Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 oktober 2012, nr. CZ-3131585, houdende nieuwe eisen inzake de ambulancezorg (Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg)
Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b.
A1-rit: een spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de meldkamer in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten;
c.
ambulancebijstandsplan: protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances;
d.
buitenlandvervoer: het vervoeren van patiënten onder medische begeleiding op basis van een medische indicatie vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd, met inbegrip van het vervoer per ambulance vanaf of naar de Nederlandse luchthavens van patiënten voor wie ambulancezorg is aangewezen vanwege een in het buitenland of Nederland opgelopen ziekte of ontstaan ongeval;
triage: het dynamische traject van urgentie bepalen en het vervolgtraject indiceren ten behoeve van een juiste en adequate hulpverlening.
Hoofdstuk
II
Spreiding en beschikbaarheid
Artikel
2
1
De Regionale Ambulancevoorziening geeft in overleg met de zorgverzekeraars in de regio uitvoering aan het in bijlage 1 opgenomen referentiekader spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances.
2
De Regionale Ambulancevoorziening draagt zorg voor voldoende beschikbaarheid van ambulances en personeel om het in bijlage 1 opgenomen referentiekader uit te voeren.
3
De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de spreiding van standplaatsen van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de spreiding van de standplaatsen zodanig is dat in de desbetreffende regio minstens 97% van de bevolking binnen 15 minuten responstijd kan worden bereikt door een ambulance.
4
De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de beschikbaarheid van ambulances van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de bereikbaarheid is gewaarborgd.
Hoofdstuk
III
Landelijke eisen ambulancezorg
§
1
Algemeen
Artikel
3
De Regionale Ambulancevoorziening is in Nederland gevestigd.
Artikel
4
De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.
Artikel
5
De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.
Artikel
6
Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.
§
2
De cliënt
Artikel
7
1
De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat onder normale omstandigheden in ten minste 95% van de A1-meldingen een ambulance binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse is. De Regionale ambulancevoorziening kan hier in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd van afwijken.
2
De Regionale Ambulancevoorziening heeft over de normen voor de wachttijden van het planbare vervoer afspraken met de zorginstellingen in de regio. De planning van het planbare vervoer wordt ondersteund door een adequaat werkend geautomatiseerd systeem.
3
De Regionale Ambulancevoorziening analyseert periodiek de oorzaken van overschrijding van de 15 minuten responstijd en neemt maatregelen om deze zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel
8
1
De Regionale Ambulancevoorziening past zorgdifferentiatie toe onder de volgende voorwaarden:
a.
op basis van sectorbrede inzetcriteria wordt bepaald welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoorde ambulancezorg, en
b.
zorgdifferentiatie gaat niet ten koste van de inzetbaarheid van materieel en personeel die nodig zijn om verantwoorde ambulancezorg te leveren in normale en opgeschaalde omstandigheden.
2
De Regionale Ambulancevoorziening levert veilige ambulancezorg. Daartoe is een veiligheidsmanagementsysteem aanwezig.
§
3
Prijs en doelmatigheid
Artikel
9
1
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een meerjarenbegroting, gekoppeld aan een meerjarenbeleidsplan (het Regionaal Ambulanceplan), waarmee de financiën en het beleid voor de langere termijn kan worden overzien en tijdig worden bijgestuurd.
2
De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks een plan op. Hierin worden inhoud en financiën gekoppeld. In de aan het jaarplan gekoppelde begroting worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.
3
De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan de ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt. In afwijking van de eerste zin wordt de jaarrekening over het jaar 2019 uiterlijk vóór 1 oktober 2020 vastgesteld.
4
In de begroting en de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van ambulancezorg duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.
5
De Regionale Ambulancevoorziening heeft afgeleid van het jaarplan financiële drie-, vier-, of zesmaandelijkse rapportages, waarbij inhoud aan financiën is gekoppeld en de rechtspersoon beschikt over een planning en controlecyclus.
§
4
Samenwerking in de zorgketen en met buur- en grensregio’s
Artikel
10
De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.
Artikel
11
1
Ten behoeve van het leveren van verantwoorde zorg heeft de Regionale Ambulancevoorziening schriftelijke afspraken met:
a.
de partners in de acute zorgketen, waarbij met de ziekenhuizen in ieder geval de beschikbare opnamecapaciteit en de overdracht van patiënten wordt betrokken en met de huisartsen de inzet en beschikbaarheid tijdens de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-uren),
b.
de naburige Regionale Ambulancevoorzieningen over in ieder geval de open grens benadering en de onderlinge assistentie,
c.
de Belgische of Duitse meldkamers en ambulancediensten indien de regio van de Regionale Ambulancevoorziening aan de regio van een buitenlandse ambulancedienst grenst, en
d.
de directeur publieke gezondheid over mogelijke dienstverlening voor speciale evenementen.
2
De Regionale Ambulancevoorziening voert minimaal halfjaarlijks overleg over de afspraken, bedoeld in het eerste lid, en evalueert deze.
§
5
Het personeel
Artikel
12
1
De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over kwalitatief en kwantitatief voldoende deskundig personeel om verantwoorde ambulancezorg te kunnen leveren.
2
Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid past de Regionale Ambulancevoorziening in ieder geval een opleiding- en bekwaamheidsbeleid toe, gebaseerd op een meerjarenopleidingsplan.
3
Het management van de Regionale Ambulancevoorziening is van onbesproken gedrag.
4
De veiligheid van het personeel tijdens de uitoefening van hun functie in de publieke ruimte wordt structureel door de Regionale Ambulancevoorziening geïnventariseerd en minimaal vierjaarlijks wordt een risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd.
5
De tevredenheid van het personeel wordt door de Regionale Ambulancevoorziening minimaal vierjaarlijks onderzocht.
§
6
De organisatie
Artikel
13
De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.
Artikel
14
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.
Artikel
15
De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.
Artikel
16
De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.
§
7
De meldkamer ambulancezorg
Artikel
17
Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval:
a.
de verdeling van taken in de meldkamer,
b.
de bijdrage van de Regionale Ambulancevoorziening aan het informatiemanagement,
c.
het gebruik en het beheer van de technische infrastructuur,
d.
de bescherming van patiëntgerelateerde en medische gegevens,
e.
de financiering van de gemeenschappelijk kosten, en
f.
het continuïteitsplan voor de meldkamer.
Artikel
19
1
De Regionale Ambulancevoorziening controleert en verbetert continu de selectie en triage bij de ambulancezorg.
2
De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat in de meldkamer de zorgintake en de zorgindicatie geschiedt door een op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundige.
§
8
Opschaling
Artikel
20
1
De Regionale Ambulancevoorziening heeft schriftelijk afspraken met de directeur publieke gezondheid over het multidisciplinaire oefenen, de inzet bij evenementen en de voorbereiding op de inzet bij een ramp of crisis.
2
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen:
a.
de procedures die worden gevolgd bij een ramp of crisis, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de aspecten alarmering, opschaling, coördinatie, informatiemanagement en evaluatie,
b.
de wijze waarop en de mate waarin personeel en materieel wordt ingezet,
c.
de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van personeel, ruimte en materieel,
d.
de wijze van trainen en oefenen met het oog op het gezamenlijk optreden bij de rampenbestrijding en crisisbeheersing en de frequentie waarin getraind en geoefend wordt,
e.
de samenwerking tussen de Regionale Ambulancevoorziening, de directeur publieke gezondheid, de regionale zorginstellingen en andere relevante hulpverleningsinstanties werkzaam in de regio, en
f.
het onderhoud en beheer van materiaal voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.
Artikel
21
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.
§
9
Regionale eisen ambulancezorg
Artikel
22
1
Voor de Veiligheidsregio Zuid-Limburg geldt de eis dat de betreffende Regionale Ambulancevoorziening ervaring heeft met internationale, grensoverschrijdende ambulancezorg en in staat is om te werken volgens de protocollen en afspraken zoals deze zijn vastgelegd in het samenwerkingsdocument ‘Eumed Euregio Maas-Rijn van 2007’.
2
Voor de Veiligheidsregio Haaglanden en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland geldt dat op de meldkamer 7 x 24 uur minimaal twee op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundigen aanwezig zijn die verantwoordelijk zijn voor de zorgintake en de zorgindicatie.
vervoer met ambulances van het Nederlandse Rode Kruis van personen van wie de gezondheidstoestand door het vervoer niet negatief zal worden beïnvloed, uitsluitend voor zover dit betreft vervoer:
–
van en naar het Rode Kruis Hospitaal-schip J. Henri Dunant en de Rode Kruis tehuizen ‘de Valkenburg’ en ‘IJsselvliedt’, alsmede voorafgaand aan en volgend op dagboottochten;
–
in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen;
b.
vervoer met ambulances van ziekenhuizen op het ziekenhuisterrein;
c.
vervoer met Belgische ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor het Comité van Ministers van de Benelux een beschikking heeft uitgebracht op 8 december 2009;
d.
vervoer met Duitse ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor tussen een Regionale Ambulancevoorziening en een Duitse ambulancedienst en meldkamer afspraken zijn gemaakt;
e.
vervoer met ambulances van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard;
f.
vervoer met ambulances op een bedrijfsterrein en van dat bedrijfsterrein naar een ziekenhuis, behandelend arts of de woning van de patiënt;
g.
het buitenlandvervoer.
2
Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt, voordat het vervoer aanvangt, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin dit vervoer aanvangt en mag slechts worden verricht met inachtneming van de instructies van die meldkamer.
3
Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt:
a.
voor zover dit plaatsvindt vanuit het buitenland naar Nederland, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin de eindbestemming van dat vervoer is gelegen;
b.
voor zover dit plaatsvindt naar het buitenland, aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waar de patiënt wordt opgehaald.
§
2
Landelijke eisen voor buitenlandvervoer
Artikel
26
Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.
Artikel
27
1
De vervoerder dient zich eenmalig vóór aanvang van het buitenlandvervoer te registreren bij de minister (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, postbus 20350, 2500 EJ Den Haag, t.a.v. de directie Curatieve Zorg).
2
Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld: de handelsnaam van het bedrijf, het correspondentie- en vestigingsadres en het inschrijvingsnummer in het Handelsregister.
Artikel
28
De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.
Artikel
29
De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.
Artikel
30
De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.
Artikel
31
De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.
Artikel
32
1
De vervoerder stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan het buitenlandvervoer, inzichtelijk gemaakt.
2
In de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van het buitenlandvervoer duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.
3
In afwijking van het eerste lid wordt de jaarrekening over het jaar 2019 uiterlijk vóór 1 oktober 2020 vastgesteld.
Artikel
33
1
De vervoerder overlegt aan de minister de volgende gegevens:
De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.
3
In afwijking van het tweede lid worden de gegevens die betrekking hebben op het jaar 2019 uiterlijk vóór 1 oktober 2020 verstrekt. De gegevens, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wet normering topinkomens met betrekking tot 2019 worden vóór 1 oktober 2020 openbaar gemaakt.
Artikel
34
De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.
Hoofdstuk
Va
Overgangsrecht
Artikel
34a
De artikelen 23 en 24 alsmede bijlage 2, zoals die luidden voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II van de Wijziging Regeling verslaggeving WTZi verslagjaar 2020, blijven van toepassing op de door een Regionale Ambulancevoorziening op grond van artikel 10 van de Tijdelijke wet ambulancezorg te verstrekken gegevens over het jaar 2019.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.I.Schippers
Bijlage
1
Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019
Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019
Dit rapport bevat een erratum d.d. 02-12-2019 na pagina 46
RIVM Briefrapport 2019-0157
Publiekssamenvatting
Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019
Op basis van ritgegevens over het jaar 2018 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 626 ambulances nodig, twaalf meer dan uit de doorrekening over 2017 bleek. De berekeningen wijzen uit dat er op zaterdagen overdag twaalf en op zondagen overdag elf ambulances meer nodig zijn dan in het referentiekader-2018 was bepaald.
De stijging op landelijk niveau van twaalf ambulances is groter dan in het referentiekader-2018. Toen waren er nog vijf ambulances meer nodig ten opzichte van het voorgaande jaar. De toename komt doordat er 2 procent meer spoedeisende inzetten waren dan in 2017. Ook steeg de gemiddelde ritduur in 2018: met 3,2 procent voor inzetten voor levensbedreigende situaties (A1-urgentie), met 2,4 procent voor inzetten voor niet levensbedreigende situaties (A2-urgentie), en met 5,8 procent voor planbare inzetten. Het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg daalde met 3,0 procent.
De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land.
In opdracht van het Ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2019 geactualiseerd met cijfers over het gebruik van ambulancezorg in Nederland in 2018.
Kernwoorden: ambulancezorg, referentiekader, spreiding en beschikbaarheid, capaciteitsmodel
Synopsis
Frame of reference for distribution and availability of ambulance care 2019
Based on production data for 2018, RIVM calculated how many ambulances are needed in the Netherlands. On workdays 626 ambulances are needed during the day, twelve more than calculated for 2017. On workdays in the evening, nine more ambulances are needed. On weekends, this varies between five and twelve ambulances, depending on the day and time.
The increase of the number of ambulances needed is more than in 2017. In 2017, compared to the year before, five more ambulances were needed. The slight increase in the number of ambulances needed is related to the increase in the number of emergency ambulance services and the average service time in 2018. The number of emergency services increased by 2.0 percent, the number of planned services decreased by 4.0 percent. The average service time increased by 3.2 percent for emergency services with A1-urgency, by 2.4 percent for A2-urgent services and by 5.8 percent for planned services.
The required capacity of ambulance care in the Netherlands is calculated using a national ambulance plan. This is a framework that defines the number of ambulances with which ambulance care can be carried out in the Netherlands, given a number of preconditions, such as the time after notification within which an ambulance must be on site and the distribution of the stations.
On behalf of the Ministry of Health, Welfare and Sport, RIVM updated the national ambulance plan in 2019 with figures on the use of ambulance care in the Netherlands in 2018.
Keywords: ambulance care, national ambulance plan, distribution and availability, capacity model
Inhoudsopgave
Samenvatting
3
Inleiding
4
Productiecijfers 2018
5
Productie 2018
5
Nadere selecties voor het referentiekader
6
Referentiekader spreiding en beschikbaarheid 2019 ─
9
Conclusies en discussie
13
Referenties
14
Bijlage 1: Regio-indeling
16
Bijlage 2: Spreiding referentiekader 2019
17
Bijlage 3: Selectie en herverdelen van inzetten
22
Samenvatting
Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per Regionale Ambulancevoorziening (RAV)-regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Het referentiekader wordt jaarlijks geactualiseerd. In 2019 is het referentiekader opnieuw doorgerekend op basis van productiecijfers van de ambulancezorg over het jaar 2018. In deze actualisatie is gebruik gemaakt van dezelfde rekenmodellen als in de vorige doorrekening die in 2018 heeft plaatsgevonden.
Productie 2018 in het referentiekader-2019
De capaciteitsberekeningen van het referentiekader zijn gebaseerd op de productiecijfers over 2018. Deze productiecijfers worden door Ambulancezorg Nederland (AZN) gepubliceerd in het Sectorkompas Ambulancezorg. Voor het referentiekader wordt, op basis van bepaalde uitgangspunten en randvoorwaarden, een aantal ritten uit de productie weggelaten. Dit betreft inzetten zonder tijdenregistratie en inzetten van een rapid responder waarbij er een tweede ambulance is ingezet. Op basis van deze filters wordt 0,9 procent van de totale productie uit de selectie gefilterd. Het referentiekader gaat uit van 1.310.461 inzetten, waarvan 608.682 met A1-urgentie, 374.845 met A2-urgentie en 326.934 inzetten in de planbare ambulancezorg (B-urgentie). In vergelijking met de cijfers voor het referentiekader-2018 is dat een stijging van in totaal 0,6 procent. Tussen regio’s bestaan grote verschillen in productiegroei. De groei van de totale productie varieert tussen –4,0 en +5,0 procent.
Bewerking voor het referentiekader
Voor het referentiekader is er één bewerking van de gegevens, namelijk een herverdeling van spoedritten. Deze herverdeling wordt ook wel een ‘correctie voor burenhulp’ genoemd en is uitgangspunt van het referentiekader. Uitgaande van het adres waar de ambulance de patiënt heeft verzorgd, het ‘afhaaladres’, worden inzetten toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats, op basis van kortste rijtijd. De standplaats bepaalt aan welke RAV de productie voor de capaciteitsberekening wordt toegewezen. De standplaatslocaties zijn afkomstig uit het spreidingsplan van het referentiekader. Door de herverdeling kan een deel van de productie van een RAV worden toegewezen aan een andere RAV. Het totaal aantal inzetten blijft onveranderd door de herverdeling. Inzetten in de planbare ambulancezorg worden niet herverdeeld maar blijven toegewezen aan de RAV die de inzet heeft uitgevoerd.
Gemiddelde ritduur
De gemiddelde ritduur is geschat aan de hand van een selectie van ritten met valide tijdenregistratie. Landelijk is de gemiddelde ritduur van alle soorten inzetten (urgent en planbaar) toegenomen: met 2 minuten en 1 seconde (A1-urgentie), 1 minuut en 28 seconden (A2-urgentie) en 4 minuten en 43 seconden (B-urgentie).
Uren ambulancezorg in de capaciteitsberekening
De capaciteitsberekeningen van het referentiekader worden uitgevoerd op regionaal niveau, met differentiatie naar dagsoort en uur van de dag. In het model wordt op detailniveau het aantal uren ambulancezorg bepaald waarvoor ambulancecapaciteit nodig is. In totaal gaat het referentiekader uit van 1.528.388 uren verleende ambulancezorg in 2018, een stijging van 4,1% ten opzichte van 2017. Daarvan zijn 1.064.244 uren spoedeisende ambulancezorg en 464.144 uren planbare ambulancezorg. Ten opzichte van 2017 is het aantal geleverde uren spoedeisende ambulancezorg in 2018 met 4,9% gestegen. De stijging van het aantal uren planbare ambulancezorg was 2,6%. Ten opzichte van het totaal aantal van 8.760 beschikbare uren op jaarbasis werd door de Nederlandse ambulancezorg in 2018 elk uur 174 uur ambulancezorg geleverd. Een stijging van 4 uur (4,1%) ten opzichte van 2017.
Resultaten referentiekader-2019
Op werkdagen overdag (8–16 uur) zijn 626 ambulances nodig. Dit zijn twaalf meer dan in het referentiekader-2018. Op werkdagen in de avonduren (16–24 uur) zijn er negen ambulances meer nodig, in de nachturen (0–8 uur) zijn er vier ambulances meer nodig dan in het referentiekader-2018. Op zaterdagen en zondagen varieert het aantal extra benodigde ambulances tussen +5 en +11. Omgerekend naar het aantal benodigde diensten betekent dit dat volgens het referentiekader-2019 er 9.039 diensten ambulancezorg nodig zijn, 2,0% meer dan in 2018 was berekend. Een dienst is hierbij gedefinieerd als het verlenen van 8 uur ambulancezorg door een ambulanceteam. Voor het verlenen van ambulancezorg over een etmaal zijn dan drie diensten nodig.
Inleiding
Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per RAV in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met de capaciteit die nodig is om voldoende geografische dekking te garanderen. In het referentiekader wordt aan de hand van vooraf gekozen uitgangspunten en randvoorwaarden modelmatig de benodigde spreiding en capaciteit berekend. De uitgangspunten en randvoorwaarden beschrijven een bepaald minimumniveau voor de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg. Het rekenmodel waarmee de benodigde capaciteit wordt berekend is hierop toegesneden. De berekeningen zijn gebaseerd op ritgegevens van de ambulancezorg in een basisjaar.
De Minister van VWS stelt het referentiekader vast. Dat gebeurde voor het eerst in 2004, actualisaties volgden in 2008, 2013, 2016, 2017 en in 2018 (Ministerie van VWS, 2004; 2008; 2013; 2016; 2017; 2018). De uitkomsten van het referentiekader vormen de basis voor het bekostigingsmodel voor de ambulancezorg dat door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt beheerd. Het RIVM beheert de rekenmodellen voor het referentiekader en rekent deze in opdracht van het Ministerie van VWS door (PVAZ, 2004), (Kommer en Zwakhals, 2009; 2013a; 2016; Kommer en Mulder, 2017; 2018). Naast deze rapportages van het referentiekader zijn de afgelopen jaren drie achtergrondrapporten gepubliceerd. Een gedetailleerde documentatie van het rijtijden en capaciteitsmodel is gegeven in het achtergrondrapport uit 2011 (Kommer en Zwakhals, 2011). In de achtergrondrapporten uit 2013 en 2017 zijn verschillende modelvarianten uitgewerkt die inzicht bieden in het effect van alternatieve uitgangspunten en aannames op de uitkomsten van het referentiekader (Kommer en Zwakhals, 2013; Kommer et al.; 2017).
Actualisatie van het referentiekader in 2019
In opdracht van het Ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2019 geactualiseerd. Dit rapport geeft hiervan verslag. De rekenmodellen, uitgangspunten en randvoorwaarden zijn gelijk aan het referentiekader-2018. Het enige verschil ten opzichte van het referentiekader-2018 is gelegen in de gebruikte ritgegevens. Het referentiekader-2018 maakte gebruik van ritgegevens over het productiejaar 2017, het referentiekader-2019 is gebaseerd op ritgegevens over 2018. De ritgegevens, het aantal inzetten en de ritduur, bepalen het aantal uren ambulancezorg waarop de capaciteitsberekeningen zijn gebaseerd. Nieuw in 2019 is dat het RIVM ritgegevens die gebruikt worden in het capaciteitsmodel van het referentiekader, deelt met de RAV’s en zorgverzekeraars. Deze tabel met ritgegevens is te groot voor opname in het rapport en wordt daarom digitaal toegestuurd. Aan de hand van deze gegevens kunnen de partijen een inschatting maken van het volume en de kosten van de grensoverschrijdende assistentie waar het referentiekader vanuit gaat.
Terminologie
In de toelichting op de bewerking van de ritgegevens voor de doorrekening van het referentiekader is het noodzakelijk om bepaalde kenmerken van de ambulancezorg en de geregistreerde ritgegevens te bespreken. De terminologie die in dit rapport wordt gehanteerd sluit aan bij het Uniform Begrippenkader Ambulancezorg van Ambulancezorg Nederland (AZN, 2013). Voor de leesbaarheid wordt in enkele gevallen alternatieve terminologie gebruikt. Meestal wordt de term inzet gehanteerd voor een dienstverlening door een ambulance maar soms spreken we van een rit. In de meeste gevallen vindt er bij een inzet/rit daadwerkelijk vervoer van de patiënt plaats, dit zijn declarabele inzetten. In een aantal gevallen wordt ter plaatse eerste hulp verleend maar vindt geen vervoer van de patiënt plaats. Dit zijn EHGV-inzetten (Eerste hulp geen vervoer). In sommige gevallen wordt geen patiënt aangetroffen of wordt ter plaatse geconcludeerd dat hulpverlening niet noodzakelijk is. In die gevallen is er noch hulpverlening geweest noch vervoer. Dit zijn zogenaamde loze ritten. In al deze gevallen is de ambulance ter plaatse gekomen. Er zijn ook gevallen waarbij de inzet vroegtijdig wordt geannuleerd of afgebroken. Als de ambulance op het tijdstip van annulering al rijdt is er sprake van een afgebroken rit. Als het ambulanceteam wel een opdracht heeft gekregen, maar nog niet is uitgerukt, is er sprake van een geannuleerde rit. Inzetten van de ambulance hebben altijd een urgentiecodering. Voor spoedeisende inzetten is dit een A-urgentie. Bij levensbedreigende situaties wordt een inzet onder A1-urgentie uitgevoerd, anders is er A2-urgentie. Naast de spoedeisende inzetten zijn er ook inzetten in de planbare ambulancezorg. Dit zijn inzetten met B-urgentie, hierbij wordt een tijdstip afgesproken voor het halen of brengen van een patiënt. Vaak wordt de patiënt van of naar een ziekenhuis of andere zorginstelling gebracht voor therapie of behandeling. Het planbare vervoer wordt soms ook besteld vervoer of B-vervoer genoemd.
De regio-indeling van het referentiekader wijkt af van de reguliere RAV-indeling omdat in het referentiekader de zogenaamde ‘eilandbenadering’ wordt gehanteerd. In deze benadering wordt de capaciteitsberekening voor de Waddeneilanden, voor Goeree-Overflakkee en voor de Zeeuwse (schier-)eilanden apart berekend. Ook wordt de capaciteitsberekening voor de regio’s Zaanstreek-Waterland en Amsterdam-Amstelland apart gedaan, waar deze twee regio’s in de praktijk in veel opzichten organisatorisch één geheel vormen. In Bijlage 1 is een nummering gegeven van de regio’s zoals in het referentiekader gehanteerd. Deze nummering wordt in een aantal tabellen in dit rapport gehanteerd. Voor de productiecijfers, zoals gehanteerd in het Sectorkompas Ambulancezorg, voorheen de rapportage Ambulances in-zicht, hanteren we de term ‘RAV’, voor de indeling van het referentiekader hanteren we de term ‘regio’.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden de productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg besproken. Paragraaf 2.1 geeft de cijfers zoals de ambulancesector publiceert in het Sectorkompas Ambulancezorg. De selecties die voor het referentiekader zijn gedaan worden in paragraaf 2.2 besproken. In paragraaf 2.3 zijn de cijfers van de gemiddelde ritduur gegeven. Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader. Hoofdstuk 4 geeft de conclusies en geeft een discussie op de actualisatie van het referentiekader. In de bijlages van dit rapport is detailinformatie van de modellering en bewerking van de ritgegevens.
Productiecijfers 2018
Cijfers over de vraag naar, het aanbod van en de prestaties in de ambulancezorg in Nederland worden jaarlijks door Ambulancezorg Nederland (AZN) op de website Sectorkompas Ambulancezorg gepubliceerd1https://www.ambulancezorg.nl/sectorkompas. Voor 2017 heette deze rapportage Ambulances in-zicht. Het RIVM verzorgt sinds 2008 de verzameling en analyse van de logistieke gegevens. In de jaarlijkse cyclus wordt in januari begonnen met het verzamelen van ritgegevens. Meestal zijn de productie- en prestatiecijfers in juni vastgesteld. Voor deze vaststelling is er afstemming van de RIVM-analyses met de 25 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s). Er wordt aan elke RAV goedkeuring gevraagd van de door het RIVM geanalyseerde productie- en prestatiecijfers.
Dit hoofdstuk beschrijft de selecties van ritgegevens voor het referentiekader. De productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg liggen aan de basis van het referentiekader (paragraaf 2.1). Voor het referentiekader wordt een aantal inzetten uitgesloten, dit gebeurt op grond van de uitgangspunten van het referentiekader (paragraaf 2.2). Voor de schattingen van de gemiddelde ritduur zijn enkele specifieke selecties gedaan (paragraaf 2.3).
Productie 2018
De productie van de Nederlandse ambulancezorg in 2018 is gegeven in tabel 2.1. Deze cijfers hebben betrekking op de reguliere productie en zijn door AZN gepubliceerd op de website Sectorkompas Ambulancezorg (AZN, 2018). Details over de selectie van inzetten voor de productiecijfers van de ambulancezorg, de nadere selecties voor het referentiekader en de herverdeling van spoedritten die voor het referentiekader wordt uitgevoerd zijn gegeven in Bijlage 3.
De totale productie van de ambulancezorg is in 2018 met 0,7 procent gestegen. Het aantal spoedeisende inzetten steeg met 2,0 procent, het aantal planbare inzetten daalde met 3,0 procent. Het aantal inzetten met A1-urgentie is in 2018 met 0,6% toegenomen, het aantal inzetten met A2-urgentie is met 4,5% toegenomen. Opvallend zijn de grote verschillen tussen de regio’s. De RAV met de grootste stijging van de totale productie had 5,3% stijging (Groningen), de RAV met de grootste afname van de totale productie had 2,4% afname (Rotterdam Rijnmond). Per urgentiesoort zijn de verschillen tussen minimum en maximum groei nog groter: bij A1-urgentie varieert de groei tussen –9,9% en +11,5%, bij A2-urgentie tussen –3,8% en +22,7% en bij de planbare ambulancezorg tussen –2,3% en +9,2%. Er is geen onderzoek gedaan naar de achtergronden van deze verschillen in groeicijfers.
Tabel 2.1: Productiecijfers 2018 per RAV en de verandering ten opzichte van 2017 (bron: AZN 2018; 2019, cijfers bewerkt door RIVM).
1
Groningen
24.542
16.230
16.139
56.911
–0,5
10,9
9,3
5,3
2
Friesland
23.986
16.549
10.213
50.748
3,2
7,5
–10,2
1,4
3
Drenthe
19.916
13.414
10.274
43.604
0,7
7,9
0,4
2,7
4
IJsselland
14.673
11.050
9.511
35.234
1,5
0,5
2,7
1,5
5
Twente
14.705
15.497
10.576
40.778
–1,9
2,6
–1,4
–0,1
6
Noordoost Gelderland
20.588
15.487
11.290
47.365
–1,2
–3,8
0,1
–1,7
7
Midden Gelderland
21.087
14.350
8.876
44.313
1,1
4,3
–8,1
0,1
8
Gelderland Zuid
16.757
13.866
11.618
42.241
5,4
7,9
0,6
4,9
9
Utrecht
37.049
26.946
28.223
92.218
1,4
2,7
–4,4
–0,1
10
Noord-Holland Noord
23.375
12.899
7.742
44.016
0,3
5,5
–0,5
1,6
11
Amsterdam/Waterland1
65.688
22.203
37.957
125.848
–2,5
6,7
–4,7
–1,7
12
Kennemerland2
23.975
10.455
9.240
43.670
–2,5
9,5
–3,1
0,0
14
Gooi- en Vechtstreek
8.076
4.232
5.884
18.192
7,9
4,3
–9,1
1,0
15
Haaglanden
46.091
26.092
25.972
98.155
–2,2
1,8
–5,8
–2,2
16
Hollands Midden
29.401
16.108
12.236
57.745
3,5
7,7
–5,0
2,6
17
Rotterdam-Rijnmond
51.082
30.067
30.860
112.009
–1,8
2,5
–7,7
–2,4
18
Zuid-Holland Zuid
17.099
9.731
9.205
36.035
6,6
–2,5
–4,4
1,1
19
Zeeland
14.375
9.376
5.393
29.144
3,9
0,7
3,2
2,7
20
Midden- en West Brabant
38.963
29.125
20.795
88.883
0,0
5,7
1,8
2,2
21
Brabant-Noord
22.630
14.712
8.599
45.941
4,6
–0,8
5,0
2,9
22
Brabant-Zuidoost
24.857
16.756
12.945
54.558
–1,1
10,5
2,8
3,2
23
Limburg Noord
19.419
11.705
5.932
37.056
4,0
–3,5
–10,7
–1,0
24
Zuid Limburg
23.596
14.276
13.086
50.958
11,5
5,6
–8,6
4,0
25
Flevoland
12.729
9.655
4.838
27.222
–9,9
22,7
6,0
2,5
Totaal
614.659
380.781
327.404
1.322.844
0,6
4,5
–3,0
0,7
1 Cijfers van de RAV’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland zijn in deze tabel samengenomen onder RAV Amsterdam/Waterland.
2 In de productiecijfers van RAV Kennemerland zijn inzetten van de ambulancedienst van Schiphol niet meegenomen.
Nadere selecties voor het referentiekader
Voor de capaciteitsberekeningen van het referentiekader worden drie soorten inzetten uit de productie niet meegenomen. Het gaat om de volgende inzetten:
1.
Inzetten zonder valide tijdsregistratie
Deze inzetten worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen omdat deze niet kunnen worden toegedeeld naar uur van de dag. In totaal zijn hierdoor 1.056 inzetten uitgefilterd, dit komt overeen met bijna 0,8 promille van de totale productie in 2018. Dat is een vertienvoudiging ten opzichte van de ritgegevens over 2017.
2.
Inzetten van rapid responders2Een rapid responder, ook wel ‘solo-ambulance’ genoemd, is een ambulanceverpleegkundige die zelfstandig een inzet verzorgt, al dan niet in afwachting van een ambulance of andere zorgverlener. Een rapid responder kan zorg verlenen op ALS-niveau (Advanced Life Support), maar heeft geen mogelijkheid tot vervoer van de patiënt. Het voertuig van de rapid responder is een fiets, motor of een auto (zonder de mogelijkheid tot ‘liggend’ vervoer). met inzet van een tweede voertuig
De inzet van de rapid responder waarbij er een tweede voertuig is ingezet wordt in het referentiekader als ‘dubbel’ gezien en niet meegenomen in de productie. In totaal worden om deze reden 11.327 inzetten uitgefilterd, dit is 0,9% van het totaal aantal spoedeisende inzetten in 2018. Ten opzichte van de ritgegevens over 2017 is er een lichte stijging van 4,3% van het aantal uitgefilterde rapid responder inzetten.
3.
Ambulancedienst Schiphol
Inzetten van de ambulancedienst van Schiphol worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen. In 2018 waren deze inzetten niet in de productiecijfers van RAV Kennemerland meegenomen, cijfers van de ambulancedienst van Schiphol hoefden dus niet te worden uitgefilterd.
Herverdeling naar dichtstbijzijnde standplaats
Na het uitfilteren van deze inzetten is er nog een bewerking van de ritgegevens. Hierbij worden de spoedritten herverdeeld naar de dichtstbijzijnde standplaats en de bijbehorende RAV, op basis van kortste rijtijd en uitgaande van de locatie van het incident, het ‘afhaaladres’. Het totaal aantal spoedeisende inzetten blijft gelijk, er vindt alleen een herverdeling plaats tussen regio’s. Dit wordt ook wel een correctie naar ‘burenhulp’ of ‘grensoverschrijdende assistentie’ genoemd. De planbare ambulancezorg wordt niet herverdeeld. De planbare ambulancezorg (B-urgentie) blijft bij de RAV die de productie heeft uitgevoerd. Vanwege de eilandbenadering3In de ‘eilandbenadering’ van het referentiekader worden de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en de Zeeuwse (schier-)eilanden als aparte regio’s beschouwd, de benodigde capaciteit wordt voor deze ‘eilanden’ apart berekend. die het referentiekader hanteert is het wel noodzakelijk dat de planbare ambulancezorg van de eilanden wordt bepaald. Deze toedeling gebeurt op basis van afhaaladres van de inzet. Op deze manier is ook de productie van de planbare ambulancezorg van de RAV Amsterdam-Waterland opgesplitst naar de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. De inzetten in de planbare ambulancezorg van RAV Zeeland die een afhaaladres buiten de provincie Zeeland hebben zijn toegekend aan Walcheren-Bevelanden.
Inzetten in het buitenland
Spoedeisende inzetten in het buitenland worden wel meegenomen in de capaciteitsberekeningen maar vallen buiten de herverdeling. Het betreft hier reguliere inzetten in de grensstreek met Duitsland en België. Repatriëring van patiënten valt hier niet onder. Inzetten van specifieke buitenlandvervoerders, voor bijvoorbeeld repatriëring van patiënten uit het buitenland, vallen buiten de reguliere productie. Spoedritten in het buitenland worden niet meegenomen in de herverdeling van spoedritten omdat buitenlandse adressen niet voorkomen in de verzorgingsgebieden van standplaatsen. De buitenlandse inzetten worden toegewezen aan de uitvoerende RAV. De gegevens van de spoedeisende inzetten in het buitenland zijn ook meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. In 2018 zijn 344 inzetten in het buitenland uitgevoerd, 123 inzetten met A1-urgentie, 61 met A2-urgentie en 160 inzetten planbare ambulancezorg. Ten opzichte van de ritgegevens over 2017 zijn er 15% meer spoedeisende inzetten in het buitenland uitgevoerd en 48% minder planbare inzetten.
Tabel 2.2 geeft een overzicht van de uitgefilterde ritten. Bijlage 3 geeft details van deze selecties. Tabel 2.3 geeft een overzicht op RAV-niveau van het aantal inzetten dat uit de selectie is gefilterd en de aantallen inzetten in de herverdeling van spoedritten tussen regio’s. Tabel 2.4 geeft de aantallen inzetten naar urgentie zoals in het capaciteitsmodel van het referentiekader gehanteerd.
Tabel 2.2: Uitgefilterde inzetten in de selecties voor het referentiekader-2019.
Totale productie1
614.659
380.781
327.404
1.322.844
Inzetten zonder tijdsregistratie
296 –
290 –
470 –
1.056 –
Rapid responder inzetten met een vervolgauto
5.681 –
5.646 –
0 –
11.327 –
Productie in referentiekader
608.682
374.845
326.934
1.310.461
Aandeel in totale productie (%)
98,0
97,4
98,9
98,1
1 De productie 2018 is conform Tabel 2.1.
Tabel 2.3: Overzicht van het aantal spoedritten per RAV in 2018 na selecties en herverdeling voor het referentiekader-2019.
1
Groningen
40.772
486
502
40.788
2
Friesland
40.535
213
172
40.494
3
Drenthe
33.330
0
–155
33.175
4
IJsselland
25.723
472
–1.430
23.821
5
Twente
30.202
332
512
30.382
6
Noordoost Gelderland
36.075
243
–307
35.525
7
Midden Gelderland
35.437
394
–893
34.150
8
Gelderland Zuid
30.623
789
–623
29.211
9
Utrecht
63.995
2.312
600
62.283
10
Noord-Holland Noord
36.274
435
–818
35.021
11
Zaanstreek-Waterland1
19.243
0
1.841
21.084
12
Kennemerland
34.430
401
–966
33.116
13
Amsterdam-Amstelland
68.648
348
1.256
69.556
14
Gooi- en Vechtstreek
12.308
156
456
12.608
15
Haaglanden
72.183
235
1.698
73.646
16
Hollands Midden
45.509
0
–1.989
43.520
17
Rotterdam-Rijnmond
81.149
1.743
–2.025
77.381
18
Zuid-Holland Zuid
26.830
200
1.309
27.939
19
Zeeland
23.751
161
1.184
24.774
20
Midden- en West Brabant
68.088
1.307
–7
66.774
21
Brabant-Noord
37.342
557
389
37.174
22
Brabant-Zuidoost
41.613
64
–586
40.963
23
Limburg Noord
31.124
606
–259
30.259
24
Zuid Limburg
37.872
233
–60
37.579
25
Flevoland
22.384
226
146
22.304
Totaal
995.440
11.913
0
983.527
1 De productie van RAV Zaanstreek-Waterland is uit de totale productie van Amsterdam-Waterland geschat op basis van afhaaladres van de spoedeisende inzet.
Tabel 2.4: Productiecijfers 2018 per regio zoals gehanteerd in het referentiekader-2019.
1
Groningen
24.767
16.021
16.139
56.927
2
Friesland
23.219
15.849
10.071
49.139
3
Drenthe
19.800
13.375
10.274
43.449
4
IJsselland
13.465
10.356
9.511
33.332
5
Twente
14.977
15.405
10.576
40.958
6
Noordoost Gelderland
20.249
15.276
11.283
46.808
7
Gelderland Midden
20.341
13.809
8.876
43.026
8
Gelderland Zuid
16.017
13.194
11.618
40.829
9
Utrecht
36.595
25.688
28.223
90.506
10
Noord-Holland Noord
21.868
11.861
7.617
41.346
11
Zaanstreek-Waterland
15.787
5.297
5.201
26.285
12
Kennemerland
22.887
10.229
9.222
42.338
13
Amsterdam-Amstelland
51.898
17.658
32.756
102.312
14
Gooi en Vechtstreek
8.032
4.576
5.884
18.492
15
Haaglanden
47.091
26.555
25.962
99.608
16
Hollands Midden
28.012
15.508
12.236
55.756
17
Rotterdam-Rijnmond
47.283
27.596
29.406
104.285
18
Zuid-Holland Zuid
17.761
10.178
9.205
37.144
20
Midden- en West-Brabant
38.378
28.396
20.795
87.569
21
Brabant-Noord
22.558
14.616
8.599
45.773
22
Brabant-Zuidoost
24.489
16.474
12.945
53.908
23
Limburg Noord
19.042
11.217
5.932
36.191
24
Zuid Limburg
23.486
14.093
13.086
50.665
25
Flevoland
12.729
9.575
4.838
27.142
30
Texel
759
533
119
1.411
31
Vlieland
61
75
10
146
32
Terschelling
345
406
61
812
33
Ameland
205
208
47
460
34
Schiermonnikoog
46
80
24
150
35
Goeree-Overflakkee
1.588
914
1.029
3.531
36
Schouwen-Duiveland
1.494
1.071
194
2.759
37
Tholen
857
495
125
1.477
38
Walcheren en Bevelanden
8.537
5.742
3.561
17.840
39
Zeeuws-Vlaanderen
4.059
2.519
1.509
8.087
Totaal
608.682
374.845
326.934
1.310.461
1.1 Gemiddelde ritduur
In de capaciteitsberekening van het referentiekader wordt het aantal benodigde ambulances bepaald aan de hand van het aantal uren ambulancezorg dat is geleverd. Het aantal uren ambulancezorg wordt berekend door het aantal inzetten van tabel 2.4 te vermenigvuldigen met een gemiddelde ritduur. De ritduur is gedefinieerd als de tijd tussen het tijdstip ‘einde rit’ en het tijdstip ‘vertrek ambulance’. Als het tijdstip ‘einde rit’ niet is geregistreerd wordt uitgegaan van het tijdstip ‘vrijmelden’. In de berekening van de gemiddelde ritduur worden extreme waarden niet meegenomen:
−
de gemiddelde ritduur voor spoedritten is gebaseerd op ritten met een ritduur kleiner dan 4 uur;
−
de gemiddelde ritduur voor planbare ambulancezorg is gebaseerd op ritten met een ritduur groter dan 10 minuten en kleiner dan 8 uur.
De gemiddelde ritduur wordt per regio (34 regio’s) en urgentietype (3 urgenties), per tijdsinterval van twee uur (12 blokuren) en soort dag (werkdag, zaterdag, zondag) berekend. Inzetten in het buitenland in 2018 zijn integraal meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. Tabel 2.5 geeft een overzicht van de geaggregeerde gemiddelde ritduur per regio en urgentieklasse en een vergelijking met de cijfers over 2017.
Landelijk is de gemiddelde ritduur van A1-inzetten in 2018 met 2 minuten en 1 seconde toegenomen naar 65 minuten en 35 seconden. De gemiddelde ritduur van A2-inzetten is met 1 minuut en 28 seconden seconden toegenomen naar 63 minuten en 53 seconden. De gemiddelde ritduur van planbare ambulancezorg is in 2018 met 4 minuten en 43 seconden toegenomen tot 85 minuten en 22 seconden.
Tabel 2.5: Gemiddelde ritduur per regio in 2018 naar urgentieklasse (minuten en decimalen) en het verschil ten opzichte van 2017 (%).
1
Groningen
71.5
0.8
68.1
–2.2
86.8
0.3
2
Friesland
70.6
1.8
67.4
–2.0
86.1
–1.0
3
Drenthe
65.2
1.2
60.0
–2.3
83.3
1.7
4
IJsselland
68.7
–1.3
69.0
0.0
98.5
–1.9
5
Twente
67.2
–0.5
69.6
1.2
86.7
–0.7
6
Noordoost Gelderland
67.2
1.3
65.7
1.4
84.7
0.7
7
Gelderland Midden
61.0
3.5
63.1
6.0
80.8
3.8
8
Gelderland Zuid
63.9
2.2
59.9
2.0
94.9
4.9
9
Utrecht
70.9
3.0
69.2
1.6
94.6
7.3
10
Noord-Holland Noord
67.4
1.9
62.2
1.5
86.5
3.1
11
Zaanstreek-Waterland
65.0
10.2
65.5
12.3
87.4
20.6
12
Kennemerland
61.9
–0.1
61.3
0.4
73.6
–1.4
13
Amsterdam-Amstelland
65.8
14.7
66.6
11.7
95.6
21.1
14
Gooi en Vechtstreek
56.6
1.6
57.4
2.4
63.9
4.0
15
Haaglanden
64.5
3.6
64.7
5.5
78.0
8.3
16
Hollands Midden
68.5
2.3
64.2
1.7
83.4
4.7
17
Rotterdam-Rijnmond
66.8
4.9
62.8
7.3
86.4
11.4
18
Zuid-Holland Zuid
64.4
–1.5
61.1
–0.7
72.6
–0.5
20
Midden- en West-Brabant
64.9
2.7
62.4
3.9
79.7
4.4
21
Brabant-Noord
66.3
3.7
62.6
5.0
86.6
1.7
22
Brabant-Zuidoost
57.8
0.7
54.9
0.0
79.3
0.4
23
Limburg Noord
65.8
–1.1
65.2
–0.7
87.3
0.5
24
Zuid Limburg
57.5
2.6
57.1
2.6
70.8
2.2
25
Flevoland
58.3
–0.4
59.0
–1.8
78.7
2.3
30
Texel
101.1
–3.0
87.6
–8.7
120.4
6.5
31
Vlieland
74.5
5.8
66.5
–11.6
92.2
38.6
32
Terschelling
84.7
–1.5
72.8
–0.6
83.1
27.5
33
Ameland
70.2
2.1
68.8
5.2
91.1
–6.6
34
Schiermonnikoog
72.4
–6.9
70.4
2.0
108.4
60.0
35
Goeree-Overflakkee
65.2
0.3
64.3
3.4
105.3
8.5
36
Schouwen-Duiveland
81.5
–1.0
81.2
–1.8
99.0
–6.1
37
Tholen
81.2
0.5
79.6
6.4
100.3
12.1
38
Walcheren en Bevelanden
68.1
0.7
66.4
–3.1
94.3
0.3
39
Zeeuws-Vlaanderen
66.0
–1.8
66.0
–1.4
92.8
–1.2
Landelijk
65,6
3,2
63,9
2,4
85,4
5,8
Referentiekader spreiding en beschikbaarheid 2019
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de doorrekening van het capaciteitsmodel van het referentiekader gepresenteerd. Het capaciteitsmodel en de manier waarop de berekening van de benodigde capaciteit plaatsvindt, is beschreven in achtergrondrapporten (Kommer en Zwakhals, 2011; 2013). Zonder in de details van deze rapporten te treden schetsen we hier kort de globale berekeningswijze.
Input: aantal uren ambulancezorg
Het capaciteitsmodel van het referentiekader berekent het aantal benodigde ambulances aan de hand van de ritgegevens in hoofdstuk 2. Tabel 3.1 geeft een samenvatting van de invoervariabelen van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader voor de jaren 2016-2019. Voor het referentiekader wordt uitgegaan van 1.528.388 uren ambulancezorg, waarvan 1.064.244 uren spoedeisende inzetten en 464.144 uren planbare ambulancezorg. Het referentiekader-2019 gaat uit van 4,1% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2018.
Berekeningswijze
Het capaciteitsmodel bestaat uit drie deelmodellen: een model voor spoedvervoer, een model voor de geografische paraatheid en een model voor planbare ambulancezorg. Het deelmodel voor het spoedvervoer berekent aan de hand van de zogenaamde ‘faalkans’-methode hoeveel ambulances nodig zijn om in 95% van de gevallen een ambulance beschikbaar te hebben. ‘Beschikbaar’ betekent hier aanwezig om ingezet te worden. De faalkans van 5% is een uitgangspunt van het referentiekader en door het Ministerie van VWS, Zorgverzekeraars Nederland en Ambulancezorg Nederland vastgesteld. Het aantal benodigde ambulances wordt per regio opgehoogd met het aantal standplaatsen van het spreidingsplan van het referentiekader. Deze zijn gegeven in Bijlage 2. Tot slot wordt in het deelmodel voor de planbare ambulancezorg de benodigde capaciteit voor het verzorgen van de planbare ambulancezorg berekend, op basis van het aantal uren planbare ambulancezorg. In de berekening wordt een bezettingsgraad gehanteerd en er vindt een overheveling plaats van restcapaciteit van het spoedvervoer naar de planbare ambulancezorg.
Gemeentelijke herindeling Vijfheerenlanden
Per 1 januari 2019 zijn de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik samengegaan in de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden. Deze nieuwe gemeente is onderdeel geworden van de provincie Utrecht. Voor het referentiekader betekent dit dat standplaats Meerkerk, onderdeel van het spreidingsmodel van het referentiekader, onder RAV Utrecht valt en niet meer onder RAV Zuid-Holland Zuid. RAV Utrecht heeft dus een standplaats meer dan in het referentiekader-2018, RAV Zuid-Holland Zuid een standplaats minder. RAV Utrecht krijgt capaciteit berekend voor de spoedeisende inzetten in het verzorgingsgebied van standplaats Meerkerk.
Uitkomsten: aantal ambulances
Het eindresultaat van het capaciteitsmodel is het aantal benodigde ambulances per dagsoort en per blok van acht uren. Tabel 3.1 geeft de resultaten van het referentiekader-2019 per regio, dagsoort en blok van acht uren, tabel 3.2 geeft het verschil met het referentiekader-2018. In Nederland zijn op werkdagen overdag 626 ambulances nodig. Dat zijn twaalf meer dan in het referentiekader-2017. Ook op zaterdagen overdag zijn twaalf ambulances meer nodig, op zondag overdag zijn dit er elf. In de avonduren zijn er negen (werkdagen) of tien (zaterdagen en zondagen) meer ambulances nodig, in de nacht vier (werkdagen) of vijf (zaterdagen en zondagen)
Op basis van het aantal benodigde ambulances is het aantal diensten per week bepaald. Een dienst is hier gedefinieerd als een werkduur van een ambulanceteam van 8 uur. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar dienstvorm (parate dienst, aanwezigheidsdienst of 24-uurs dienst). Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, conform het aantal werkdagen in een week. Tabel 3.3 geeft het aantal benodigde diensten per week. In heel Nederland zijn per week 9.039 diensten nodig. Dat zijn 177 meer dan in het referentiekader-2018, een toename van 2,0%.
Tabel 3.1: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2019: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.
Groningen
17
34
22
17
24
21
18
22
20
Friesland excl. Waddeneilanden
19
32
23
19
26
23
20
25
22
Drenthe
13
25
17
14
19
17
14
18
16
IJsselland
12
24
16
12
17
15
13
16
14
Twente
12
23
16
12
17
15
12
16
15
Noordoost Gelderland
13
26
17
13
19
16
13
18
16
Midden Gelderland
10
19
13
10
15
13
10
14
12
Gelderland Zuid
11
22
15
11
16
14
11
15
13
Utrecht
18
43
29
19
31
26
20
28
24
Noord-Holl. N excl. Texel
10
19
13
10
15
13
11
14
13
Zaanstreek-Waterland
6
12
8
6
9
8
7
9
8
Kennemerland
8
17
11
8
12
11
8
12
11
Amsterdam-Amstelland
12
40
24
13
22
21
13
23
19
Gooi en Vechtstreek
3
7
5
3
6
5
4
5
5
Haaglanden
12
35
22
13
22
19
13
20
18
Hollands Midden
11
23
16
11
17
15
12
16
14
Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee
15
42
25
15
26
22
15
23
21
Zuid-Holland Zuid
9
17
12
9
13
11
9
12
11
Midden- en West-Brabant
18
38
26
19
28
24
20
26
24
Brabant-Noord
10
20
14
11
15
14
11
15
13
Brabant-Zuidoost
10
22
14
11
16
13
11
15
13
Limburg Noord
9
18
12
10
13
12
10
13
12
Zuid Limburg
7
18
11
7
12
10
7
11
10
Flevoland
8
13
10
8
11
10
8
10
10
Texel
2
3
2
2
2
2
2
3
2
Vlieland
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Terschelling
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Ameland
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Schiermonnikoog
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Goeree-Overflakkee
3
4
3
3
3
3
3
3
3
Schouwen-Duiveland
3
3
3
3
3
3
3
3
3
Tholen
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Walcheren en Bevelanden
6
11
8
7
9
8
7
8
8
Zeeuws-Vlaanderen
4
6
5
4
5
5
4
5
5
Totaal
301
626
422
310
453
399
319
428
385
Totaal Friesland
27
40
31
27
34
31
28
33
30
Totaal Noord-Holl. Noord
12
22
15
12
17
15
13
17
15
Totaal Rotterdam-Rijnm.
18
46
28
18
29
25
18
26
24
Totaal Zeeland
15
22
18
16
19
18
16
18
18
Tabel 3.2: Verschil van de capaciteitsberekeningen tussen het referentiekader-2019 en -2018: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.
Groningen
1
1
1
0
0
1
1
0
0
Friesland excl. Waddeneilanden
0
–1
0
0
1
0
0
1
0
Drenthe
0
0
0
0
1
1
0
1
0
IJsselland
0
0
1
0
–1
1
0
0
0
Twente
0
0
0
0
0
0
0
1
0
Noordoost Gelderland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Midden Gelderland
1
0
0
0
0
0
0
0
–1
Gelderland Zuid
1
1
1
1
0
1
0
0
0
Utrecht
1
2
2
2
2
2
2
1
1
Noord-Holl. N excl. Texel
0
1
0
0
1
0
0
0
1
Zaanstreek-Waterland
0
1
0
0
1
0
1
1
1
Kennemerland
0
0
0
0
0
0
0
0
1
Amsterdam-Amstelland
1
4
2
1
1
3
1
3
2
Gooi en Vechtstreek
0
0
0
0
1
0
0
0
1
Haaglanden
0
1
1
0
0
0
0
0
0
Hollands Midden
0
0
0
0
0
0
1
0
0
Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee
0
2
0
0
2
1
–1
0
0
Zuid-Holland Zuid
–1
–1
–1
–1
–1
–1
–1
–1
–1
Midden- en West-Brabant
0
0
1
0
1
0
1
1
1
Brabant-Noord
0
0
1
0
1
1
0
1
0
Brabant-Zuidoost
0
0
0
1
0
0
0
0
0
Limburg Noord
0
0
0
0
–1
0
0
0
0
Zuid Limburg
0
0
0
0
1
0
0
1
0
Flevoland
0
0
0
0
1
0
0
0
1
Texel
0
1
0
0
0
0
0
1
0
Vlieland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Terschelling
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Ameland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Schiermonnikoog
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Goeree-Overflakkee
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Schouwen-Duiveland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Tholen
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Walcheren en Bevelanden
0
0
0
1
1
0
0
0
1
Zeeuws-Vlaanderen
0
0
0
0
0
0
0
0
1
Totaal
4
12
9
5
12
10
5
11
9
Totaal Friesland
0
–1
0
0
1
0
0
1
0
Totaal Noord-Holl. Noord
0
2
0
0
1
0
0
1
1
Totaal Rotterdam-Rijnm.
0
2
0
0
2
1
–1
0
0
Totaal Zeeland
0
0
0
1
1
0
0
0
2
Tabel 3.3: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2019: aantal diensten per week.
Groningen
487
470
17
3,6
Friesland excl. Waddeneilanden
505
508
–3
–0,6
Drenthe
373
370
3
0,8
IJsselland
347
342
5
1,5
Twente
342
341
1
0,3
Noordoost Gelderland
375
375
0
0,0
Midden Gelderland
284
280
4
1,4
Gelderland Zuid
320
303
17
5,6
Utrecht
598
563
35
6,2
Noord-Holl. N excl. Texel
286
279
7
2,5
Zaanstreek-Waterland
177
168
9
5,4
Kennemerland
242
241
1
0,4
Amsterdam-Amstelland
491
445
46
10,3
Gooi en Vechtstreek
103
101
2
2,0
Haaglanden
450
440
10
2,3
Hollands Midden
335
334
1
0,3
Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee
532
520
12
2,3
Zuid-Holland Zuid
255
276
–21
–7,6
Midden- en West-Brabant
551
542
9
1,7
Brabant-Noord
299
291
8
2,7
Brabant-Zuidoost
309
308
1
0,3
Limburg Noord
265
266
–1
–0,4
Zuid Limburg
237
235
2
0,9
Flevoland
212
210
2
1,0
Texel
48
42
6
14,3
Vlieland
42
42
0
0,0
Terschelling
42
42
0
0,0
Ameland
42
42
0
0,0
Schiermonnikoog
42
42
0
0,0
Goeree-Overflakkee
68
68
0
0,0
Schouwen-Duiveland
63
63
0
0,0
Tholen
42
42
0
0,0
Walcheren en Bevelanden
172
169
3
1,8
Zeeuws-Vlaanderen
103
102
1
1,0
Totaal
9.039
8.862
177
2,0
Totaal Friesland
673
676
–3
–0,4
Totaal Noord-Holl. Noord
334
321
13
4,0
Totaal Rotterdam-Rijnm.
600
588
12
2,0
Totaal Zeeland
380
376
4
2,1
Conclusies en discussie
Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is in 2019 geactualiseerd op basis van productiecijfers over 2018. Hierbij zijn de rekenmodellen onveranderd ten opzichte van de vorige doorrekening uit 2018.
Productiestijging
De productie van de Nederlandse ambulancezorg wordt door Ambulancezorg Nederland gepubliceerd op de website Sectorkompas Ambulancezorg. Het totaal aantal inzetten in 2018 was 1.322.844. Voor het referentiekader worden op basis van uitgangspunten van het referentiekader 11.913 inzetten uit de productie gefilterd. Het merendeel van de uitgefilterde inzetten zijn inzetten van een rapid responder waarbij een tweede voertuig is ingezet voor vervoer van de patiënt. Op basis van deze filters wordt 0,9% van de productie uit de selectie gefilterd. Het referentiekader-2019 gaat uit van 1.310.461 inzetten, waarvan 608.682 met A1-urgentie, 374.845 met A2-urgentie en 326.934 inzetten in de planbare ambulancezorg (B-urgentie). In vergelijking met de cijfers voor het referentiekader-2018 is dat een productiestijging van 0,6%. Tussen regio’s bestaan grote verschillen in productiegroei, de groei van de totale productie varieert tussen -4,0% en +5,0%. De capaciteitsberekeningen van het referentiekader gaan uit van een schatting van het aantal uren ambulancezorg in 2018. Hiervoor is de gemiddelde ritduur van belang. Landelijk is de gemiddelde ritduur van alle soorten inzetten toegenomen: met ruim 2 minuten (A1-urgentie), bijna anderhalve minuut (A2) en met vier minuten en ruim veertig seconden (B urgentie). In het capaciteitsmodel wordt gerekend op het niveau van regio, dagsoort en uur van de dag en zijn de gemiddelde ritduren gedifferentieerd. In totaal wordt voor het referentiekader uitgegaan van 1.528.388 uren ambulancezorg, waarvan 1.064.244 uren spoedeisende inzetten en 464.144 uren planbare ambulancezorg. Het referentiekader-2019 gaat uit van 4,1% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2018.
Aantal benodigde ambulances en diensten
Deze productiestijging in de Nederlandse ambulancezorg leidt er toe dat er op werkdagen overdag 626 ambulances nodig zijn. Dat zijn er twaalf meer ten opzichte van het referentiekader-2018. Ook op zaterdagen overdag zijn twaalf meer ambulances nodig, op zondagen overdag zijn dit er elf. In de avonduren zijn er tien (zaterdagen) of negen (werkdagen en zondagen) meer ambulances nodig. In de nachturen zijn dit er vier (werkdagen) of vijf (zaterdagen en zondagen).
Volgens het referentiekader-2019 zijn er 9.039 diensten nodig. Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, het aantal werkdagen in een week. Ten opzichte van het referentiekader-2018 zijn in 2019 177 meer diensten nodig, een toename van 2,0% ten opzichte van het referentiekader-2018.
Discussie
Stijging/daling productie
De totale productie van de Nederlandse ambulancezorg is in 2018 licht gestegen ten opzichte van 2017. Er was een daling van drie procent van het planbare vervoer en een stijging van twee procent van het spoedvervoer. Er is geen onderzoek gedaan naar de achtergronden van deze veranderingen.
Registraties op onderdelen verbeterd
In de rapportage van het referentiekader-2018 is genoemd dat de registratie van ritgegevens in 2017 was verbeterd. Over 2018 kunnen we voor de meeste regio’s deze conclusie ook trekken. Enkele regio’s echter hadden problemen in de registratie. Voor één aanbieder was dit een incidenteel probleem in de koppeling van de meldtijd in het systeem. Dit probleem is inmiddels opgelost, maar een gevolg voor de ritgegevens over 2018 is dat er ruim 200 inzetten een onjuiste tijdenregistratie hadden en niet in de selectie voor het referentiekader zijn meegenomen.
Stijging van het aantal benodigde ambulances
De stijging van 4,1% in 2018 van het aantal uren ambulancezorg in de cijfers voor het referentiekader leidt tot een stijging van 2,0% van het aantal diensten: van 8.862 diensten in het referentiekader-2018 tot 9,039 in het referentiekader-2019. De relatie tussen het aantal uren geleverde ambulancezorg en de benodigde capaciteit is niet evenredig omdat in het rekenmodel de bezettingsgraad van ambulances een rol speelt. Een hogere productie, in aantal uren ambulancezorg, leidt in het model tot een hogere bezettingsgraad van ambulances. De bezettingsgraad kan blijven toenemen tot een bepaalde grenswaarde wordt bereikt en de kans dat er geen vrije ambulance beschikbaar is bij een volgende melding groter wordt dan 5%. Dan wordt een extra ambulance toegekend en daalt de bezettingsgraad. Andersom hoeft een dalende productie niet altijd te leiden tot een lager aantal benodigde ambulances.
Aanbevelingen
Net als in de productie over 2017 zijn er in de productie over 2018 grote verschillen in groei tussen de regio’s en binnen urgentiesoorten. De achtergronden van deze verschillen zijn niet onderzocht. Het is echter niet waarschijnlijk dat deze verschillen volledig zijn toe te schrijven aan regionale verschillen in demografie, epidemiologie, infrastructuur of zorgaanbod. Waarschijnlijk spelen verschillen in urgentiebepaling tussen meldkamers hierbij een rol. Net als in het referentiekader-2018 wordt nu aanbevolen om de regionale achtergronden van de productiegroei te onderzoeken. Een analyse van de aanvrager van de ambulance inzet, degene die de melding heeft gedaan, kan inzicht geven in deze achtergronden.
Momenteel loopt er een RIVM-onderzoek waarbij het referentiekader doorontwikkeld en verbeterd wordt. De doorontwikkeling is gebaseerd op de doelstelling om regio’s meer gelijke uitgangspunten te geven voor het verlenen van ambulancezorg. Daarbij kijkt het RIVM naar mogelijkheden om de dubbele dekking van het spreidingsplan van het referentiekader te verbeteren. Met dubbele dekking wordt bedoeld de mogelijkheid dat inwoners van een regio door meerdere standplaatsen binnen 12 minuten rijtijd kunnen worden bereikt. Ook gaat het RIVM na wat de bezettingsgraad van standplaatsen in het referentiekader is en hoe groot de verschillen tussen de standplaatsen zijn. In het onderzoek wordt ook gekeken naar varianten die leiden tot een minder grote herverdeling van spoedritten.
Referenties
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2013). Uniform begrippenkader ambulancezorg. Versie 3,0. Zwolle, 13 februari 2013.
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2016). Ambulances in-zicht 2015. Zwolle: AZN.
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2018). Sectorkompas ambulancezorg, website https://www.ambulancezorg.nl/themas/sectorkompas-ambulancezorg; geraadpleegd augustus 2018.
Ambulancezorg Nederland (AZN) (2019). Sectorkompas ambulancezorg, website https://www.ambulancezorg.nl/themas/sectorkompas-ambulancezorg; in september 2019 moesten de cijfers over 2018 nog worden gepubliceerd.
Kommer, G.J., A.A. van der Veen, W.F. Botter en I. Tan. (2003). Ambulances binnen bereik – analyse van de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg in Nederland. RIVM rapport 270556006. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2009). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2008. RIVM briefrapport 270192001. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2011). Modellen referentiekader ambulancezorg 2008. RIVM rapport 270412001. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013). Modellen referentiekader ambulancezorg. RIVM rapport 270412002. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013a). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. RIVM briefrapport 270412003. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2016). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016. RIVM briefrapport 2016-0093. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J., S.L.N. Zwakhals, E. Over (2017). Modellen referentiekader ambulancezorg 2016. Ontwikkeling modellen voor DAM, B-vervoer en rijtijden. RIVM rapport 2015-0190. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en M. Mulder (2017). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. RIVM briefrapport 2017-0109. Bilthoven: RIVM.
Kommer, G.J. en M. Mulder (2018). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2018. RIVM briefrapport 2018-0128. Bilthoven: RIVM.
Ministerie van VWS (2004). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk CZ/EZ 2487006. Den Haag, 4 juni 2004.
Ministerie van VWS (2008). Herijking landelijk referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk 1CZ-EKZ-2854207. Den Haag, 5 juni 2008.
Ministerie van VWS (2013). Actualisatie referentiekader spreiding en beschikbaarheid. Kamerbrief 131849-106797-CZ. Den Haag, 16 juli 2013.
Ministerie van VWS (2016). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016. Bijlage bij Kamerbrief over aanpak drukte acute zorgketen. Kamerbrief 1002963-153940-CZ. Den Haag, 5 oktober 2016.
Ministerie van VWS (2017). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. Bijlage bij Kamerbrief over referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. Kamerbrief 1234698–167897-CZ. Den Haag, 25 september 2017.
Ministerie van VWS (2018). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2017. Bijlage bij Kamerbrief over referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2018. Kamerbrief 1440322-183441-CZ. Den Haag, 7 november 2018.
Project Versterking Ambulancezorg (PVAZ) (2004). Landelijk referentiekader spreiding- en beschikbaarheid – Een landelijk referentiekader als planningsgrondslag. Van Naem & Partners, 04.0177jk, eindrapport S&B II; Woerden.
RIVM (2015). Trendanalyse spoedeisende ambulancezorg. Brief met kenmerk 039/2015 V&Z/AvB/GJK/tv. Bilthoven, 19 maart 2015.
Bijlage
1
Regio-indeling
De nummering van de regio’s in de eilandbenadering van het referentiekader en in de productiecijfers van Sectorkompas Ambulancezorg is gegeven in Tabel B1.1.
Tabel B1.1: Regio indeling in de eilandbenadering van het referentiekader (links) en de RAV indeling zoals gehanteerd in het Sectorkompas Ambulancezorg
1
Groningen
1
Groningen
2
Friesland exclusief Waddeneilanden
2
Friesland
3
Drenthe
3
Drenthe
4
IJsselland
4
IJsselland
5
Twente
5
Twente
6
Noordoost Gelderland
6
Noordoost Gelderland
7
Midden Gelderland
7
Midden Gelderland
8
Gelderland Zuid
8
Gelderland Zuid
9
Utrecht
9
Utrecht
10
Noord-Holland Noord exclusief Texel
10
Noord-Holland Noord
11
Zaanstreek-Waterland
11
Amsterdam-Waterland
12
Kennemerland
12
Kennemerland
13
Amsterdam-Amstelland
–
–
14
Gooi en Vechtstreek
14
Gooi en Vechtstreek
15
Haaglanden
15
Haaglanden
16
Hollands Midden
16
Hollands Midden
17
Rotterdam-Rijnmond exclusief Goeree-Overflakkee
17
Rotterdam-Rijnmond
18
Zuid-Holland Zuid
18
Zuid-Holland Zuid
–
–
19
Zeeland
20
Midden- en West-Brabant
20
Midden- en West-Brabant
21
Brabant-Noord
21
Brabant-Noord
22
Brabant-Zuidoost
22
Brabant-Zuidoost
23
Limburg Noord
23
Limburg Noord
24
Zuid Limburg
24
Zuid Limburg
25
Flevoland
25
Flevoland
30
Texel
31
Vlieland
32
Terschelling
33
Ameland
34
Schiermonnikoog
35
Goeree-Overflakkee
36
Schouwen-Duiveland
37
Tholen
38
Walcheren en Bevelanden
39
Zeeuws-Vlaanderen
Bijlage
2
Spreiding referentiekader 2019
Tabel B2.1: Aantal standplaatsen per regio (in de eilandbenadering van het referentiekader) in het spreidingsmodel van het referentiekader-2019. De gemeentelijke herindeling van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik in januari 2019 naar de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden, is in deze tabel verwerkt. Voor het spreidingsplan betekent de herindeling dat standplaats Meerkerk niet meer bij de regio Zuid-Holland Zuid hoort, maar bij de regio Utrecht.
1
Groningen
13
2
Friesland
16
3
Drenthe
11
4
IJsselland
10
5
Twente
9
6
Noordoost Gelderland
10
7
Midden Gelderland
7
8
Gelderland Zuid
8
9
Utrecht
12
10
Noord-Holland Noord
7
11
Zaanstreek-Waterland
4
12
Kennemerland
5
13
Amsterdam-Amstelland
5
14
Gooi- en Vechtstreek
2
15
Haaglanden
6
16
Hollands Midden
7
17
Rotterdam-Rijnmond
7
18
Zuid-Holland Zuid
6
20
Midden- en West-Brabant
13
21
Brabant-Noord
7
22
Brabant-Zuidoost
7
23
Limburg Noord
7
24
Zuid Limburg
4
25
Flevoland
6
30
Texel
1
31
Vlieland
1
32
Terschelling
1
33
Ameland
1
34
Schiermonnikoog
1
35
Goeree-Overflakkee
2
36
Schouwen-Duiveland
2
37
Tholen
1
38
Walcheren en Bevelanden
5
39
Zeeuws-Vlaanderen
3
Totaal
207
Tabel B2.2: Locaties (plaatsnaam en vierpositie postcode) van de 207 standplaatsen in het spreidingsmodel van het referentiekader-2019 per RAV.
1
Groningen
9364
Nuis
9502
Stadskanaal
9541
Vlagtwedde
9561
Ter Apel
9611
Sappemeer
9641
Veendam
9672
Winschoten
9723
Groningen-Zuid
9741
Groningen-Noord
9901
Appingedam
9951
Winsum
9965
Leens
9982
Uithuizermeeden
2
Friesland
8431
Oosterwolde
8448
Heerenveen
8471
Wolvega
8522
Skasterlan (gem.)
8531
Lemmer
8601
Sneek
8723
Koudum
8871
Harlingen (Midlum)
8881
Terschelling
8899
Vlieland
8912
Leeuwarden
8924
Leeuwarden
9011
Boarnsterhim (gem.)
9071
Leeuwarderadeel (gem.)
9101
Dokkum
9163
Nes
9166
Schiermonnikoog
9202
Drachten
9219
Smallingerland (gem.)
9285
Buitenpost
3
Drenthe
7741
Coevorden
7811
Emmen
7891
Klazienaveen
7903
Hoogeveen
7943
Meppel
7971
Havelte
9301
Roden
9401
Assen
9411
Beilen
9468
Annen
9531
Borger
4
IJsselland
7418
Deventer
7701
Dedemsvaart
7711
Nieuwleusen
7731
Ommen
7771
Hardenberg
4
IJsselland
8013
Zwolle
8103
Raalte
8261
Kampen
8281
Genemuiden
8331
Steenwijk
5
Twente
7447
Hellendoorn
7475
Markelo
7483
Haaksbergen
7541
Enschede
7556
Hengelo
7572
Oldenzaal
7602
Almelo
7651
Tubbergen
7681
Vroomshoop
6
Noordoost Gelderland
3843
Harderwijk
3852
Ermelo
7005
Doetinchem
7051
Varsseveld
7102
Winterswijk
7207
Zutphen
7271
Borculo
7311
Apeldoorn
8081
Elburg
8181
Heerde
7
Midden Gelderland
3772
Barneveld
6661
Elst (Gld)
6701
Wageningen
6711
Ede
6828
Arnhem
6901
Zevenaar
6951
Dieren
8
Gelderland-Zuid
4002
Tiel
4041
Kesteren
4101
Culemborg
4191
Geldermalsen
5301
Zaltbommel
6524
Nijmegen
6602
Wijchen
6651
Druten
9
Utrecht
3436
Nieuwegein
3447
Woerden
3561
Utrecht (Vader Rijndreef)
3582
Utrecht (Andreaelaan)
3608
Maarssen
3645
Vinkeveen
3707
Zeist
3811
Amersfoort Centrum
3823
Amersfoort Noord
3903
Veenendaal
3941
Doorn
9
Utrecht
4231
Meerkerk
10
Noord-Holland Noord
1616
Hoogkarspel
1625
Hoorn (Noord Holland)
1741
Schagen
1761
Anna Paulowna
1771
Wieringerwerf
1786
Den Helder
1791
Texel (Den Burg)
1823
Alkmaar Noord
11
Zaanstreek-Waterland
1141
Monnickendam
1442
Purmerend
1502
Zaandam
1521
Wormerveer
12
Kennemerland
1962
Heemskerk
1969
Heemskerk
1981
Velsen
2015
Haarlem
2131
Hoofddorp
13
Amsterdam-Amstelland
1018
Amsterdam
1075
Amsterdam
1105
Amsterdam Zuidoost
1185
Amstelveen
1431
Aalsmeer
14
Gooi- en Vechtstreek
1213
Hilversum Zuid
1404
Bussum
15
Haaglanden
2274
Voorburg
2544
Den Haag
2564
Den Haag
2627
Delft
2671
Naaldwijk (Westland)
2718
Zoetermeer
16
Hollands Midden
2211
Noordwijkerhout
2333
Leiden
2353
Leiderdorp
2405
Alphen aan den Rijn
2461
Ter Aar
2801
Gouda
2861
Bergambacht
17
Rotterdam-Rijnmond
2907
Capelle aan den IJssel
2922
Krimpen aan den IJssel
3038
Rotterdam
3083
Rotterdam
3118
Schiedam
3201
Spijkenisse
3223
Hellevoetsluis
3247
Dirksland
3252
Goedereede
18
Zuid-Holland Zuid
2957
Nieuw-Lekkerland
2973
Molenaarsgraaf
3286
Klaaswaal
18
Zuid-Holland Zuid
3311
Dordrecht
3331
Zwijndrecht
4204
Gorinchem
19
Zeeland
4301
Zierikzee
4323
Schouwen-Duiveland (gem.)
4335
Middelburg
4354
Vrouwenpolder
4401
Yerseke
4411
Rilland
4462
Goes
4501
Oostburg
4535
Terneuzen
4561
Hulst
4695
Sint-Maartensdijk
20
Midden- en West-Brabant
4255
Nieuwendijk (Noord Brabant)
4283
Giessen
4611
Bergen op Zoom
4651
Steenbergen
4701
Roosendaal
4721
Rucphen (gem.)
4761
Zevenbergen
4811
Breda
4851
Breda-Zuid (Ulvenhout)
4901
Oosterhout (Noord Brabant)
5018
Tilburg
5047
Tilburg
5142
Waalwijk
21
Brabant-Noord
5231
s-Hertogenbosch
5281
Boxtel
5341
Oss
5363
Velp (Noord Brabant)
5405
Uden
5441
Oeffelt
5463
Veghel
22
Brabant-Zuidoost
5541
Reusel
5571
Bergeijk
5611
Eindhoven
5657
Eindhoven
5701
Helmond
5751
Deurne
6026
Maarheeze
23
Limburg Noord
5801
Venray
5854
Bergen (Limburg)
5912
Venlo
5981
Panningen
6003
Weert
6045
Roermond
6101
Echt
24
Zuid Limburg
6166
Geleen
6229
Maastricht
24
Zuid Limburg
6291
Vaals
6411
Heerlen
25
Flevoland
1326
Almere
3899
Zeewolde
8223
Lelystad
8251
Dronten
8304
Emmeloord
8308
Nagele
Bijlage
3
Selectie en herverdelen van inzetten
Deze bijlage geeft een beschrijving van de selectie van inzetten voor de productiecijfers van de ambulancezorg, de nadere selecties voor het referentiekader en de herverdeling van spoedritten die voor het referentiekader wordt uitgevoerd. Ook wordt een toelichting gegeven op de validatie van het ‘afhaaladres’, deze validatie is nodig voor de herverdeling van spoedritten.
Selectie van inzetten voor productiecijfers
De productie en prestaties van de Nederlandse ambulancezorg wordt jaarlijks door Ambulancezorg Nederland (AZN) gepubliceerd in voorheen de sectorrapportages Sectorkompas Ambulancezorg, tegenwoordig de website Sectorkompas Ambulancezorg. In opdracht van AZN verzamelt en analyseert het RIVM de logistieke gegevens van de ambulancezorg ten behoeve van deze jaarlijkse rapportages. In dit proces worden ruwe ritgegevens door de RAV’s aan het RIVM aangeleverd. Op deze ruwe gegevens worden selecties gedaan voor de productiecijfers. Deze selecties worden aan de RAV’s voorgelegd en na goedkeuring door de RAV’s vastgesteld.
Selecties voor productiecijfers voor Sectorkompas Ambulanczorg
De ruwe rittendatabases die door de RAV’s worden geleverd bevatten meer dan alleen inzetten van de reguliere ambulancezorg. In sommige regio’s komen in de databases ook inzetten voor van huisartsen, huisartsenposten (HAP’s), thuiszorg, andere zorgverleners of inzetten van mobiele medische teams (MMT’s). Ook worden inzetten van andere vervoerders geregistreerd of inzetten in dienst van de GHOR. Dat is mogelijk omdat de gegevens via de meldkamer ambulancezorg worden geregistreerd en een RAV ook een inzet ten behoeve van andere organisaties en zorgverleners kan verlenen. Voor de productiecijfers van de reguliere ambulancezorg worden dit soort inzetten uitgesloten. In totaal gaat het om de volgende uitsluitingen:
−
inzetten van andere vervoerders, tenzij de andere vervoerder in opdracht van de RAV een reguliere inzet verzorgde;
−
inzetten uitgevoerd voor een andere zorgaanbieder (first-responder, huisarts, thuiszorg) of organisatie (zoals KNRM, SAR, Koninklijke Marine);
−
inzetten in dienst van de GHOR, OvDG, GGD, RGF4GHOR = Geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio; OvDG = Officier van dienst geneeskundig; GGD = Gemeentelijke gezondheidsdienst; RGF = Regionaal geneeskundig functionaris;
−
MICU en PICU5MICU = Mobiele intensive care unit; PICU = Pediatrische intensive care unit inzetten, tenzij deze voertuigen in de reguliere paraatheid worden ingezet;
−
standby-inzetten, voor evenementen of multidisciplinaire bijstandverlening;
−
inzetten voor training of voor onderhoud voertuigen.
Voor de productiecijfers worden verder alleen inzetten geselecteerd die voortkomen uit een melding en waarbij de ambulance daadwerkelijk heeft gereden. Dat betekent dat de volgende inzetten worden uitgesloten:
–
voorwaardescheppende inzetten6Voorwaardescheppende inzetten zijn inzetten die worden gedaan in het kader van Dynamisch ambulance management om de paraatheid/dekking in een gebied te verbeteren. Een ambulance wordt dan verplaatst naar een strategische locatie zonder een opdracht voor hulpverlening.;
–
geannuleerde inzetten.
En om dubbeltellingen te voorkomen worden de volgende inzetten uitgesloten:
–
inzetten uitgevoerd door een andere RAV.
Deze inzetten zijn overgedragen aan een andere meldkamer ambulancezorg. Een inzet wordt alleen meegeteld bij de RAV die de inzet heeft uitgevoerd.
De selectie van reguliere inzetten op bovengenoemde criteria gebeurt door in de ritgegevens selecties te maken op bepaalde kenmerken. In de ritgegevens wordt eerst een selectie gedaan op ‘vervoerder’, de organisatie die de inzet heeft verzorgd. In een RAV kunnen meerdere vervoerders actief zijn. Via het kenmerk ‘vervoerder’ worden reguliere inzetten geselecteerd en worden inzetten voor andere organisaties, zoals huisartsenposten of MMT, uitgesloten. De wijze van registreren verschilt per regio en niet alle regio’s registreren inzetten voor andere organisaties op deze wijze. Daarom worden nadere selecties gedaan op de kenmerken ‘standplaats’ en ‘ambulance’. Een ambulance wordt geïdentificeerd aan het wagennummer. Tot slot wordt ook een selectie gedaan op het kenmerk ‘soort vervoer’. Per regio is maatwerk vereist voor de selectie van de reguliere productie.
Valideren van het afhaaladres
Voor sommige analyses wordt gebruik gemaakt van de geografische kenmerken van de inzet, de locatie van het ‘afhaaladres’. Bijvoorbeeld voor het bepalen van het aantal overschrijdingen per regio of voor de herverdeling van spoedeisende inzetten aan de dichtstbijzijnde standplaats, zoals gebeurt voor het referentiekader. Het ‘afhaaladres’ is de locatie waar de ambulance naar toe rijdt om zorg te verlenen. In spoedeisende gevallen is dit de plaats van het incident dat aanleiding geeft tot de ambulance inzet, bij planbare ambulancezorg is dit de locatie waar de patiënt opgehaald wordt, het ziekenhuis, een andere zorginstelling of het woon- of verblijfadres van de patiënt. In de ritgegevens wordt het afhaaladres geregistreerd als een adres, inclusief een zespositie postcode (vier cijfers en twee letters). Het RIVM leidt hiervan een vierpositie postcode af. Ook wordt de vierpositie postcode gevalideerd, dat wil zeggen dat wordt nagegaan of het een bestaande en logische code is. In een aantal gevallen is de postcode niet valide, ofwel omdat een niet-bestaande zespositie postcode is vastgelegd, ofwel omdat een code oneigenlijk wordt gebruikt. Bijvoorbeeld worden de codes ‘9999’ of ‘1111’ vaak oneigenlijk gebruikt. In deze gevallen kan een analyse op basis van de vierpositie postcode van het afhaaladres tot onzuivere uitkomsten leiden. Het RIVM heeft zich ingespannen om een valide vierpositie postcode af te leiden, maar heeft niet altijd kunnen voorkomen dat er soms een onjuiste vierpositie postcode wordt afgeleid.
Er zijn ook inzetten waarbij het afhaaladres of de zespositie postcode niet is geregistreerd. In die gevallen is gekeken naar de plaats van het afhaaladres en is de centroïde van de plaatsnaam gehanteerd als vierpositie postcode van het afhaaladres. Als ook de plaatsnaam van het afhaaladres niet bekend was, is de centroïde van de uitvoerende RAV gebruikt als vierpositie postcode van het afhaaladres.
Nadere selecties voor het referentiekader
Voor het referentiekader wordt een aantal inzetten uit de productie niet meegenomen. Deze worden uit productie gefilterd op grond van bepaalde uitgangspunten van het referentiekader. Het gaat om de volgende inzetten.
1.
Inzetten zonder tijdsregistratie
Deze inzetten worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen omdat deze niet kunnen worden toegedeeld naar het uur van de dag. In totaal worden uit de 2018-productiecijfers hierdoor 1.056 inzetten uitgefilterd: 296 A1-inzetten, 290 A2-inzetten en 470 inzetten met B-urgentie. Dit komt overeen met 0,08% van de totale productie in 2018.
2.
Inzetten van rapid responders met een ‘vervolgauto’
Inzetten van rapid responder7Een rapid responder, ook wel ‘solo-ambulance’ genoemd, is een ambulanceverpleegkundige die zelfstandig een inzet verzorgt, al dan niet in afwachting van een ambulance of andere zorgverlener. Een rapid responder kan zorg verlenen op ALS-niveau (Advanced Life Support), maar heeft geen mogelijkheid tot vervoer van de patiënt. Het voertuig van de rapid responder is een fiets, motor of een auto (zonder de mogelijkheid tot ‘liggend’ vervoer). waarbij er ook een ambulance is ingezet ten behoeve van vervoer van de patiënt worden niet meegenomen in de productie. De inzet voor het vervoer van de patiënt wordt wel meegenomen. Inzetten van rapid responders zonder vervoer van de patiënt worden wel meegenomen in de selecties. In totaal gaat het om 13.327 inzetten die worden uitgefilterd: 5.681 A1-inzetten en 5.646 A2-inzetten. Dit komt overeen met 0,86% van het totaal aantal spoedeisende inzetten in 2018.
3.
Ambulancedienst Schiphol
Inzetten van de ambulancedienst van Schiphol worden niet meegenomen in de capaciteitsberekeningen. In 2018 waren deze inzetten niet in de productiecijfers van RAV Kennemerland meegenomen, cijfers van de ambulancedienst van Schiphol hoefden dus niet te worden uitgefilterd.
Tabellen B3.1a-b geven per RAV de aantallen inzetten die op grond van bovenstaande criteria zijn uitgefilterd.
Tabel B3.1a: Overzicht van de uitgefilterde inzetten in de selecties voor het referentiekader-2019: ritten zonder tijdenregistratie.
4
IJsselland
1
1
5
Twente
1
1
6
Noordoost Gelderland
31
14
7
52
10
Noord-Holland Noord
14
14
6
34
12
Kennemerland
17
2
18
37
13
Amsterdam-Amstelland
1
1
15
Haaglanden
45
19
10
74
16
Hollands Midden
1
1
2
17
Rotterdam-Rijnmond
162
215
414
791
18
Zuid-Holland Zuid
8
12
20
20
Midden- en West Brabant
1
1
30
Texel
1
1
35
Goeree-Overflakkee
5
2
11
18
36
Schouwen-Duiveland
1
1
2
38
Walcheren en Bevelanden
8
7
3
18
39
Zeeuws-Vlaanderen
3
3
Totaal
296
290
470
1.056
Tabel B3.1b: Overzicht van de uitgefilterde inzetten in de selecties voor het referentiekader-2019: uitgefilterde rapid responder inzetten
1
Groningen
257
229
486
2
Friesland
113
100
213
3
Drenthe
0
0
0
4
IJsselland
261
211
472
5
Twente
24
308
332
6
Noordoost Gelderland
87
109
196
7
Gelderland Midden
188
206
394
8
Gelderland Zuid
328
461
789
9
Utrecht
1.100
1.212
2.312
10
Noord-Holland Noord
242
164
406
11
Amsterdam-Waterland
223
125
348
12
Kennemerland
251
128
379
14
Gooi en Vechtstreek
100
56
156
15
Haaglanden
112
75
187
16
Hollands Midden
0
0
0
17
Rotterdam-Rijnmond
845
477
1.322
18
Zuid-Holland Zuid
119
81
200
19
Zeeland
94
48
142
20
Midden- en West-Brabant
572
735
1.307
21
Brabant-Noord
270
287
557
22
Brabant-Zuidoost
31
33
64
23
Limburg Noord
256
350
606
24
Zuid Limburg
111
122
233
25
Flevoland
97
129
226
Totaal
5.681
5.646
11.327
Herverdeling naar dichtstbijzijnde standplaats
Voor het referentiekader wordt een bewerking op de ritaantallen gedaan. Hierbij worden spoedeisende inzetten, met A1- of A2-urgentie, toegedeeld aan de dichtstbijzijnde standplaats, volgens het spreidingsplan van het referentiekader. Deze toedeling wordt gedaan met gebruik van het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg. Elke postcodegebied in Nederland wordt toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats. Zo worden ’verzorgingsgebieden’ van standplaatsen van het referentiekader bepaald. Spoedritten met het afhaaladres in een verzorgingsgebied worden toegewezen aan de bijbehorende standplaats. Het totaal aantal spoedeisende inzetten blijft gelijk, er vindt alleen een herverdeling plaats tussen regio’s. Dit wordt ook wel een correctie naar ‘burenhulp’ of ‘grensoverschrijdende assistentie’ genoemd. De planbare ambulancezorg wordt niet herverdeeld. Het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg blijft bij de RAV die de productie heeft uitgevoerd. Vanwege de eilandbenadering8In de ‘eilandbenadering’ van het referentiekader worden de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en de Zeeuwse (schier-)eilanden als aparte regio’s beschouwd, de benodigde capaciteit wordt voor deze ‘eilanden’ apart berekend. die het referentiekader hanteert is het wel noodzakelijk dat de planbare ambulancezorg van de eilanden wordt bepaald. Deze toedeling gebeurt op basis van afhaaladres van de inzet. Op deze manier is ook de productie van de planbare ambulancezorg van de RAV Amsterdam-Waterland opgesplitst naar de regio’s Amsterdam-Amstelland en Zaanstreek-Waterland. De inzetten met B-urgentie van RAV Zeeland die een afhaaladres buiten de provincie Zeeland hebben zijn toegekend aan Walcheren-Bevelanden.
Inzetten in het buitenland
Inzetten van Nederlandse RAV’s in het buitenland zijn meegenomen in de capaciteitsberekeningen. Het betreft hier reguliere inzetten. Inzetten van specifieke buitenlandvervoerders, voor bijvoorbeeld repatriëring van patiënten uit het buitenland, vallen buiten de reguliere productie. In 2018 zijn 344 inzetten in het buitenland uitgevoerd: 123 inzetten met A1-urgentie, 61 met A2-urgentie en 160 inzetten met B-urgentie. Het gaat hier om spoedeisende inzetten of planbare ambulancezorg in Duitsland of België. Deze inzetten zijn niet meegenomen in de herverdeling van spoedritten omdat buitenlandse adressen niet zijn opgenomen in de verzorgingsgebieden van standplaatsen. Deze verzorgingsgebieden zijn alleen bepaald voor Nederlandse postcodegebieden. Inzetten in het buitenland toegewezen aan de uitvoerende RAV. De ritgegevens zijn wel meegenomen in de capaciteitsberekeningen en in de berekening van de gemiddelde ritduur.
Erratum briefrapport 2019-0157
Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019
Bilthoven: 02 december 2019
Onderwerp: Erratum bij briefrapport 2019-0157
In het RIVM Briefrapport 2019-0157 getiteld Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2019 is helaas een fout geconstateerd. Het is gebleken dat de gemiddelde ritduur van de RAV’s Zaanstreek-Waterland en Amsterdam-Amstelland is berekend op basis van foutief verwerkte ritgegevens. Hierdoor is de gemiddelde ritduur te hoog. De ritgegevens zijn opnieuw verwerkt en het referentiekader spreiding en beschikbaarheid is opnieuw doorgerekend met de correcte, lagere, gemiddelde ritduur. Veranderingen ten opzichte van de oorspronkelijke publicatie (dd 5 november) zijn er voor de RAV Zaanstreek-Waterland en RAV Amsterdam-Amstelland: het aantal benodigde ambulances is lager dan in de oorspronkelijke rapportage. Het totaal aantal benodigde ambulances voor heel Nederland op werkdagen overdag is 622, vier lager dan de 626 in de oorspronkelijke rapportage.
Drs. Annemiek van Bolhuis, MBA
Directeur Volksgezondheid en Zorg
(1)
Pagina 3: Publiekssamenvatting – eerste en tweede alinea
Op basis van ritgegevens over het jaar 2018 heeft het RIVM berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Op werkdagen overdag zijn er 622 ambulances nodig, acht meer dan uit de doorrekening over 2017 bleek. De berekeningen wijzen uit dat er op zaterdagen en zondagen overdag negen ambulances meer nodig zijn dan in het referentiekader-2018 was bepaald.
De stijging op landelijk niveau van acht ambulances is groter dan in het referentiekader-2018. Toen waren er nog vijf ambulances meer nodig ten opzichte van het voorgaande jaar. De toename komt doordat er 2 procent meer spoedeisende inzetten waren dan in 2017. Ook steeg de gemiddelde ritduur in 2018: met 1,9 procent voor inzetten voor levensbedreigende situaties (A1-urgentie), met 1,8 procent voor inzetten voor niet levensbedreigende situaties (A2-urgentie), en met 4,6 procent voor planbare inzetten. Het aantal inzetten in de planbare ambulancezorg daalde met 3,0 procent.
(2)
Pagina 5: Synopsis – eerste en tweede alinea
Based on production data for 2018, RIVM calculated how many ambulances are needed in the Netherlands. On workdays 622 ambulances are needed during the day, eight more than calculated for 2017. On workdays in the evening, seven more ambulances are needed. On weekends, this varies between three and nine ambulances, depending on the day and time.
The increase of the number of ambulances needed is more than in 2017. In 2017, compared to the year before, five more ambulances were needed. The slight increase in the number of ambulances needed is related to the increase in the number of emergency ambulance services and the average service time in 2018. The number of emergency services increased by 2.0 percent, the number of planned services decreased by 3.0 percent. The average service time increased by 1.9 percent for emergency services with A1-urgency, by 1.8 percent for A2-urgent services and by 4.6 percent for planned services.
(3)
Pagina 9: Samenvatting – vierde alinea
Gemiddelde ritduur
De gemiddelde ritduur is geschat aan de hand van een selectie van ritten met valide tijdenregistratie. Landelijk is de gemiddelde ritduur van alle soorten inzetten (urgent en planbaar) toegenomen: met 1 minuut en 13 seconden (A1-urgentie), 1 minuut en 6 seconden (A2-urgentie) en 3 minuten en 43 seconden (B-urgentie).
(4)
Pagina 10: Samenvatting – eerste en tweede alinea
Uren ambulancezorg in de capaciteitsberekening
De capaciteitsberekeningen van het referentiekader worden uitgevoerd op regionaal niveau, met differentiatie naar dagsoort en uur van de dag. In het model wordt op detailniveau het aantal uren ambulancezorg bepaald waarvoor ambulancecapaciteit nodig is. In totaal gaat het referentiekader uit van 1.512.962 uren verleende ambulancezorg in 2018, een stijging van 3,1% ten opzichte van 2017. Daarvan zijn 1.053.683 uren spoedeisende ambulancezorg en 459.279 uren planbare ambulancezorg. Ten opzichte van 2017 is het aantal geleverde uren spoedeisende ambulancezorg in 2018 met 3,8% gestegen. De stijging van het aantal uren planbare ambulancezorg was 1,5%. Ten opzichte van het totaal aantal van 8.760 beschikbare uren op jaarbasis werd door de Nederlandse ambulancezorg in 2018 elk uur 173 uur ambulancezorg geleverd. Een stijging van 5 uur (3,1%) ten opzichte van 2017.
Resultaten referentiekader-2019
Op werkdagen overdag (8–16 uur) zijn 622 ambulances nodig. Dit zijn acht meer dan in het referentiekader-2018. Op werkdagen in de avonduren (16–24 uur) zijn er zeven ambulances meer nodig, in de nachturen (0–8 uur) zijn er drie ambulances meer nodig dan in het referentiekader-2018. Op zaterdagen en zondagen varieert het aantal extra benodigde ambulances tussen +3 en +9. Omgerekend naar het aantal benodigde diensten betekent dit dat volgens het referentiekader-2019 er 8.990 diensten ambulancezorg nodig zijn, 1,4% meer dan in 2018 was berekend. Een dienst is hierbij gedefinieerd als het verlenen van 8 uur ambulancezorg door een ambulanceteam. Voor het verlenen van ambulancezorg over een etmaal zijn dan drie diensten nodig.
(5)
Pagina 18: Tabel 2.2, aandeel in totale productie was niet correct
Tabel 2.2: Uitgefilterde inzetten in de selecties voor het referentiekader-2019.
Totale productie1
614.659
380.781
327.404
1.322.844
Inzetten zonder tijdsregistratie
296 –
290 –
470 –
1.056 –
Rapid responder inzetten met een vervolgauto
5.681 –
5.646 –
0 –
11.327 –
Productie in referentiekader
608.682
374.845
326.934
1.310.461
Aandeel in totale productie (%)
99,0
98,4
99,9
99,1
1 De productie 2018 is conform Tabel 2.1.
(6)
Pagina 21: paragraaf 2.3 Gemiddelde ritduur – derde alinea
Landelijk is de gemiddelde ritduur van A1-inzetten in 2018 met 1 minuut en 13 seconden toegenomen naar 64 minuten en 47 seconden. De gemiddelde ritduur van A2-inzetten is met 1 minuut en 6 seconden toegenomen naar 63 minuten en 30 seconden. De gemiddelde ritduur van planbare ambulancezorg is in 2018 met 3 minuten en 43 seconden toegenomen tot 84 minuten en 22 seconden.
(7)
Pagina 22: paragraaf 2.3 Gemiddelde ritduur – Tabel 2.5
Tabel 2.5: Gemiddelde ritduur per regio in 2018 naar urgentieklasse (minuten en decimalen) en het verschil ten opzichte van 2017 (%).
RAV
2018
Verschil
(%)
2018
Verschil
(%)
2018
Verschil (%)
1
Groningen
71,5
0,8
68,1
–2,2
86,8
0,3
2
Friesland
70,6
1,8
67,4
–2,0
86,1
–1,0
3
Drenthe
65,2
1,2
60,0
–2,3
83,3
1,7
4
IJsselland
68,7
–1,3
69,1
0,0
98,5
–1,9
5
Twente
67,2
–0,5
69,6
1,2
86,7
–0,7
6
Noordoost Gelderland
67,2
1,3
65,7
1,4
84,7
0,7
7
Gelderland Midden
61,0
3,5
63,1
6,0
80,8
3,8
8
Gelderland Zuid
63,9
2,2
59,9
2,0
94,9
4,9
9
Utrecht
70,9
3,0
69,2
1,6
94,6
7,3
10
Noord-Holland Noord
67,4
1,9
62,2
1,5
86,5
3,1
11
Zaanstreek-Waterland
60,6
2,7
61,1
4,7
80,6
11,3
12
Kennemerland
61,8
–0,1
61,3
0,4
73,6
–1,4
13
Amsterdam-Amstelland
57,6
0,5
60,1
0,9
87,5
10,9
14
Gooi en Vechtstreek
56,6
1,6
57,4
2,4
63,9
4,0
15
Haaglanden
64,5
3,6
64,7
5,5
78,0
8,3
16
Hollands Midden
68,5
2,3
64,2
1,7
83,4
4,7
17
Rotterdam-Rijnmond
66,8
4,9
62,8
7,3
86,4
11,4
18
Zuid-Holland Zuid
64,4
–1,5
61,1
–0,7
72,6
–0,5
20
Midden- en West-Brabant
64,9
2,7
62,4
3,9
79,7
4,4
21
Brabant-Noord
66,3
3,7
62,6
5,0
86,6
1,7
22
Brabant-Zuidoost
57,8
0,7
54,9
0,0
79,3
0,4
23
Limburg Noord
65,8
–1,1
65,2
–0,7
87,3
0,5
24
Zuid Limburg
57,5
2,6
57,1
2,6
70,8
2,2
25
Flevoland
58,3
–0,4
59,0
–1,8
78,7
2,3
30
Texel
101,1
–3,0
87,6
–8,7
120,4
6,5
31
Vlieland
74,5
5,8
66,5
–11,6
92,2
38,6
32
Terschelling
84,7
–1,5
72,8
–0,6
83,1
27,5
33
Ameland
70,2
2,1
68,8
5,2
91,1
–6,6
34
Schiermonnikoog
72,4
–6,9
70,4
2,0
108,4
60,0
35
Goeree-Overflakkee
65,2
0,3
64,3
3,4
105,3
8,5
36
Schouwen-Duiveland
81,5
–1,0
81,2
–1,8
99,0
–6,1
37
Tholen
81,2
0,5
79,6
6,4
100,3
12,1
38
Walcheren en Bevelanden
68,1
0,7
66,4
–3,1
94,3
0,3
39
Zeeuws-Vlaanderen
66,0
–1,8
66,0
–1,4
92,8
–1,2
Landelijk
64,8
1,9
63,5
1,8
84,4
4,6
(8)
Pagina 23: Hoofdstuk 3 Referentiekader spreiding en beschikbaarheid 2019 – tweede alinea
Input: aantal uren ambulancezorg
Het capaciteitsmodel van het referentiekader berekent het aantal benodigde ambulances aan de hand van de ritgegevens in hoofdstuk 2. Voor het referentiekader wordt uitgegaan van 1.512.962 uren ambulancezorg, waarvan 1.053.683 uren spoedeisende inzetten en 459.279 uren planbare ambulancezorg. Het referentiekader-2019 gaat uit van 3,1% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2018.
(9)
Pagina 24: eerste en tweede alinea
Uitkomsten: aantal ambulances
Het eindresultaat van het capaciteitsmodel is het aantal benodigde ambulances per dagsoort en per blok van acht uren. Tabel 3.1 geeft de resultaten van het referentiekader-2019 per regio, dagsoort en blok van acht uren, tabel 3.2 geeft het verschil met het referentiekader-2018. In Nederland zijn op werkdagen overdag 622 ambulances nodig. Dat zijn acht meer dan in het referentiekader-2017. Op zaterdagen en zondagen overdag zijn negen ambulances meer nodig. In de avonduren zijn er zeven (werkdagen en zaterdagen) of zes (zondagen) meer ambulances nodig, in de nacht vier (zaterdagen) of drie (werkdagen en zondagen)
Op basis van het aantal benodigde ambulances is het aantal diensten per week bepaald. Een dienst is hier gedefinieerd als een werkduur van een ambulanceteam van 8 uur. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar dienstvorm (parate dienst, aanwezigheidsdienst of 24-uurs dienst). Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, conform het aantal werkdagen in een week. Tabel 3.3 geeft het aantal benodigde diensten per week. In heel Nederland zijn per week 8.990 diensten nodig. Dat zijn 128 meer dan in het referentiekader-2018, een toename van 1,4%.
(10)
Pagina 25, 26 en 27: Tabellen 3.1, 3.2 en 3.3
Tabel 3.1: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader –2019: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.
Groningen
17
34
22
17
24
21
18
22
20
Friesland excl. Waddeneilanden
19
32
23
19
26
23
20
25
22
Drenthe
13
25
17
14
19
17
14
18
16
IJsselland
12
24
16
12
17
15
13
16
14
Twente
12
23
16
12
17
15
12
16
15
Noordoost Gelderland
13
26
17
13
19
16
13
18
16
Midden Gelderland
10
19
13
10
15
13
10
14
12
Gelderland Zuid
11
22
15
11
16
14
11
15
13
Utrecht
18
43
29
19
31
26
20
28
24
Noord-Holl. N excl. Texel
10
19
13
10
15
13
11
14
13
Zaanstreek-Waterland
6
11
8
6
8
8
6
9
7
Kennemerland
8
17
11
8
12
11
8
12
11
Amsterdam-Amstelland
11
37
22
12
20
18
12
21
17
Gooi en Vechtstreek
3
7
5
3
6
5
4
5
5
Haaglanden
12
35
22
13
22
19
13
20
18
Hollands Midden
11
23
16
11
17
15
12
16
14
Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee
15
42
25
15
26
22
15
23
21
Zuid-Holland Zuid
9
17
12
9
13
11
9
12
11
Midden- en West-Brabant
18
38
26
19
28
24
20
26
24
Brabant-Noord
10
20
14
11
15
14
11
15
13
Brabant-Zuidoost
10
22
14
11
16
13
11
15
13
Limburg Noord
9
18
12
10
13
12
10
13
12
Zuid Limburg
7
18
11
7
12
10
7
11
10
Flevoland
8
13
10
8
11
10
8
10
10
Texel
2
3
2
2
2
2
2
3
2
Vlieland
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Terschelling
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Ameland
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Schiermonnikoog
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Goeree-Overflakkee
3
4
3
3
3
3
3
3
3
Schouwen-Duiveland
3
3
3
3
3
3
3
3
3
Tholen
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Walcheren en Bevelanden
6
11
8
7
9
8
7
8
8
Zeeuws-Vlaanderen
4
6
5
4
5
5
4
5
5
Totaal
300
622
420
309
450
396
317
426
382
Totaal Friesland
27
40
31
27
34
31
28
33
30
Totaal Noord-Holl. Noord
12
22
15
12
17
15
13
17
15
Totaal Rotterdam-Rijnm.
18
46
28
18
29
25
18
26
24
Totaal Zeeland
15
22
18
16
19
18
16
18
18
Tabel 3.2: Verschil van de capaciteitsberekeningen tussen het referentiekader–2019 en –2018: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.
Groningen
1
1
1
0
0
1
1
0
0
Friesland excl. Waddeneilanden
0
–1
0
0
1
0
0
1
0
Drenthe
0
0
0
0
1
1
0
1
0
IJsselland
0
0
1
0
–1
1
0
0
0
Twente
0
0
0
0
0
0
0
1
0
Noordoost Gelderland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Midden Gelderland
1
0
0
0
0
0
0
0
–1
Gelderland Zuid
1
1
1
1
0
1
0
0
0
Utrecht
1
2
2
2
2
2
2
1
1
Noord-Holl. N excl. Texel
0
1
0
0
1
0
0
0
1
Zaanstreek-Waterland
0
0
0
0
0
0
0
1
0
Kennemerland
0
0
0
0
0
0
0
0
1
Amsterdam-Amstelland
0
1
0
0
–1
0
0
1
0
Gooi en Vechtstreek
0
0
0
0
1
0
0
0
1
Haaglanden
0
1
1
0
0
0
0
0
0
Hollands Midden
0
0
0
0
0
0
1
0
0
Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee
0
2
0
0
2
1
–1
0
0
Zuid-Holland Zuid
–1
–1
–1
–1
–1
–1
–1
–1
–1
Midden- en West-Brabant
0
0
1
0
1
0
1
1
1
Brabant-Noord
0
0
1
0
1
1
0
1
0
Brabant-Zuidoost
0
0
0
1
0
0
0
0
0
Limburg Noord
0
0
0
0
–1
0
0
0
0
Zuid Limburg
0
0
0
0
1
0
0
1
0
Flevoland
0
0
0
0
1
0
0
0
1
Texel
0
1
0
0
0
0
0
1
0
Vlieland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Terschelling
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Ameland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Schiermonnikoog
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Goeree-Overflakkee
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Schouwen-Duiveland
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Tholen
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Walcheren en Bevelanden
0
0
0
1
1
0
0
0
1
Zeeuws-Vlaanderen
0
0
0
0
0
0
0
0
1
Totaal
3
8
7
4
9
7
3
9
6
Totaal Friesland
0
–1
0
0
1
0
0
1
0
Totaal Noord-Holl. Noord
0
2
0
0
1
0
0
1
1
Totaal Rotterdam-Rijnm.
0
2
0
0
2
1
–1
0
0
Totaal Zeeland
0
0
0
1
1
0
0
0
2
Tabel 3.3: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2019: aantal diensten per week.
Groningen
487
470
17
3,6
Friesland excl. Waddeneilanden
505
508
–3
–0,6
Drenthe
373
370
3
0,8
IJsselland
347
342
5
1,5
Twente
342
341
1
0,3
Noordoost Gelderland
375
375
0
0,0
Midden Gelderland
284
280
4
1,4
Gelderland Zuid
320
303
17
5,6
Utrecht
598
563
35
6,2
Noord-Holl. N excl. Texel
286
279
7
2,5
Zaanstreek-Waterland
169
168
1
0,6
Kennemerland
242
241
1
0,4
Amsterdam-Amstelland
450
445
5
1,1
Gooi en Vechtstreek
103
101
2
2,0
Haaglanden
450
440
10
2,3
Hollands Midden
335
334
1
0,3
Rotterdam-Rijnmond excl. Goeree-Overflakkee
532
520
12
2,3
Zuid-Holland Zuid
255
276
–21
–7,6
Midden- en West-Brabant
551
542
9
1,7
Brabant-Noord
299
291
8
2,7
Brabant-Zuidoost
309
308
1
0,3
Limburg Noord
265
266
–1
–0,4
Zuid Limburg
237
235
2
0,9
Flevoland
212
210
2
1,0
Texel
48
42
6
14,3
Vlieland
42
42
0
0,0
Terschelling
42
42
0
0,0
Ameland
42
42
0
0,0
Schiermonnikoog
42
42
0
0,0
Goeree-Overflakkee
68
68
0
0,0
Schouwen-Duiveland
63
63
0
0,0
Tholen
42
42
0
0,0
Walcheren en Bevelanden
172
169
3
1,8
Zeeuws-Vlaanderen
103
102
1
1,0
Totaal
8.990
8.862
128
1,4
Totaal Friesland
673
676
–3
–0,4
Totaal Noord-Holl. Noord
334
321
13
4,0
Totaal Rotterdam-Rijnm.
600
588
12
2,0
Totaal Zeeland
380
376
4
2,1
(11)
Pagina 29, Hoofdstuk 4 Conclusies en discussie – tweede, derde en vierde alinea:
Productiestijging
De productie van de Nederlandse ambulancezorg wordt door Ambulancezorg Nederland gepubliceerd op de website Sectorkompas Ambulancezorg. Het totaal aantal inzetten in 2018 was 1.322.844. Voor het referentiekader worden op basis van uitgangspunten van het referentiekader 11.913 inzetten uit de productie gefilterd. Het merendeel van de uitgefilterde inzetten zijn inzetten van een rapid responder waarbij een tweede voertuig is ingezet voor vervoer van de patiënt. Op basis van deze filters wordt 0,9% van de productie uit de selectie gefilterd. Het referentiekader-2019 gaat uit van 1.310.461 inzetten, waarvan 608.682 met A1-urgentie, 374.845 met A2-urgentie en 326.934 inzetten in de planbare ambulancezorg (B-urgentie). In vergelijking met de cijfers voor het referentiekader-2018 is dat een productiestijging van 0, %. Tussen regio’s bestaan grote verschillen in productiegroei, de groei van de totale productie varieert tussen -4,0% en +5,0%. De capaciteitsberekeningen van het referentiekader gaan uit van een schatting van het aantal uren ambulancezorg in 2018. Hiervoor is de gemiddelde ritduur van belang. Landelijk is de gemiddelde ritduur van alle soorten inzetten toegenomen: met 1 minuut en 13 seconden (A1-urgentie), ruim 1 minuut (A2) en met drie minuten en ruim veertig seconden (B urgentie). In het capaciteitsmodel wordt gerekend op het niveau van regio, dagsoort en uur van de dag en zijn de gemiddelde ritduren gedifferentieerd. In totaal wordt voor het referentiekader uitgegaan van 1.512.962 uren ambulancezorg, waarvan 1.053.683 uren spoedeisende inzetten en 459.279 uren planbare ambulancezorg. Het referentiekader-2019 gaat uit van 3,1% meer uren ambulancezorg dan het referentiekader-2018.
Aantal benodigde ambulances en diensten
Deze productiestijging in de Nederlandse ambulancezorg leidt er toe dat er op werkdagen overdag 622 ambulances nodig zijn. Dat zijn er acht meer ten opzichte van het referentiekader-2018. Op zaterdagen en zondagen overdag zijn negen meer ambulances nodig. In de avonduren zijn er zeven (werkdagen en zaterdagen) of zes (zondagen) meer ambulances nodig. In de nachturen zijn dit er vier (zaterdagen) of drie (werkdagen en zondagen).
Volgens het referentiekader-2019 zijn er 8.990 diensten nodig. Het aantal diensten is berekend door het aantal ambulances over de dagsoorten en blokuren op te tellen, waarbij het aantal ambulances op werkdagen vermenigvuldigd is met een factor vijf, het aantal werkdagen in een week. Ten opzichte van het referentiekader-2018 zijn in 2019 128 meer diensten nodig, een toename van 1,4% ten opzichte van het referentiekader-2018.
(12)
Pagina 30, derde alinea, eerste zin:
Stijging van het aantal benodigde ambulances
De stijging van 3,1% in 2018 van het aantal uren ambulancezorg in de cijfers voor het referentiekader leidt tot een stijging van 1,4% van het aantal diensten: van 8.862 diensten in het referentiekader-2018 tot 8.990 in het referentiekader-2019.
aantal ambulanceritten vanuit het buitenland gespecificeerd naar land en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).
b.
aantal ambulanceritten vanaf een (Nederlandse) luchthaven gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).
c.
aantal begeleide patiënttransporten, anders dan met een ambulance, gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisdres).
3.
Personeel (ultimo van het jaar):
a.
formatie van vaste krachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).
b.
formatie van oproepkrachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).
Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de buitenlandvervoerder de juistheid van de gegevens bevestigt.