondere verrichtingen (8.2, 8,2.1, 8.2.2, 8.2.4 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
||
|
4.1 |
Bijzondere verrichtingen uitvoeren (D(1) en D(1)E) |
• De kandidaat is in staat de volgende bijzondere verrichtingen uit te voeren: – recht achteruitrijden; – achteruitrijden van een aangegeven bocht; – keren door middel van steken; – het maken van een halve draai (alleen voor D(1)); – hellingproef; – parkeren om passagiers veilig te laten in- en/of uitstappen; – halteren; – achterwaarts parkeren op een aangegeven plaats. • Tijdens de bijzondere verrichting is de kandidaat in staat rekening te houden met de verkeersveiligheid. |
|
|
4.2 |
Bijzondere verrichtingen uitvoeren (alleen voor D(1)E) |
De kandidaat is in staat om een voertuig en aanhangwagen die niet in het verlengde van elkaar staan: – te koppelen (hierbij dienen de voertuigen niet in het verlengde van elkaar te staan); – los te koppelen. |
R |
|
5. |
Voertuigbeheersing richtlijn (1.5, 1.6 Bijlage I, richtlijn 2003/59/EG, 9.3.1 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
||
|
5.1 |
Voertuigbeheersing en -bediening |
• De kandidaat is in staat om tijdens de rit het voertuig correct te bedienen door juist gebruik van: – de koppeling (niet bij automaat); – gaspedaal; – de rem (inclusief alternatieve remmen indien aanwezig); – de versnelling (juiste versnelling bij het profiel van het wegdek/belasting van het voertuig). • De kandidaat is in staat om tijdens de rit het voertuig correct te besturen. • De kandidaat is in staat om tijdens de rit alle onderdelen van het dashboard en cabine te gebruiken, zonder hierbij gevaar of onnodige hinder te veroorzaken: – verlichting; – richtingaanwijzers; – ruitenwissers; – airco/verwarming; – bestuurderondersteunende systemen; – andere rijtechnische voorzieningen. • De kandidaat is in staat om de deuren veilig te openen en te sluiten. |
|
|
6. |
Ergonomie en veiligheid (8.1.2 en 8.3.9 Bijlage II, richtlijn 2006/126/EG) |
||
|
6.1 |
Ergonomie |
• De kandidaat heeft tijdens de rit een juiste zit- en stuurhouding. • De kandidaat is in staat om persoonlijke blessures te voorkomen door juist in- en uitstap gedrag. |
R |
|
6.2 |
Veiligheid |
• De kandidaat maakt tijdens de rit gebruik van de veiligheidsgordels. • De kandidaat is in staat de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen bij het verlaten van het voertuig ter voorkoming van ongevallen en criminaliteit. |
R |