Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 oktober 2012, nr. CZ-3131585, houdende nieuwe eisen inzake de ambulancezorg (Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg)

Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Besluit:

Hoofdstuk

I

Algemeen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b.

    A1-rit: een spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de meldkamer in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten;

  • c.

    ambulancebijstandsplan: protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances;

  • d.

    buitenlandvervoer: het vervoeren van patiënten onder medische begeleiding op basis van een medische indicatie vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd, met inbegrip van het vervoer per ambulance vanaf of naar de Nederlandse luchthavens van patiënten voor wie ambulancezorg is aangewezen vanwege een in het buitenland of Nederland opgelopen ziekte of ontstaan ongeval;

  • e.

    directeur meldkamer: de directeur meldkamer, bedoeld in artikel 35 van de Wet veiligheidsregio’s;

  • f.

    directeur publieke gezondheid: de directeur publieke gezondheid, bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;

  • g.

    gewondenspreidingsplan: overzicht van de medische behandelcapaciteit van ziekenhuizen;

  • h.

    partners in de acute zorgketen: huisartsen, verloskundigen, GGZ-instellingen en ziekenhuizen, inclusief de traumacentra, in de regio;

  • i.

    ROAZ: het Regionaal Overleg Acute Zorg, ingesteld ingevolge artikel 4 van de Wet toelating zorginstellingen;

  • j.

    triage: het dynamische traject van urgentie bepalen en het vervolgtraject indiceren ten behoeve van een juiste en adequate hulpverlening.

Hoofdstuk

II

Spreiding en beschikbaarheid

Artikel

2

Hoofdstuk

III

Landelijke eisen ambulancezorg

§

1

Algemeen

Artikel

3

De Regionale Ambulancevoorziening is in Nederland gevestigd.

Artikel

4

De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.

Artikel

5

De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.

Artikel

6

Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.

§

2

De cliënt

Artikel

7

Artikel

8

§

3

Prijs en doelmatigheid

Artikel

9

§

4

Samenwerking in de zorgketen en met buur- en grensregio’s

Artikel

10

De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.

Artikel

11

§

5

Het personeel

Artikel

12

§

6

De organisatie

Artikel

13

De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.

Artikel

14

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.

Artikel

15

De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.

Artikel

16

De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.

§

7

De meldkamer ambulancezorg

Artikel

17

Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.

Artikel

18

Artikel

19

§

8

Opschaling

Artikel

20

Artikel

21

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.

§

9

Regionale eisen ambulancezorg

Artikel

22

Hoofdstuk

IV

Gegevensverstrekking ambulancezorg

Artikel

23

Artikel

24

De Regionale Ambulancevoorziening verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Hoofdstuk

V

Bijzondere ambulancezorg

§

1

Uitzonderingen

Artikel

25

§

2

Landelijke eisen voor buitenlandvervoer

Artikel

26

Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.

Artikel

27

Artikel

28

De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.

Artikel

29

De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.

Artikel

30

De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.

Artikel

31

De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Hoofdstuk

VI

Slotbepalingen

Artikel

35

Wijzigt het Besluit 1-1-2 alarmcentrales.

Artikel

36

Wijzigt de PODACS-regeling.

Artikel

38

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.I.Schippers

Bijlage

1

bij ministeriële regeling CZ-3131585

Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg 2008

RIVM Briefrapport 270192001/2008

ir. G.J. Kommer, drs. S.L.N. Zwakhals

Contact:

G.J. Kommer

Centrum Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (cVTV)

g.kommer@rivm.nl

Een modelmatige benadering van de spreiding en capaciteit van de ambulancezorg in Nederland.

Dit onderzoek werd verricht in opdracht van het ministerie van VWS.

©RIVM 2008

Delen uit deze publicatie mogen worden opgenomen op voorwaarden van bronvermelding: ‘Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg 2008, Bilthoven, 2008.’

1

Inleiding

Het Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg definieert de spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances in Nederland in een samenhangend geheel. Het is een modelmatige benadering van spreiding en capaciteit op landelijk niveau. Op basis van het referentiekader worden regionale budgetten vastgesteld; het kader is daarmee ook een model voor de macrofinanciering van de ambulancezorg. Ofschoon het referentiekader als basis dient voor het financiële kader van de ambulancezorg, valt het financiële aspect buiten het kader van onderhavig onderzoek. De financiële consequenties worden in een vervolgtraject onderzocht en vastgesteld.

In het referentiekader worden landelijk eenduidige uitgangspunten en objectieve criteria gehanteerd voor de reguliere ambulancezorg. Het staat aanbieders en verzekeraars echter vrij om, met inachtneming van de uitgangspunten en criteria, waaronder in het bijzonder de regiogrensoverschrijdende inzet, afspraken te maken waarbij wordt afgeweken van dit referentiekader.

Een expertteam (bijlage A) bestaande uit vertegenwoordigers van het Ministerie van VWS, Ambulancezorg Nederland (AZN), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), aangevuld met provinciale expertise vanuit de provincie Gelderland, heeft onder voorzitterschap van prof. dr. W. Derksen het referentiekader-2008 opgesteld. Het expertteam heeft de uitgangspunten en randvoorwaarden van het onderzoek vastgesteld, het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het referentiekader is uitgevoerd door en valt onder verantwoordelijkheid van het RIVM.

Het referentiekader-2008 is een actualisatie van het referentiekader dat in 2004 door het Ministerie van VWS is vastgesteld [1, 2]. Het referentiekader-2004 was gebaseerd op gegevens over het peiljaar 2001. Het onderhavige referentiekader-2008 is gebaseerd op ritgegevens van de ambulancezorg over het jaar 2006. Met betrekking tot de randvoorwaarden en uitgangspunten sluit deze actualisatie grotendeels aan op het referentiekader-2004. Er is echter ook een aantal belangrijke verschillen ten opzichte van 2004. Eén daarvan is dat nu, ten aanzien van de spreiding van standplaatsen, het uitgangspunt is dat minstens 97% van de bevolking van elke RAV-regio binnen 12 minuten rijtijd kan worden bereikt. In het referentiekader-2004 werd uitgegaan van een landelijke dekking van 95% bij 13 minuten rijtijd.

Een ander belangrijk verschil in het referentiekader-2008 ten opzichte van 2004 is dat gebruik wordt gemaakt van een nieuw rijtijdenmodel. Het eerdere rijtijdenmodel was gebaseerd op ambulancerijsnelheden uit 1998 en een routeplanner uit 1999 [3]. Het nieuwe rijtijdenmodel gebruikt rijsnelheden en een routeplanner uit 2007. In deze routeplanner wordt een wegennet gebruikt dat is afgestemd op de ambulancezorg. Er zijn bijvoorbeeld ook busbanen en afslagen in opgenomen die in het normale wegenverkeer niet gebruikt mogen worden maar door de ambulance in geval van spoedvervoer wel. In hoofdstuk 2 geven we een toelichting op het nieuwe rijtijdenmodel.

Het rijtijdenmodel is een belangrijk instrument om op basis van een bepaalde spreiding van standplaatsen de dekking van de ambulancezorg te bepalen. De dekking geeft het aantal inwoners dat binnen een bepaalde rijtijd kan worden bereikt. Met het model kunnen tevens gebieden worden geïdentificeerd die, gegeven een bepaalde spreiding, lange rijtijden hebben omdat de afstand tot de standplaats groot is. In het referentiekader-2008 zijn, ten opzichte van het referentiekader-2004, een belangrijk aantal van deze gebieden geëlimineerd omdat een aantal nieuwe standplaatsen aan de spreiding zijn toegevoegd om de dekking in elke regio minstens 97% te laten zijn.

Met het beschikbaarheidsmodel wordt de capaciteit berekend die nodig is om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Het berekent op basis van het aantal standplaatsen en de ritstatistieken, per RAV-regio, de benodigde ambulancecapaciteit om aan een bepaalde vraag naar spoedeisende (A-vervoer) en planbare ambulancezorg (B-vervoer) te voldoen en om de paraatheid in de regio te waarborgen.

Een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden ligt ten grondslag aan het referentiekader (bijlage B). De belangrijkste worden hier kort samengevat.

  • 1.

    Reguliere ambulancezorg -- Het betreft de reguliere ambulancezorg in Nederland. Andere inzetten, zoals bijstand in het kader van grootschalige evenementen en bij rampen, inzetten ten behoeve van Mobiel Medische Teams (MMT’s) en van Huisartsenposten, en assistentie waarbij de landsgrenzen worden overschreden vallen buiten het kader.

  • 2.

    Responstijd -- De bereikbaarheidsnorm voor het A1-spoedvervoer is 15 minuten. Ten aanzien van deze responstijd van 15 minuten wordt uitgegaan van 3 minuten voor het meld- en uitrukproces, en 12 minuten rijtijd. Bij rijdende paraatheid wordt uitgegaan van 13 minuten rijtijd en 2 minuten voor het meld- en uitrukproces.

  • 3.

    Dekking -- Als maat voor de dekking wordt het aantal inwoners gehanteerd. Door uitbreiding van het aantal standplaatsen in het referentiekader-2004 is bereikt dat elke RAV-regio minstens 97% dekking realiseert.

  • 4.

    Open RAV-grenzen -- Er wordt uitgegaan van open RAV-regiogrenzen, wat betekent dat een inzet voor spoedeisende hulp wordt gegeven aan de dichtstbijzijnde standplaats, ongeacht de RAV-grens.

  • 5.

    Congruentie veiligheidsregio’s -- In het onderzoek naar het referentiekader-2008 zijn alle gerealiseerde en geplande congruentieaanpassingen meegenomen (peildatum 1 januari 2008). Dit betekent dat onder meer de gemeente Haarlemmermeer aan de RAV Kennemerland is toegedeeld, de RAV Zaanstreek/Waterland als aparte RAV wordt onderscheiden en de gemeente Deventer tot de RAV-regio IJssel-Vecht is gerekend en de gemeente Heerde aan de RAV Noordoost Gelderland.

2

Data en modellen

Voor de berekeningen voor het referentiekader-2008 wordt gebruik gemaakt van ritgegevens over het jaar 2006. Twee modellen spelen een belangrijke rol in het referentiekader. Met het rijtijdenmodel voor spoedeisende ambulancevervoer (paragraaf 2.1) wordt de dekking van de ambulancezorg berekend. Tevens wordt dit model gebruikt om de spoedeisende inzetten uit de ritstatistieken over 2006 toe te wijzen aan de dichtstbijzijnde standplaats in het referentiekader. Deze herverdeling van ritten is noodzakelijk in verband met het uitgangspunt van open RAV-grenzen. De herverdeelde ritten zijn invoer van het beschikbaarheidsmodel (paragraaf 2.3) dat de benodigde capaciteit berekent voor de ambulancezorg.

2.1

Ritgegevens

De ritgegevens over 2006 zijn per RAV verzameld door de ‘ruwe’ rittendatabases op te vragen. De ruwe gegevens bevatten een aantal ritten die niet tot de reguliere ambulancezorg behoren, maar die worden uitgevoerd in het kader van extra taken die de RAV-en hebben. Zo zijn er bijvoorbeeld assistentie-inzetten voor Mobiel Medische Teams en inzetten bij grootschalige evenementen. Naast selecties op de reguliere ambulancezorg, zijn de ruwe gegevens bewerkt omdat in een aantal gevallen ritinformatie onvolledig was. Er is bijvoorbeeld in een aantal gevallen de locatie van het incident niet opgegeven.

Het resultaat van deze selecties is dat in Nederland in 2006 ruim 930.000 ritten zijn uitgevoerd in het kader van de reguliere ambulancezorg, waarvan bijna 44% A1-urgentie had, ruim 20% een A2-urgentie en ruim 35% besteld vervoer was (tabel 1). Deze cijfers verschillen enigszins van de cijfers in het brancherapport van de ambulancezorg dat in opdracht van AZN eind 2007 is uitgegeven [4]. De verschillen zijn verklaarbaar omdat de selecties anders zijn uitgevoerd. Een belangrijk verschil is gelegen in het perspectief van de cijfers. In het referentiekader wordt uitgegaan van het perspectief van RAV-organisatie, waar het brancherapport uitgaat van het geografisch perspectief van de RAV-regio. Het verschil uit zich in de aantallen ritten grensoverschrijdende assistentie (tabel 1). In het brancherapport worden deze herverdeeld naar de regio waarin de assistentie plaatsvond, in ons onderzoek worden deze ritten aan de uitvoerende RAV toegerekend.

‘First en Rapid responders’

In de selectie van ritten zijn inzetten van ‘first responders’ uitgesloten. Dit is namelijk geen reguliere ambulancezorg. In deze inzetten wordt een andere dan een ambulanceteam, zoals politie, brandweer of EHBO-ers, als eerste naar een incident gestuurd om daar de eerste spoedeisende hulp te verlenen. Een ambulance komt dan soms later. In deze gevallen wordt de ambulance-inzet wel meegenomen. De first responder wordt echter nooit meegenomen.

Inzetten van een ‘rapid responder’ zijn inzetten die uitgevoerd worden door een ambulanceverpleegkundige, waarbij er geen mogelijkheid tot vervoer is. Dit zijn inzetten van zogenaamde ‘solo-ambulances’ of ‘motorambulances’. Inzetten van rapid responders zijn alleen meegenomen wanneer er geen vervolginzet van een ‘vervoersambulance’ is geweest. Dit is gedaan om dubbeltellingen te voorkomen. De inzet van de vervoersambulance wordt wel in de berekeningen meegenomen. In 2006 hebben 9 RAV-regio’s in totaal 16.122 maal een rapid responder ingezet. Op basis van de selectiecriteria worden 12.498 inzetten in de capaciteitsberekeningen meegenomen.

Tabel 1: Aantallen ritten in 2006 naar urgentie en overzicht van grensoverschrijdende assistentie, na selectie voor de capaciteitsberekeningen.

1

Groningen

17.796

8.641

17.209

43.646

4,7

663

1.744

2

Friesland

15.349

6.406

13.607

35.362

3,8

823

201

3

Drenthe

13.713

8.015

7.566

29.294

3,1

1.742

840

4

IJssel-Vecht

8.432

9.044

11.057

28.533

3,1

2.191

3.083

5

Twente

9.708

11.082

8.264

29.054

3,1

608

381

6

Noordoost Gelderland

15.097

12.445

11.953

39.495

4,2

2.927

3.195

7

Gelderland Midden

13.274

6.677

10.220

30.171

3,2

5.467

829

8

Gelderland Zuid

9.632

7.396

11.140

28.168

3,0

1.107

2.683

9

Utrecht

24.087

15.351

29.832

69.270

7,4

799

3.609

10

Noord-Holland Noord

16.556

4.882

8.273

29.711

3,2

379

1.104

11

Agglomeratie Amsterdam

37.280

7.395

30.124

74.799

8,0

717

1.930

12

Kennemerland

18.358

4.601

11.321

34.280

3,7

1.438

256

13

Zaanstreek/Waterland

9.460

2.206

4.598

16.264

1,7

22

16

14

Gooi- en Vechtstreek

7.547

1.842

4.739

14.128

1,5

506

122

15

Haaglanden

34.217

13.248

12.408

59.873

6,4

1.032

489

16

Hollands Midden

21.424

5.484

15.022

41.930

4,5

574

639

17

Rotterdam-Rijnmond

40.036

9.976

32.607

82.619

8,9

774

1.628

18

Zuid-Holland Zuid

10.492

5.410

9.449

25.351

2,7

907

346

19

Zeeland

9.376

4.418

6.394

20.188

2,2

252

1

20

Midden West Brabant

16.928

16.462

19.211

52.601

5,7

1.433

983

21

Brabant Noord

9.116

9.029

10.194

28.339

3,0

1.950

1.224

22

Zuidoost Brabant

15.225

6.183

13.287

34.695

3,7

348

1.585

23

Noord- en Midden Limburg

10.533

6.259

7.619

24.411

2,6

1.181

1.510

24

Zuid Limburg

14.232

7.774

17.287

39.293

4,2

628

392

25

Flevoland

10.010

4.182

4.800

18.992

2,0

596

274

Landelijk totaal

407.878

194.408

328.181

930.467 1) 2)

100,0

29.064

29.064

Noten: 1) In de eindselectie voor de capaciteitsberekeningen komt een klein aantal ritten te vervallen omdat informatie over het tijdstip en/of locatie van de melding ontbreekt. 2) Inclusief inzetten van ‘rapid responders’ die in de capaciteitsberekeningen meetellen, met uitzondering van 2.689 inzetten in RAV Haaglanden.

2.2

Rijtijdenmodel

Het rijtijdenmodel is in twee stappen geconstrueerd. In de eerste stap zijn ambulancesnelheden bij spoedeisend ambulancevervoer geschat uit een groot aantal meetgegevens uit het registratiesysteem Ambunet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar drie dagdelen, drie regiotypen en 22 wegtypen.

In Ambunet worden snelheden en posities van ambulances in Nederland geregistreerd, onder meer ten behoeve van de geografische informatie op de meldkamers. Het bureau CityGIS beheert deze gegevens. In de periode van augustus tot en met oktober 2007 zijn gegevens uit Ambunet voor het onderzoek verzameld. In de metingen zijn snelheden van ambulances bij spoedritten geregistreerd, waarbij is geselecteerd in het tijdsvak van vertrek van de ambulance tot de aankomst bij het incident. Het was technisch niet mogelijk om van alle ambulances in Nederland gedurende de meetperiode snelheden te verzamelen. Daarom is een selectie van RAV-en gemaakt waarvan data zijn verzameld. De gemeten snelheden zijn bewerkt en in een analyse zijn de gemiddelde snelheden bepaald.

De gemiddelde snelheden zijn in een tweede stap ingevoerd in een routeplanner. De routeplanner bevat onder meer ook rijbanen van het openbaarvervoer waar ambulances gebruik van kunnen maken in geval van A1-vervoer. In de doorrekening van de routeplanner zijn, op basis van de gemiddelde snelheden, van trajecten de kortste rijtijden bepaald. Hierbij is uitgegaan van het geografische niveau van 4-positie postcodes. CityGIS heeft de routeplanner beschikbaar gesteld en heeft de rijtijdenberekeningen uitgevoerd. Het RIVM heeft de resultaten, rijtijdmodellen voor drie regiotypen en dagdelen, geïntegreerd tot het eindresultaat van drie rijtijdmodellen voor de drie dagdelen: spits, dagsituatie buiten de spits en de avond/nachtperiode. Het rijtijdenmodel voor de spitsperiode heeft de langste rijtijden.

De resultaten van het rijtijdenmodel zijn op twee manieren geverifieerd. Ten eerste is onderzocht of de meetperiode representatief is voor het gehele jaar. Ten tweede is gekeken of de aan de meting deelnemende regio’s representatief zijn voor heel Nederland. Uit de toetsing is gebleken dat het rijtijdenmodel representatief is voor Nederland en ook voor de maanden die buiten de meetperiode vallen.

Om deze toetsen te kunnen uitvoeren zijn enkele aannames gemaakt en moeten enkele kanttekeningen in acht worden genomen. Ten eerste was een belangrijke onzekerheid dat in de ritgegevens geen trajectinformatie beschikbaar is; we kunnen uit de ritgegevens niet herleiden welk traject de ambulance bij een inzet heeft afgelegd. Ten tweede waren er nog onzekerheden in de tijdenregistraties. Tenslotte is er een verschil in het niveau van geografisch detail; het rijtijdenmodel is gedefinieerd op het niveau van 4-positie postcodes, terwijl de ritgegevens waarmee wordt vergeleken op 6-positie postcodeniveau zijn gegeven.

Uit de vergelijking van het rijtijdenmodel met gerealiseerde rijtijden is gebleken dat de modelrijtijd van trajecten met een lange rijtijd in het algemeen hoger is dan de gerealiseerde rijtijden. Dit betekent dat het model voor deze trajecten enigszins pessimistisch is; in werkelijkheid worden trajecten sneller gereden dan het model aangeeft. Andersom is voor trajecten met een korte rijtijd het model enigszins optimistisch; in werkelijkheid worden op die trajecten hogere rijtijden gerealiseerd. Deze modelonzekerheid bestond ook in het rijtijdenmodel dat gebruikt is in het referentiekader-2004, in het nieuwe rijtijdenmodel is deze onzekerheid niet geheel weggenomen, maar wel aanzienlijk verminderd. Deze ontwikkeling van het rijtijdenmodel heeft belangrijke gevolgen voor de berekening van de dekking bij een bepaalde spreiding (hoofdstuk 3).

In het onderzoek is uitgegaan van de ‘worst-case’ bereikbaarheidssituatie. Omdat de rijsnelheden voor de spitsperiode het laagst zijn, geeft het rijtijdenmodel voor de spits langere rijtijden dan de rijtijdenmodellen voor de andere dagdelen. Daarom is in het onderzoek ten behoeve van het referentiekader-2008 gebruik gemaakt van het rijtijdenmodel voor de spitsperiode. Dekkingsgraden voor de dagperiode buiten de spits en voor de avond- en nachtperiode zullen waarschijnlijk iets gunstiger zijn dan in dit rapport wordt beschreven.

2.3

Beschikbaarheidsmodel

Het beschikbaarheidsmodel berekent per RAV-regio, per dagsoort (werkdagen, zaterdagen en zondagen) en per dagdeel (blokken van 2 uur, in resultaten geaggregeerd naar drie dagdelen 0–8 uur, 8–16 uur en 16–24 uur) de benodigde ambulancecapaciteit om aan de volgende drie vraagsoorten te voldoen:

  • (1)

    spoedvervoer (A1- en A2-urgentie),

  • (2)

    besteld vervoer (B-urgentie), en

  • (3)

    de geografische paraatheidswaarborging.

Invoer in het model zijn de A1-, A2- en B-ritten, de gemiddelde ritduur voor deze drie ritsoorten uitgesplitst naar dagdeel en dagsoort en de spreiding van standplaatsen conform het referentiekader. Het model is generiek. Dat wil zeggen dat het geldig is voor alle RAV-regio’s, stedelijk en platteland, voor elk dagdeel en voor elk dagtype. Het model is geaccepteerd voor capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2004 en is voor onderhavig onderzoek verder ontwikkeld.

Volgens het uitgangspunt van ‘open RAV-grenzen’ worden A-ritten verzorgd door de standplaats met de kortste rijtijd naar het incident. Voor de invoer van het model betekent dit dat de A-ritten worden herverdeeld en toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats. Deze laatste wordt bepaald met gebruik van het rijtijdenmodel. Benodigde capaciteit voor het B-vervoer wordt op RAV-niveau bepaald. Hier vindt dus geen herverdeling van ritten plaats.

Spoedvervoer

De spoedritten worden dus per standplaats van het referentiekader in het beschikbaarheidsmodel ingevoerd. De gemiddelde ritduur en het aantal B-ritten zijn op RAV-niveau in het model meegenomen. De benodigde capaciteit voor het spoedvervoer wordt berekend met de zogenaamde ‘faalkansmethode’. In deze methode wordt verondersteld dat in een blokuur de meldingen op de meldkamer volgens een Poisson-verdeling binnenkomen. Aan de hand van deze verdeling kan worden bepaald hoeveel ambulances in het blokuur nodig zijn om niet boven een bepaalde maximum ‘faalkans’ uit te komen. Bij een 5% faalkans betekent dit dat in 5% van de gevallen er geen ambulance beschikbaar is voor een melding. Met nadruk moet erop gewezen worden dat dit een modelmatige veronderstelling is in de capaciteitsberekeningen en niet verward mag worden met overschrijdingspercentages uit de praktijk. Overschrijdingen zijn spoedinzetten die in de praktijk, om welke reden dan ook, een responstijd hebben gehad van meer dan 15 minuten (de norm).

Geografische paraatheidswaarborging

Het derde element van de capaciteitsberekeningen, de geografische paraatheidswaarborging, berekent per RAV-regio het aantal standplaatsen dat nodig is om de geografische paraatheid te waarborgen. Hiervan worden twee varianten gebruikt, in de maximum variant wordt uitgegaan van ‘standplaats paraatheid’ waarbij de ambulance vanaf standplaats uitrukt. In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op deze variant. De maximum variant wordt gebruikt op werkdagen ’s avonds en ’s nachts, op zaterdagen en op zon- en feestdagen. In de minimum variant wordt ‘rijdende paraatheid’ verondersteld en is de ambulance reeds op de weg. In deze variant is er geen uitruktijd en er wordt verondersteld dat de ambulance een minuut meer rijtijd beschikbaar heeft. Voor de minimum variant is bepaald wat in een RAV-regio het minimum aantal ‘uitrukpunten’ is om bij 13 minuten rijtijd een beoogde dekking te bereiken. Hierbij zijn deze uitrukpunten zo optimaal mogelijk over de regio verdeeld. De minimum variant wordt gebruikt voor de situatie overdag op werkdagen.

Eilandbenadering

In het tweede en derde element (B-vervoer en geografische paraatheidswaarborging) van het beschikbaarheidsmodel worden capaciteiten berekend op RAV-niveau en wordt ervan uitgegaan dat capaciteit ‘planbaar’ over de regio kan worden verdeeld en ingezet. Centrale gedachte hierbij is dat het referentiekader expliciet een kader is en niet als blauwdrukplanning is bedoeld. Binnen de regio heeft elke RAV de vrijheid de ambulancevoorziening naar eigen inzicht te optimaliseren. Echter enkele RAV-en hebben (schier)eilanden in hun verzorgingsgebied die maken dat een capaciteitsbepaling voor de gehele RAV te weinig vrijheidsgraden oplevert binnen de capaciteitsbepaling. Om hieraan recht te doen zijn de (schier)eilanden als afzonderlijke RAV-regio’s beschouwd. Dit heet de zogenaamde eilandbenadering. Het betreft de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en geheel Zeeland. Deze laatste regio is als vier afzonderlijke regio’s benaderd: Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren & de Bevelanden en Zeeuws-Vlaanderen. Voor deze gebieden wordt het tweede en derde element van het capaciteitsmodel, het besteld vervoer en de geografische paraatheids-waarborging, per ‘eiland’ bepaald.

3

Spreiding referentiekader-2008

De spreiding van standplaatsen in het referentiekader-2008 is gebaseerd op de spreiding in het referentiekader-2004. Van het vorige referentiekader is de dekking doorgerekend met het nieuwe rijtijdenmodel, uitgaande van 12 minuten rijtijd (tabel 2, kaart 1). Met het nieuwe rijtijdenmodel is de landelijke dekking bij 12 minuten rijtijd 97,9%.

De spreiding is in een aantal stappen aangepast. In een eerste analyse is de dekking van het referentiekader-2004 doorgerekend met het nieuwe rijtijdenmodel. De resultaten van die analyse laten zien dat de dekkingspercentages per regio hoger zijn dan in het referentiekader-2004 is gerapporteerd [1], omdat het nieuwe rijtijdenmodel de rijtijd van trajecten met lange rijtijden beter benadert. Ofschoon de dekking hoger uitvalt, haalt een aantal regio’s nog niet de doelstelling van 97% dekking. Daarom is het aantal standplaatsen uitgebreid. Voordat tot uitbreiding kon worden overgegaan zijn enkele aanpassingen gedaan:

  • 1.

    Enkele standplaatsen hadden in het referentiekader-2004 een onjuiste locatie. Ondanks de toenmalige validatie van de data was een aantal verplaatsingen van standplaatsen die in het peiljaar 2001 al waren gerealiseerd, niet in het referentiekader meegenomen. Onder andere ontbrak in het referentiekader de verhuizing van een standplaats in de stad Groningen naar de noordzijde van de stad. Dit had tot gevolg dat ten noorden van de stad, in Bedum, een nieuwe standplaats toegevoegd was om de dekking in de regio Groningen te verhogen. Door de correctie van de locaties van de Groningse standplaatsen is standplaats Bedum uit het referentiekader-2004 komen te vervallen.

  • 2.

    Voordat standplaatsen worden toegevoegd in regio’s met minder dan 97% dekking, zijn locaties van standplaatsen in die regio’s geactualiseerd. Zo is bijvoorbeeld na 2004 de standplaats Harlingen naar een locatie meer landinwaarts verplaatst, met een verbetering van de dekking als gevolg, deze verhuizing is overgenomen.

Door de aanpassing aan de congruentie van de veiligheidsregio’s (zie hoofdstuk 1) is de standplaats Hoofddorp, in het referentiekader-2004 vallend onder de RAV Agglomeratie Amsterdam, overgegaan naar de RAV Kennemerland.

Na de aanpassingen heeft het referentiekader-2004 nog 194 standplaatsen en is van 5 standplaatsen de locatie gewijzigd. Eén standplaats is naar een andere RAV gegaan. Vanuit deze situatie zijn in twee fases standplaatsen toegevoegd.

Twee regio’s hebben een dekkingspercentage onder (afgerond) 95%, Friesland en Zeeland. In een eerste stap zijn in deze regio’s samen drie standplaatsen toegevoegd, waarmee voor alle regio’s de dekking minstens 95% bedroeg. Het beeld van deze spreiding, zie kaart 2, toont nog een groot aantal gebieden buiten het 12-minuten bereik van een standplaats. Op basis hiervan is besloten dat de dekking voor elke regio minstens 97% moet zijn. Hiertoe zijn 9 extra standplaatsen toegevoegd (kaart 3). Tabel 2 laat de nieuwe dekkingspercentages zien na uitbreiding van de spreiding tot 206 standplaatsen.

Voor de uitbreiding van het aantal standplaatsen is een regionaal perspectief gehanteerd. Dit betekent dat in de regio’s met minder dan 97% dekking is gezocht naar die locatie die het dekkingspercentage het meest verhoogt, op basis van het aantal inwoners dat binnen 12 minuten rijtijd wordt bereikt. Tabel 3 geeft een overzicht van de in totaal 12 toegevoegde standplaatsen. Bijlage C geeft een gedetailleerd overzicht van de standplaatsen in het referentiekader in vergelijking met de actuele situatie.

In kaart 3 zien we nog een aantal gebieden buiten 12 minuten rijtijd. Als ook deze gebieden moeten worden bereikt, zullen meer standplaatsen toegevoegd moeten worden. Berekend is dat 22 standplaatsen extra toegevoegd moeten worden om voor elke regio meer dan 99,5% dekking te realiseren, zodat het totaal voor Nederland dan op 228 standplaatsen komt. Het expertteam heeft besloten het referentiekader niet tot dit aantal standplaatsen uit te breiden. De meeste van deze standplaatsen zijn gelegen in zeer dunbevolkte gebieden waar een zeer geringe vraag naar ambulancezorg is. Dit vergroot de kans op negatieve effecten op de ervaringsdeskundigheid en arbeidssatisfactie van de ambulanceteams, en daarmee op de kwaliteit van de zorg.

Tabel 2: Aantal standplaatsen en dekkingspercentages (aantal inwoners binnen 12 minuten rijtijd bereikt) in het referentiekader-2008 en -2004.

1

Groningen

13

99,1

14

97,9

2

Friesland

20

98,0

16

89,6

3

Drenthe

11

97,9

10

97,1

4

IJssel-Vecht

10

97,9

10

97,9

5

Twente

9

99,8

9

99,8

6

Noordoost Gelderland

10

97,3

9

94,9

7

Gelderland Midden

7

99,0

7

98,7

8

Gelderland Zuid

8

98,6

8

98,6

9

Utrecht

11

99,9

11

99,9

10

Noord-Holland Noord

8

98,7

8

98,6

11

Agglomeratie Amsterdam

5

100,0

6

100,0

12

Kennemerland

5

100,0

3

97,6

13

Zaanstreek/Waterland

4

99,2

3

95,1

14

Gooi- en Vechtstreek

2

99,1

2

99,1

15

Haaglanden

6

100,0

6

100,0

16

Hollands Midden

7

99,9

7

99,9

17

Rotterdam-Rijnmond

9

99,2

9

99,2

18

Zuid-Holland Zuid

6

98,2

6

97,1

19

Zeeland

11

97,1

9

92,7

20

Midden West Brabant

13

98,2

11

95,7

21

Brabant Noord

7

99,7

7

99,7

22

Zuidoost Brabant

7

98,1

7

98,1

23

Noord- en Midden Limburg

7

98,0

7

98,0

24

Zuid Limburg

4

97,7

4

97,7

25

Flevoland

6

100,0

6

100,0

Landelijk totaal

206

98,9

195

97,9

Noot: 1) Het referentiekader-2004 is met het nieuwe rijtijdenmodel doorgerekend, de dekking is gebaseerd op 12 minuten rijtijd. Daardoor wijken de cijfers af van de dekkingsgraden in het referentiekader-2004.

Tabel 3: Toegevoegde standplaatsen aan het referentiekader-2004 ten behoeve van het referentiekader-2008.

2

Friesland

9219

Smallingerland

Friesland

9071

Leeuwarderadeel

Friesland

8522

Skasterland

Friesland

9011

Boarnsterhim

3

Drenthe

7891

Emmen

6

Noordoost Gelderland

3852

Ermelo

12

Kennemerland

1962

Heemskerk

13

Zaanstreek/Waterland

1521

Zaanstad

19

Zeeland

4401

Reimerswaal

Zeeland

4323

Schouwen-Duiveland

20

Midden West Brabant

4721

Rucphen

Midden West Brabant

4255

Werkendam

Kaart 1: Referentiekader-2004 bij 195 standplaatsen, spreiding doorgerekend met het nieuwe rijtijdenmodel.
Kaart 2: Referentiekader-2008 bij 197 standplaatsen en minimaal 95% regionale dekking.
Kaart 3: Referentiekader-2008 bij 206 standplaatsen en minimaal 97% regionale dekking.

4

Beschikbaarheid referentiekader-2008

Voor de berekeningen van de beschikbaarheid, dat is de benodigde capaciteit om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen, wordt gebruik gemaakt van het beschikbaarheidsmodel (zie hoofdstuk 2). Dit model heeft invoerwaarden die ontleend zijn aan de ritgegevens over 2006. In paragraaf 4.1 bespreken we deze invoerwaarden. Voor de paraatheidswaarborging ’s avonds, ’s nachts en in het weekend wordt uitgegaan van paraatheid vanaf de standplaats en gebruikt het model de spreiding van standplaatsen van het referentiekader (zie hoofdstuk 3). Voor de situatie op werkdagen overdag wordt een spreidingsvariant gebruikt waarbij rijdende paraatheid wordt verondersteld. Deze variant komt in paragraaf 4.2 aan de orde. Tenslotte worden de resultaten van het beschikbaarheidsmodel in paragraaf 4.3 gepresenteerd. In deze paragraaf maken we ook een globale vergelijking met het referentiekader-2004. Een gedetailleerde analyse van deze vergelijking is opgenomen in bijlage E.

4.1

Ritten en gemiddelde ritduur

Op het aantal ritten in tabel 1 zijn nadere selecties gemaakt. Dit was nodig omdat in de capaciteitsberekeningen ritten worden ingedeeld naar blokuur en dagsoort. Van een aantal ritten was deze indeling niet mogelijk vanwege incomplete ritinformatie. Ook worden ritten herverdeeld naar de dichtstbijzijnde standplaats, op basis van het rijtijdenmodel. Voor deze herverdeling moet de plaats van incident, ook wel ‘afhaalplaats’, bekend zijn. In een aantal gevallen was deze informatie niet bekend. Daarom is het aantal ritten dat in de capaciteitsberekeningen wordt gebruikt (tabel 4) iets lager dan in het overzicht van tabel 1. Na de herverdeling is er een ander aantal grensoverschrijdende ritten (tabel 4).

Naast het aantal ritten is de gemiddelde ritduur een invoerwaarde van het beschikbaarheidsmodel (tabel 5). De gemiddelde ritduur is gedefinieerd als de tijdsduur tussen het moment dat een ritopdracht wordt gegeven aan de ambulance tot aan het moment van melding dat de rit ten einde is. Als het moment van ‘einde rit’ niet geregistreerd is, wordt het moment van vrijmelding gehanteerd. Bij vrijmelding door een ambulance is deze beschikbaar voor een nieuwe inzet, maar nog niet teruggekeerd op de standplaats. Voor berekening van de gemiddelde ritduur is het noodzakelijk dat deze tijdstippen bekend zijn. Omdat van een aantal ritten deze informatie niet beschikbaar was, is de berekening van de gemiddelde ritduur op een lager aantal ritten gebaseerd dan het aantal in tabel 4. Tevens zijn in deze berekening spoedritten met een ritduur langer dan 4 uur en besteld vervoer ritten met een ritduur langer dan 8 uur genegeerd. Ook inzetten met een extreem lage ritduur zijn in de berekeningen van de gemiddelde ritduur uitgesloten.

De ritgegevens, en daarmee de berekeningen van waarden van bijvoorbeeld de gemiddelde ritduur, zijn afhankelijk van de wijze van registreren in de regio’s. In de praktijk kunnen regio’s tijdsmomenten van een rit verschillend registreren, ondanks landelijke afspraken hieromtrent. Uit onderzoek van de ritgegevens is gebleken dat er geen regio’s zijn die systematisch een zodanig andere registratiewijze hanteren dat een gecorrigeerde berekening van de gemiddelde ritduur moest worden toegepast. Ook het zogenaamde ‘mens-onafhankelijk’ registreren dat in bepaalde regio’s wordt gehanteerd, geeft geen aanleiding tot een andere berekening van de gemiddelde ritduur voor deze regio’s.

Tabel 4: Aantal ritten in de capaciteitsberekeningen en de grensoverschrijdende assistentie (alleen spoedritten) na herverdeling van de ritten.

1

Groningen

18.021

8.659

18.771

45.451

1.074

650

2

Friesland

15.371

6.565

13.115

35.051

508

189

3

Drenthe

13.598

7.970

6.517

28.085

1.088

1.360

4

IJssel-Vecht

8.886

9.609

11.613

30.108

1.463

944

5

Twente

9.884

11.218

8.443

29.545

652

47

6

Noordoost Gelderland

14.307

11.688

11.453

37.448

294

2.204

7

Gelderland Midden

10.056

4.717

6.892

21.665

1.068

3.629

8

Gelderland Zuid

9.974

7.512

11.861

29.347

545

914

9

Utrecht

25.668

16.294

32.081

74.043

3.892

2.780

10

Noord-Holland Noord

16.244

4.781

7.860

28.885

111

1.362

11

Agglomeratie Amsterdam

36.658

7.393

30.853

74.904

1.107

1.409

12

Kennemerland

19.113

4.694

10.953

34.760

1.731

304

13

Zaanstreek/Waterland

10.201

2.407

5.599

18.207

1.386

444

14

Gooi- en Vechtstreek

7.920

2.361

4.865

15.146

1.783

775

15

Haaglanden 1)

37.739

13.760

12.739

64.238

2.760

973

16

Hollands Midden

21.067

5.465

14.997

41.529

1.327

1.693

17

Rotterdam-Rijnmond

37.917

9.296

32.280

79.493

987

4.161

18

Zuid-Holland Zuid

11.980

5.814

9.429

27.223

2.345

384

19

Zeeland

9.599

4.641

5.121

19.361

625

0

20

Midden West Brabant

16.958

16.427

19.308

52.693

1.370

824

21

Brabant Noord

9.592

9.212

9.402

28.206

1.697

1.255

22

Zuidoost Brabant

14.969

6.245

14.035

35.249

14

579

23

Noord- en Midden Limburg

10.983

6.389

7.278

24.650

753

822

24

Zuid Limburg

13.760

7.568

17.272

38.600

69

326

25

Flevoland

9.787

3.899

4.265

17.951

0

621

Totaal

407.793

194.366

326.990

929.149

28.649

28.649

Noot: 1) Inclusief selectie van 2.689 inzetten van rapid responders.

Tabel 5: Gemiddelde ritduur (minuten) per regio en urgentiesoort.

1

Groningen

64,8

66,2

74,5

2

Friesland

65,4

70,0

81,2

3

Drenthe

61,0

61,9

80,3

4

IJssel-Vecht

64,9

65,3

81,9

5

Twente

68,8

67,6

83,7

6

Noordoost Gelderland

63,4

63,3

77,8

7

Gelderland Midden

61,4

63,2

72,9

8

Gelderland Zuid

65,0

64,8

86,8

9

Utrecht

62,6

60,9

80,3

10

Noord-Holland Noord

57,7

62,7

77,4

11

Agglomeratie Amsterdam

54,6

63,1

87,9

12

Kennemerland

51,2

56,3

67,4

13

Zaanstreek/Waterland

56,2

60,4

70,1

14

Gooi- en Vechtstreek

41,7

44,0

54,7

15

Haaglanden

56,0

61,1

73,2

16

Hollands Midden

57,1

62,8

67,3

17

Rotterdam-Rijnmond

60,2

67,4

73,8

18

Zuid-Holland Zuid

58,8

61,7

72,2

19

Zeeland

68,6

69,4

93,9

20

Midden West Brabant

63,1

62,7

79,5

21

Brabant Noord

61,6

62,1

79,3

22

Zuidoost Brabant

58,5

58,7

79,7

23

Noord- en Midden Limburg

64,7

64,9

80,7

24

Zuid Limburg

55,9

54,8

70,5

25

Flevoland

54,0

58,0

70,5

Noot: In de capaciteitsberekeningen wordt gebruik gemaakt van gemiddelde ritduur gedifferentieerd naar blokuur en dagsoort, en wordt de ‘eilandbenadering’ gehanteerd voor de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en Zeeland. Deze tabel geeft geaggregeerde cijfers.

4.2

Geografische paraatheid

Van de capaciteitsberekeningen zijn twee varianten ontwikkeld (zie hoofdstuk 2). In de maximum variant wordt uitgegaan van paraatheid die vanaf de standplaats wordt geleverd. De minimum variant gaat uit van rijdende paraatheid. Bij deze rijdende paraatheid spreken we van ‘uitrukpunten’ waarvandaan een ambulance vertrekt voor een inzet, in plaats van standplaatsen.

Het aantal uitrukpunten bij rijdende paraatheid in de minimum variant (tabel 6) is bepaald door per regio het minimum aantal uitrukpunten te bepalen bij 13 minuten rijtijd, zodanig dat minstens de dekkingsgraad van het referentiekader wordt gehaald (zie tabel 1). Hierbij wordt gewogen naar inwoneraantallen. Ten opzichte van het referentiekader-2004 zijn er enkele belangrijke methodologische verschillen bij het bepalen van het aantal uitrukpunten voor de minimum variant:

  • 1)

    Er wordt nu gebruik gemaakt van een ander rijtijdenmodel.

  • 2)

    Er wordt nu uitgegaan van 13 minuten rijtijd, tegen 14 minuten in 2004.

  • 3)

    De regionale dekkingspercentages in het referentiekader zijn nu hoger dan in 2004.

  • 4)

    In 2004 is het aantal uitrukpunten bij 14 minuten rijtijd landelijk bepaald, waarna de regiogrenzen zijn ingevuld. Nu is per regio het aantal uitrukpunten bepaald.

4.3

Capaciteitsberekeningen

De vorige twee paragrafen behandelden de invoerwaarden in het beschikbaarheidsmodel. De resultaten van de capaciteitsberekeningen zijn gegeven in tabel 7. Tabellen 8 en 9 geven een vergelijking met het referentiekader-2004.

Tabel 6: Aantal standplaatsen (maximum variant) en uitrukpunten (minimum variant) in de capaciteitsberekeningen.

1

Groningen

13

8

14

7

2

Friesland

20

17

16

11

3

Drenthe

11

8

10

7

4

IJssel-Vecht

10

7

10

7

5

Twente

9

5

9

6

6

Noordoost Gelderland

10

10

9

7

7

Gelderland Midden

7

5

7

4

8

Gelderland Zuid

8

5

8

5

9

Utrecht

11

7

11

6

10

Noord-Holland Noord

8

6

8

5

11

Amsterdam/Waterland

9

6

9

4

Agglomeratie Amsterdam

5

3

Zaanstreek/Waterland

4

3

12

Kennemerland

5

3

3

3

14

Gooi- en Vechtstreek

2

2

2

1

15

Haaglanden

6

3

6

3

16

Hollands Midden

7

5

7

6

17

Rotterdam-Rijnmond

9

8

9

6

18

Zuid-Holland Zuid

6

5

6

2

19

Zeeland

11

10

9

9

20

Midden West Brabant

13

9

11

8

21

Brabant Noord

7

5

7

6

22

Zuidoost Brabant

7

5

7

5

23

Noord- en Midden

Limburg

7

7

7

5

24

Zuid Limburg

4

4

4

4

25

Flevoland

6

5

6

5

Landelijk totaal

206

155

195

132

Noot: Voor het bepalen van het aantal uitrukpunten is de ‘eilandbenadering’ gehanteerd, de resultaten hiervan zijn in deze tabel meegenomen in de bijbehorende RAV.

Tabel 7: Referentiekader-2008, capaciteit (aantal ambulances) per RAV-regio, dagsoort en dagdeel.

Groningen

15

26

19

15

20

18

16

19

18

Friesland totaal

26

35

29

26

30

29

27

30

28

Vlieland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Terschelling

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Ameland

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Schiermonnikoog

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Overig Friesland

18

27

21

18

22

21

19

22

20

Drenthe

13

19

15

13

16

15

13

15

14

IJssel-Vecht

12

20

14

12

17

14

12

14

13

Twente

11

16

14

11

14

13

12

14

13

Noordoost Gelderland

12

24

15

12

17

15

13

16

14

Gelderland Midden

9

14

11

9

12

10

9

11

10

Gelderland Zuid

10

17

13

10

14

12

10

13

12

Utrecht

15

35

22

15

24

20

15

22

19

Noord-Holland Noord

11

16

13

11

14

13

11

13

12

Texel

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Overig Noord-Holland Noord

9

14

11

9

12

11

9

11

10

Amsterdam/Waterland

14

39

24

14

25

19

16

22

19

Zaanstreek/Waterland

5

8

6

5

7

6

6

7

6

Agglomeratie Amsterdam

9

31

18

9

18

13

10

15

13

Kennemerland

7

14

9

7

10

9

7

10

9

Gooi- en Vechtstreek

3

6

4

3

4

4

3

4

4

Haaglanden

10

18

15

10

15

14

10

14

13

Hollands Midden

9

18

13

9

13

12

10

13

12

Rotterdam-Rijnmond

14

36

22

15

23

19

15

21

19

Goeree-Overflakkee

3

4

3

3

3

3

3

3

3

Overig Rotterdam-Rijnmond

11

32

19

12

20

16

12

18

16

Zuid-Holland Zuid

8

15

10

8

11

9

8

10

9

Zeeland

15

22

16

15

16

16

15

16

16

Schouwen-Duiveland

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Tholen

2

2

2

2

2

2

2

2

2

Walcheren en Bevelanden

6

10

7

6

7

7

6

7

7

Zeeuws-Vlaanderen

4

7

4

4

4

4

4

4

4

Midden West Brabant

16

29

20

16

21

20

17

20

19

Brabant Noord

9

16

11

9

12

11

9

11

11

Zuidoost Brabant

9

18

12

9

13

11

10

12

11

Noord- en Midden Limburg

9

16

11

9

11

10

9

11

10

Zuid Limburg

6

18

10

6

10

8

7

9

8

Flevoland

7

11

9

7

9

9

8

9

8

Landelijk totaal

270

498

351

271

371

330

282

349

321

Tabel 8: Referentiekader-2004, capaciteit per RAV-regio, dagsoort en dagdeel.

Groningen

16

24

20

16

21

19

17

20

19

Friesland totaal

21

29

25

21

26

24

21

25

24

Vlieland

Terschelling

Ameland

Schiermonnikoog

Overig Friesland

Drenthe

11

17

14

12

14

13

12

14

13

IJssel-Vecht

11

17

13

11

16

13

12

14

13

Twente

11

17

13

11

14

13

11

14

13

Noordoost Gelderland

11

21

14

11

16

13

11

15

13

Gelderland Midden

9

13

11

9

12

11

9

11

11

Gelderland Zuid

10

16

13

10

14

12

10

12

11

Utrecht

14

28

21

14

21

18

15

19

17

Noord-Holland Noord

11

16

12

10

13

12

11

13

12

Texel

Overig Noord-Holland Noord

Amsterdam/Waterland

14

39

24

14

24

19

15

22

19

Zaanstreek/Waterland

Agglomeratie Amsterdam

Kennemerland

5

14

7

4

8

6

5

7

6

Gooi- en Vechtstreek

3

4

4

3

4

4

3

4

4

Haaglanden

10

17

14

10

14

13

10

14

13

Hollands Midden

9

19

12

9

13

11

9

12

11

Rotterdam-Rijnmond

13

29

19

13

20

18

14

19

17

Goeree-Overflakkee

Overig Rotterdam-Rijnmond

Zuid-Holland Zuid

7

11

10

8

10

9

8

9

9

Zeeland

12

19

13

12

15

13

12

15

13

Schouwen-Duiveland

Tholen

Walcheren en Bevelanden

Zeeuws-Vlaanderen

Midden West Brabant

13

26

17

14

18

16

14

18

16

Brabant Noord

9

16

11

9

11

10

9

11

11

Zuidoost Brabant

9

16

12

9

12

11

10

12

11

Noord- en Midden Limburg

9

13

10

8

10

10

9

11

10

Zuid Limburg

6

16

9

6

9

8

6

9

8

Flevoland

7

10

8

7

9

8

8

9

8

Landelijk totaal

251

447

326

251

344

304

261

329

302

Noot: De resultaten van RAV Zaanstreek/Waterland zijn meegenomen bij RAV Amsterdam. Haarlemmermeer is meegenomen bij de regio Amsterdam/Waterland.

Tabel 9: Verschil referentiekader-2008 en -2004, capaciteit per RAV-regio, dagsoort en dagdeel

Groningen

-1

2

-1

-1

-1

-1

-1

-1

-1

Friesland totaal

5

6

4

5

4

5

6

5

4

Vlieland

Terschelling

Ameland

Schiermonnikoog

Overig Friesland

Drenthe

2

2

1

1

2

2

1

1

1

IJssel-Vecht

1

3

1

1

1

1

0

0

0

Twente

0

-1

1

0

0

0

1

0

0

Noordoost Gelderland

1

3

1

1

1

2

2

1

1

Gelderland Midden

0

1

0

0

0

-1

0

0

-1

Gelderland Zuid

0

1

0

0

0

0

0

1

1

Utrecht

1

7

1

1

3

2

0

3

2

Noord-Holland Noord

0

0

1

1

1

1

0

0

0

Texel

Overig Noord-Holland Noord

Amsterdam/Waterland

0

0

0

0

1

0

1

0

0

Zaanstreek/Waterland

Agglomeratie Amsterdam

Kennemerland

2

0

2

3

2

3

2

3

3

Gooi- en Vechtstreek

0

2

0

0

0

0

0

0

0

Haaglanden

0

1

1

0

1

1

0

0

0

Hollands Midden

0

-1

1

0

0

1

1

1

1

Rotterdam-Rijnmond

1

7

3

2

3

1

1

2

2

Goeree-Overflakkee

Overig Rotterdam-Rijnmond

Zuid-Holland Zuid

1

4

0

0

1

0

0

1

0

Zeeland

3

3

3

3

1

3

3

1

3

Schouwen-Duiveland

Tholen

Walcheren en Bevelanden

Zeeuws-Vlaanderen

Midden West Brabant

3

3

3

2

3

4

3

2

3

Brabant Noord

0

0

0

0

1

1

0

0

0

Zuidoost Brabant

0

2

0

0

1

0

0

0

0

Noord- en Midden Limburg

0

3

1

1

1

0

0

0

0

Zuid Limburg

0

2

1

0

1

0

1

0

0

Flevoland

0

1

1

0

0

1

0

0

0

Landelijk totaal

19

51

25

20

27

26

21

20

19

Noot: In deze vergelijking zijn de aantallen ambulances voor de eilanden bij de totalen van de betreffende RAV toegevoegd.

Referenties

  • [1]

    Ministerie van VWS. Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg. Kamerstuk CZ/EZ 2487006; 4 juni 2004.

  • [2]

    Project Versterking Ambulancezorg. Landelijk referentiekader Spreiding- en Beschikbaarheid – Een landelijk referentiekader als planningsgrondslag. Van Naem & Partners, 04.0177jk, eindrapport S&B II; Woerden, 2 februari 2004.

  • [3]

    Kommer G.J., Van der Veen A.A., Botter W.F., Tan I. Ambulances binnen bereik. RIVM rapport 270556006. Bilthoven: RIVM, januari 2003.

  • [4]

    Ambulancezorg Nederland. Ambulances in-zicht 2006. Zwolle: AZN, september 2007.

  • [5]

    Project Versterking Ambulancezorg. Begrippenkader Ambulancezorg.

    Versie 1.0, 2003. Woerden, 2003.

Bijlage

A

Samenstelling expertteam

Voorzitter

dhr. prof.dr. W. Derksen

Secretaris

dhr. drs. J.A. Nekkers

(Futureconsult)

Leden

dhr. drs. F.J. Krapels

(VWS)

mw. drs. A. Gelissen-Kobus

(VWS)

dhr. mr. N.J.A. Reumer

(AZN)

dhr. P. Huizinga

(RAV IJssel-Vecht)

dhr. P. Haasbeek

(RAV Hollands-Midden)

mw. J. Veenendaal

(ZN)

mw. L. Bouwknegt (tot 01/02/08)

(ZN)

dhr. drs. H.G.P. Lennaerts MPM

(Zorgverzekeraar VGZ-IZA-TRIAS)

dhr. P. Martina

(Achmea Zorg)

dhr. D. Brethouwer

(Provincie Gelderland)

Onderzoek

dhr. ir. G. J. Kommer

(RIVM)

dhr. drs. S.L.N. Zwakhals

(RIVM)

Secretariële ondersteuning

dhr. H.J. van Alphen

(Futureconsult)

Bijlage

B

Definities, uitgangspunten en randvoorwaarden

Deze bijlage geeft een beknopte beschrijving van gehanteerde terminologie in het rapport. In deze beschrijving komen ook de uitgangspunten en de randvoorwaarden aan de orde. De beschrijving zijn deels ontleend aan het brancherapport Ambulances in-zicht [4] en het Begrippenkader Ambulancezorg [5].

  • Ambulancezorg

    De zorg welke beroepsmatig of bedrijfsmatig wordt verleend om een patiënt binnen het kader van zijn aandoening of letsel hulp te verlenen en waarnodig adequaat te vervoeren met inachtneming van datgene wat op grond van algemeen beschikbare medische en verpleegkundige kennis noodzakelijk is.

  • Regionale Ambulancevoorziening (RAV)

    De organisatie die verantwoorde ambulancezorg levert; de RAV is als eerste verantwoordelijk voor het leveren van ambulancezorg in de eigen veiligheidsregio maar is ook beschikbaar in andere regio’s.

  • Paraatheid

    Het paraat staan van een ambulanceteam om in het geval van een spoedeisende melding zo spoedig mogelijk naar de door de centralist opgegeven locatie te gaan.

  • A1-rit

    Bij een A1-rit bestaat gevaar voor het leven of blijvende invaliditeit bij een patiënt of kan dit bij de melding niet worden uitgesloten. De ambulance dient zo spoedig mogelijk en binnen uiterlijk 15 minuten na melding ter plaatse te zijn.

  • A2-rit

    Bij een A2-rit bestaat er geen direct levensgevaar, maar is snelle hulp wel wenselijk. De ambulance wordt geacht binnen uiterlijk 30 minuten ter plaatse te zijn om (ernstige) gezondheidsschade te voorkomen.

  • B-rit

    Planbare ambulancezorg, ook wel besteld vervoer genoemd. Veelal betreft het vervoer van patiënten tussen en naar ziekenhuizen, andere zorginstellingen en het eigen woonadres.

  • Standplaats

    Een standplaats is een locatie waarvandaan de ambulance vertrekt en waar voorzieningen zijn voor ambulancepersoneel en -materieel.

  • Bereikbaarheidsnorm

    De bereikbaarheidsnorm voor het A1-spoedvervoer is 15 minuten. In dit onderzoek is door het expertteam bepaald dat uitgegaan wordt van een benodigde meld- en uitruktijd van 3 minuten en een netto-rijtijd van 12 minuten.

  • Faalkans

    De maximum rijtijd van 15 minuten is niet voor 100% te garanderen. In het model wordt een theoretisch-statistische faalkans van 5% gehanteerd conform afspraken in het expertteam. De faalkans is de kans dat na melding van een spoedopdracht geen ambulance beschikbaar is op de dichtstbijzijnde standplaats.

  • Beschikbaarheidsmodel

    De faalkans is een inputparameter voor het beschikbaarheidsmodel. Voor elk dagdeel is met behulp van de ritgegevens over 2006 een verdeling bepaald van het aantal ritten dat gelijktijdig op de weg is. Dit wordt vastgelegd door de verdeling van spoedritten over de tijd en de gemiddelde ritduur van een spoedrit. Op basis van deze twee grootheden kan via een Poisson-verdeling bepaald worden hoeveel ambulances beschikbaar moeten zijn om de kans dat er geen ambulance beschikbaar is bij binnenkomst van een spoedmelding onder de 5% te houden.

  • Overschrijding

    ‘Falen’ is overigens niet synoniem aan een overschrijding van de 15-minuten bereikbaarheidsnorm. Het is mogelijk dat er wel een overschrijding is terwijl er een ambulance op de dichtstbijzijnde standplaats beschikbaar is. Ook kan het gebeuren dat er geen ambulance op de dichtstbijzijnde standplaats beschikbaar is en er toch geen overschrijding is.

  • Dekkingsgraad

    De faalkans moet niet verward worden met de dekkingsgraad. De dekkingsgraad geeft het percentage mensen dat binnen de normtijd van 15 minuten van een ambulancestandplaats woont. In het rapport Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg [1] is uitgegaan van een minimale landelijke dekkingsgraad van 95%. Voor dit referentiekader is door het expertteam bepaald dat de dekkingsgraad 97% moet zijn en dat dit niet alleen landelijk moet gelden, maar voor elke RAV afzonderlijk.

  • Rijtijdenmodel

    De berekening van de dekkingsgraad wordt gedaan met het rijtijdenmodel. Dit model geeft de theoretisch te behalen rijtijden tussen elk middelpunt van een vierpositie postcodegebied en elk ander vierpositie postcodegebied. Het rijtijdenmodel is ten behoeve van het referentiekader-2008 geactualiseerd. Het model onderscheidt drie situaties: een spitssituatie, een dagsituatie buiten de spits en een nachtsituatie. De spitssituatie geeft de langste rijtijden en beschrijft daarmee de ‘worst-case’ situatie.

  • Grensoverschrijdende assistentie en open RAV-grenzen

    Bij de minimale dekkingsgraad van 97% per RAV-regio wordt wel rekening gehouden met (regio-)grensoverschrijdende assistentie. Dat betekent dat altijd een inzet vanuit de dichtstbijzijnde ambulancestandplaats verondersteld wordt ongeacht of de standplaats in een andere regio ligt. Dit wordt ook wel een situatie met open RAV-grenzen genoemd.

  • Spreidingsplan

    Het expertteam heeft bepaald dat het spreidingsplan uit het referentiekader-2004 de basis is voor het nieuwe spreidingsplan. Hiertoe is het vorige spreidingsplan aangepast om te komen tot een regionale dekkingsgraad van 97%. Het nieuwe spreidingsplan van het referentiekader-2008 telt nu 206 standplaatsen.

  • Maximum variant

    Het model kent twee varianten. In de maximum variant van het model wordt het nieuwe spreidingsplan gebruikt: 206 standplaatsen. Deze variant wordt op één na in alle situaties gebruikt: op zaterdagen en zon- en feestdagen zowel ’s avonds, overdag als ’s nachts, en op werkdagen ’s avonds en ’s nachts. Alleen op werkdagen overdag wordt de minimum variant gebruikt.

  • Minimum variant

    In de minimum variant worden geen standplaatsen van het nieuwe spreidingsplan gebruikt, maar uitrukpunten (151 stuks).

  • Uitrukpunten

    Uitrukpunten zijn virtuele standplaatsen die model staan voor een situatie met rijdende paraatheid. Middels een optimalisatiealgoritme is het minimum benodigd aantal uitrukpunten berekend dat nodig is om minimaal de dekkingsgraad te behalen die de betreffende RAV-regio heeft in de maximum variant. Hierbij wordt uitgegaan van gesloten grenzen. Een uitgangspunt van gesloten grenzen betekent dat de betreffende RAV geen regio-overschrijdende assistentie van aangrenzende RAV-en nodig heeft om toch voldoende dekkingsgraad en capaciteit te krijgen.

  • Rijdende paraatheid

    Bij een situatie van rijdende paraatheid heeft de ambulance geen uitruktijd meer nodig. Hierbij wordt verondersteld dat er één minuut meer tijd beschikbaar is voor het rijden. Daarmee zijn nog minder uitrukpunten nodig om een even grote dekkingsgraad te behalen dan met standplaatsen uit het spreidingsplan het geval is.

  • Eilandbenadering

    De capaciteitsbepaling wordt voor elke RAV-regio afzonderlijk uitgevoerd. Centrale gedachte hierbij is dat het referentiekader expliciet een kader is en niet als blauwdrukplanning is bedoeld. Binnen de regio heeft elke RAV de vrijheid de ambulancevoorziening naar eigen inzicht te optimaliseren. Echter enkele RAV-en hebben (schier)eilanden in hun verzorgingsgebied die maken dat een capaciteitsbepaling voor de gehele RAV te weinig vrijheidsgraden oplevert binnen de capaciteitsbepaling. Om hieraan recht te doen zijn de (schier)eilanden als afzonderlijke RAV-regio’s beschouwd. Dit heet de zogenaamde eilandbenadering. Het betreft de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en geheel Zeeland. Deze laatste regio is als vier afzonderlijke regio’s benaderd: Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren & de Bevelanden en Zeeuws-Vlaanderen.

  • Gemiddelde ritduur

    De gemiddelde ritduur is gedefinieerd als de tijdsduur tussen het moment dat een ritopdracht wordt gegeven aan de ambulance tot aan het moment van melding dat de rit ten einde is. Als het moment van ‘einde rit’ niet geregistreerd is, wordt het moment van vrijmelding gehanteerd. Bij vrijmelding door een ambulance is deze beschikbaar voor een nieuwe inzet, maar nog niet teruggekeerd op de standplaats. In het onderzoek is een alternatieve definitie onderzocht. Deze ging uit van het tijdstip van aankomst in het ziekenhuis, vermeerderd met 10 minuten bij spoedvervoer en 20 minuten bij besteld vervoer. De verschillen met de eerstgenoemde definitie zijn gegeven in de figuren B-1 en B-2. De alternatieve definitie houdt onvoldoende rekening met de tijd nodig om terug te rijden naar de standplaats en is daarom in het onderzoek niet gehanteerd. Het is in dit onderzoek niet gelukt om een objectieve maat te formuleren ter modellering van de werkelijk gerealiseerde ritduur.

Figuur B-1: Verschil in de gemiddelde ritduur bij de twee definities (A1-ritten, werkdagen, 10–12 uur).
Figuur B-2: Verschil in de gemiddelde ritduur bij de twee definities (B-ritten, werkdagen, 10–12 uur).

Bijlage

C

Spreiding referentiekader en actuele situatie

Tabel C-1 geeft een overzicht van de spreiding van standplaatsen in het referentiekader-2004, het nieuwe referentiekader-2008 en de actuele situatie in 2008. De actuele situatie is gevalideerd aan recente publicaties en beschikbare informatie. Desondanks kan deze afwijken van de werkelijkheid.

De actuele spreiding 2008 heeft 207 standplaatsen, waarvan een aantal niet 24 uur per dag operationeel zijn. Het referentiekader-2004 telde 195 standplaatsen, het referentiekader-2008 heeft 206 standplaatsen.

Tabel C-1: Spreiding van standplaatsen in het referentiekader-2004, het referentiekader-2008 en de actuele situatie in 2008.

Noten:

  • de vet-gearceerde cellen geven verschillen ten opzichte van het referentiekader-2004.

  • in de kolom ‘actuele spreiding 2008’ zijn de met (*) aangeduide cellen standplaatsen die niet 24 uur per etmaal operationeel zijn.

1

Groningen

Nuis

9364

9364

9364

Stadskanaal

9502

9502

9502

Vlagtwedde

9541

9541

9541

Ter Apel

9561

9561

9561

Sappemeer

9611

9611

9611

Veendam

9641

9641

9641

Winschoten

9672

9672

9672

Groningen-Zuid

9723

9723

9723

Groningen-Noord

9728

9741

9741

Bedum

9781

Appingedam

9901

9901

9902

Winsum

9951

9951

9951

Leens (De Marne)

9965

9965

9965

Uithuizermeeden

9982

9982

9982

2

Friesland

Oosterwolde

8431

8431

8431

Heerenveen

8448

8448

8448

Wolvega

8471

8471

8471

Lemmer

8531

8531

8531

Skasterland (gem.)

8522

Sneek

8601

8601

8601

Koudum

8723

8723

8723

Midlum (Harlingen)

8862

8871

8871

Terschelling West

8881

8881

8881

Vlieland

8899

8899

8899

Leeuwarden

8911

8912

8912

Leeuwarden

8924

8924

8924

Boarnsterhim (gem.)

9011

Leeuwarderadeel (gem.)

9071

Sint Annaparochie

9076

Dokkum

9101

9101

9101

Nes (Ameland)

9163

9163

9163

Schiermonnikoog

9166

9166

9166

Drachten

9202

9202

9202

Smallingerland (gem.)

9219

Buitenpost

9291

9285

9285

3

Drente

Coevorden

7741

7741

7741

Emmen

7811

7811

7811

Emmen (gem.)

7891

Hoogeveen

7903

7903

7909

Meppel

7944

7943

7943

Havelte

7971

7971

7971

Roden

9301

9301

9301

Assen

9401

9401

9405

Beilen

9411

9411

9411

Annen

9468

9468

9468

Borger

9531

9531

9531

Klazienaveen

7891*

Eelde

 

 

9761*

4

IJssel-Vecht

Dedemsvaart (Balkbrug)

7701

7701

7707

Nieuwleusen (Rouveen)

7711

7711

7954

Ommen

7731

7731

7731

Hardenberg

7771

7771

7772

Zwolle

8013

8013

8013

Deventer

7418

7418

7418

Raalte

8103

8103

8103

Kampen (IJsselmuiden)

8261

8261

8271

Genemuiden (Zwartsluis)

8281

8281

8064

Steenwijk

8331

8331

8331

5

Twente

Nijverdal (Hellendoorn)

7447

7447

7443

Markelo

7475

7475

7475

Haaksbergen

7483

7483

7482

Enschede

7541

7541

7513

Hengelo

7556

7556

7556

Oldenzaal

7572

7572

7577

Almelo

7602

7602

7607

Tubbergen

7651

7651

7651

Vroomshoop

7681

7681

7681

6

Noordoost Gelderland

Harderwijk (Ermelo)

3843

3843

3851

Ermelo

3852

Doetinchem

7005

7005

7005

Varsseveld

7051

7051

7051

Winterswijk

7102

7102

7102

Zutphen

7207

7207

7207

Borculo

7271

7271

7271

Apeldoorn

7311

7311

7311

Heerde

8181

8181

8181

Elburg

8081

8081

8081

Putten

3882*

Groenlo

 

 

7141

7

Gelderland Midden

Barneveld

3772

3772

3771

Elst

6661

6661

6662

Wageningen (Renkum)

6701

6701

6871

Ede

6711

6711

6711

Arnhem

6828

6828

6828

Zevenaar

6901

6901

6901

Dieren

6951

6951

6953

8

Gelderland Zuid

Tiel

4002

4002

4003

Kesteren

4041

4041

4041

Culemborg

4101

4101

4101

Geldermalsen

4191

4191

4191

Zaltbommel

5301

5301

5301

Nijmegen

6524

6524

6524

Wijchen

6602

6602

6601

Druten

6651

6651

6651

9

Utrecht

Nieuwegein

3436

3436

3436

Woerden

3447

3447

3447

Utrecht

3561

3561

3561

Utrecht

3582

3582

3582

Maarssen

3608

3608

3608

Vinkeveen

3645

3645

3645

Zeist

3707

3707

3707

Amersfoort Centrum

3811

3811

3811

Amersfoort Noord

3823

3823

3823

Veenendaal (Rhenen)

3903

3903

3911

Doorn

3941

3941

3941

10

Noord-Holland Noord

Hoogkarspel

1616

1616

1616

Hoorn

1625

1625

1625

Schagen

1741

1741

1742

Anna Paulowna

1761

1761

Noord-Scharwoude

1723

Wieringerwerf

1771

1771

1771

Den Helder/Kooypunt

1786

1786

1786

Den Burg (Texel)

1791

1791

1791

Alkmaar Zuid

1812

Alkmaar

1823

1823

1823

11

Agglomeratie Amsterdam

Amsterdam

1018

1018

1018

Amsterdam

1075

1075

1075

Amsterdam Zuidoost

1105

1105

1105

Amstelveen

1185

1185

1185

Aalsmeer

1431

1431

1431

12

Kennemerland

Heemskerk (gem.)

1962

Heemskerk

1969

1969 

1969

Velsen

1981

1981

1981

Haarlem

2015

2015

2015

Zandvoort

2042*

Heemstede

2102*

Hoofddorp

2131

2131

2132

13

Zaanstreek/Waterland

Monnickendam

1141

1141

1141

Purmerend

1442

1442

1442

Zaandam

1502

1502

1502

Zaandam (gem.)

1521

14

Gooi- en Vechtstreek

Hilversum

1213

1213

1213

Weesp

1383

Bussum

1404

1404

1404

15

Haaglanden

Wassenaar

 

 

2241

Leidschendam

2274

2274

2491

Den Haag

2594

Den Haag

2544

2544

Den Haag

2564

2564

2564

Delft

2627

2627

2627

Naaldwijk

2671

2671

2671

Zoetermeer

2718

2718

2718

16

Hollands Midden

Katwijk

 

 

2221

Noordwijkerhout

2211

2211

2211*

Leiden

2333

2333

2333

Leiderdorp

2353

2353

2353

Alphen aan de Rijn

2405

2405

2408

Ter Aar

2461

2461

2461*

Gouda

2801

2801

2801

Bergambacht

2861

2861

2861*

17

Rotterdam-Rijnmond

Capelle aan de IJssel

2907

2907

2907

Barendrecht

2922

2922

2993

Rotterdam (centrum)

3038

3038

3011

Rotterdam (noord)

3083

3083

3034

Schiedam

3118

3118

3118

Spijkenisse

3201

3201

3201

Hellevoetsluis

3223

3223

3223

Goedereede

3252

3252

Brielle

3232

Dirksland

3247

3247

3247

18

Zuid-Holland Zuid

Papendrecht

2957

2957

3355

Klaaswaal

3286

3286

3286

Dordrecht

3311

3311

3311

Zwijndrecht

3331

3331

3331

Gorinchem

4204

4204

4206*

Meerkerk

4231

4231

4231

19

Zeeland

Zierikzee

4301

4301

4301

Schouwen-Duiveland (gem.)

4323

Middelburg

4335

4335

4335

Vrouwenpolder (Neeltje Jans)

4354

4354

4354

Yerseke (Reimerswaal)

4401

Rilland

4411

4411

4411

Goes

4462

4462

4462

Oostburg

4501

4501

4501

Terneuzen

4535

4535

4535

Hulst

4561

4561

4561

Sint Maartensdijk / Tholen

4695

4695

4695

20

Midden West Brabant

Werkendam (gem.)

4255

Giessen

4283

4283

4283

Bergen op Zoom

4611

4611

4614

Steenbergen

4651

4651

4651*

Roosendaal

4701

4701

4706

Rucphen (gem.)

4721

Zevenbergen / Moerdijk

4761

4761

4761*

Breda

4811

4811

4815

Ulvenhout

4851

4851

Oosterhout

4901

4901

4901

Tilburg-centrum

5018

5018

5037

Tilburg-Vossenberg

5047

5047

5048

Waalwijk

5142

5142

5146

Chaam

4861*

Rijsbergen

 

 

4891

21

Brabant Noord

's-Hertogenbosch

5231

5231

5212

Boxtel

5281

5281

5283

Oss

5341

5341

5341

Velp NB

5363

5363

5363*

Uden

5405

5405

5405

Haps

5441

5441

5443

Veghel

5463

5463

5465

22

Brabant Zuidoost

Gemert

 

 

5421*

Reusel/Eersel

5541

5541

5521

Bergeyk/Valkenswaard

5571

5571

5555

Eindhoven

5611

5611

5611

Eindhoven/Best

5657

5657

5683

Helmond

5701

5701

5702

Deurne

5751

5751

5751

Maarheeze

6026

6026

6026

23

Noord- en Midden-Limburg

Venray

5801

5801

5801

Bergen

5854

5854

5854

Venlo

5912

5912

5912

Panningen/Helden

5981

5981

5981

Weert

6003

6003

6003

Roermond

6045

6045

6042

Echt

6101

6101

6101

24

Zuid Limburg

Geleen

6166

6166

6166

Maastricht

6229

6229

6229

Mechelen

6291

6291

6281*

Heerlen

6411

6411

6411

25

Flevoland

Almere

1326

1326

1326

Zeewolde

3899

3899

3897

Lelystad

8223

8223

8233

Dronten

8251

8251

8251

Emmeloord

8304

8304

8304

Nagele

8308

8308

8308

Bijlage

D

Dekking op inwoners en incidenten

Deze bijlage geeft de dekkingspercentages van het referentiekader voor twee maten voor de dekking: inwoners en A1-incidenten. Het dekkingspercentage (tabel D-1) is gedefinieerd als het aantal inwoners of incidenten, dat binnen 12 minuten rijtijd vanaf een standplaats van het referentiekader-2008 kan worden bereikt. In de meeste regio’s is de dekking op inwoners groter dan op incidenten. Dit is te verklaren door het argument dat incidenten zich veelal voordoen in gebieden met veel menselijke activiteiten en de spreiding van het referentiekader dekt deze (stedelijke) gebieden goed.

Er is nader onderzoek gedaan naar de gebieden waar de dekking op incidenten lager is dan op inwoners. In het bijzonder is gekeken naar gebieden in Zeeland en de Maasvlakte/Europoort. In deze gebieden wonen relatief weinig mensen. De kop van Schouwen-Duiveland trekt in het zomerseizoen veel toeristen, wat leidt tot een piek in het aantal A1-meldingen. De dekking in dit gebied is in het nieuwe referentiekader verbeterd omdat Schouwen-Duiveland een standplaats krijgt in de uitbreiding van het referentiekader. Het aantal incidenten in andere gebieden, waaronder de Maasvlakte/Europoort, was niet hoog genoeg om het aantal standplaatsen verder uit te breiden.

Tabel D-1: Vergelijking van de dekking van het referentiekader op inwoners en op A1-incidenten in 2006 (aantal binnen 12 minuten bereikt).

1

Groningen

99,1

99,2

0,1

2

Friesland

98,0

98,4

0,4

3

Drenthe

97,9

98,0

0,1

4

IJssel-Vecht

97,9

97,8

-0,1

5

Twente

99,8

99,8

0,0

6

Noordoost Gelderland

97,3

97,4

0,1

7

Gelderland Midden

99,0

99,9

0,9

8

Gelderland Zuid

98,6

98,8

0,2

9

Utrecht

99,9

99,9

0,0

10

Noord-Holland Noord

98,7

98,4

-0,2

11

Agglomeratie Amsterdam

100,0

100,0

0,0

12

Kennemerland

100,0

100,0

0,0

13

Zaanstreek/Waterland

99,2

99,5

0,3

14

Gooi- en Vechtstreek

99,1

99,7

0,6

15

Haaglanden

100,0

100,0

0,0

16

Hollands Midden

99,9

99,9

0,0

17

Rotterdam-Rijnmond

99,2

99,2

0,0

18

Zuid-Holland Zuid

98,2

98,6

0,4

19

Zeeland

97,1

97,6

0,6

20

Midden West Brabant

98,2

97,8

-0,3

21

Brabant Noord

99,7

99,8

0,1

22

Zuidoost Brabant

98,1

98,6

0,5

23

Noord- en Midden Limburg

98,0

98,5

0,5

24

Zuid Limburg

97,7

97,8

0,0

25

Flevoland

100,0

100,0

0,0

Landelijk

99,1

98,9

-0,2

Noot: Cellen in het vet duiden op een lagere incidenten-dekking dan inwoners-dekking.

Bijlage

E

Capaciteitsverschillen verklaard

In tabel E-1 wordt stapsgewijs het verschil in capaciteit tussen het referentiekader-2004 en -2008 verklaard, dit gebeurt in de volgende vier stappen:

  • 1)

    In het beschikbaarheidsmodel-2004 wordt het aantal ritten dat in 2006 is geselecteerd ingevoerd. Dit betekent dat het 2003-model wordt geactualiseerd naar de productieomvang van 2006.

  • 2)

    Vervolgens wordt de gemiddelde ritduur van 2006 in het model ingevoerd. Het model heeft dan alle benodigde ritstatistieken van 2006 overgenomen.

  • 3)

    In de derde stap worden de nieuwe uitrukpunten in het model ingevoerd. Omdat deze volgens een andere methode en uitgangspunten is berekend levert dit soms andere capaciteitsberekeningen.

  • 4)

    Tenslotte wordt een middeling die in het 2004-model is gehanteerd uit de berekeningen gehaald. De middeling is in het vorige referentiekader gehanteerd omdat toen verschillende varianten waren ontwikkeld; in het nieuwe referentiekader is gekozen voor één van deze varianten.

Bij de stapsgewijze verklaring is uitgegaan van de capaciteit op werkdagen van 8-16 uur.

Tabel E-1: Stapsgewijze verklaring van het verschil in de berekende capaciteiten in het referentiekader-2004 en -2008, uitgaande van werkdagen 8-16 uur.

Groningen

24

26

25

26

26

26

Friesland

21

21

22

28

27

27

Friese Waddeneilanden

8

8

8

8

8

8

Drenthe

17

18

18

19

19

19

IJssel-Vecht

17

21

20

20

20

20

Twente

17

18

17

16

16

16

Noordoost Gelderland

21

21

21

24

24

24

Gelderland Midden

13

13

13

14

14

14

Gelderland Zuid

16

17

17

17

17

17

Utrecht

28

31

34

35

35

35

Noord-Holland Noord

14

14

14

15

14

14

Texel

2

2

2

2

2

2

Amsterdam/Waterland

39

36

37

39

39

39

Kennemerland

14

14

14

14

14

14

Gooi- en Vechtstreek

4

5

5

6

6

6

Haaglanden

17

19

19

19

18

18

Hollands Midden

19

20

19

18

18

18

Rotterdam-Rijnmond

26

26

30

32

32

32

Goeree-Overflakkee

3

3

4

4

4

4

Zuid-Holland Zuid

11

11

12

15

15

15

Zeeland

20

21

21

22

22

22

Schouwen Duiveland

3

3

3

3

3

3

Tholen

2

2

2

2

2

2

Walcheren Bevelanden

8

9

9

10

10

10

Zeeuws Vlaanderen

7

7

7

7

7

7

Midden West Brabant

26

29

29

30

29

29

Brabant Noord

16

17

17

16

16

16

Zuidoost Brabant

16

19

18

18

18

18

Noord- en Midden Limburg

13

14

15

17

16

16

Zuid Limburg

16

18

18

18

18

18

Flevoland

10

11

11

11

11

11

Landelijk totaal

448

473

480

503

498

498

Bijlage

2

bij ministeriële regeling CZ-3131585

Gegevens ex artikel 23, eerste lid, onder b

  • 1.

    Capaciteit:

    • standplaatsen (ultimo van het jaar): aantallen en locaties,

    • aantal in te zetten ambulances per standplaats (ultimo van het jaar),

    • aantal ambulances naar soort (ambulance, zorgambulance, rapid responder), ultimo van het jaar,

  • 2.

    Productie (ritten naar categorie) per jaar:

    • aantal A1-ritten met ambulance,

    • aantal A1 ritten met rapid responder,

    • aantal A2-ritten,

    • aantal B-ritten met ambulance,

    • aantal B-ritten met zorgambulance,

    • aantal EHGV-ritten1 EHGV-rit: een rit die wordt uitgevoerd met de intentie tot hulpverlening of hulpverlening en vervoer, maar waarbij de noodzaak tot vervoer na onderzoek van de patiënt niet is gebleken.,

    • aantal loze ritten2 Loze rit: een rit die wordt uitgevoerd met de intentie tot hulpverlening of hulpverlening en vervoer, maar waarbij blijkt dat er geen noodzaak was tot hulpverlening. ,

    • aantal voorwaardenscheppende ritten,

    • aantal A1-ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal A2-ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal B-ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal ritten ten behoeve van een buitenlandse buurregio,

    • aantal inzetten van een buitenlandse buurregio binnen de RAV regio,

    • aantal voorwaardenscheppende ritten ten behoeve van andere regio’s,

    • aantal MICU-ritten

  • 3.

    Prestaties (gemiddeld per jaar) :

    • tijdsduur aanname en uitgifte A1-ritten in minuten:seconden,

    • uitruktijd A1-ritten in minuten:seconden,

    • aanrijtijd A1-ritten in minuten:seconden,

    • responstijd A1-ritten in minuten:seconden,

    • percentage A1-ritten binnen 14 minuten bij de patiënt,

    • percentage A1 ritten binnen 15 minuten bij de patiënt,

    • percentage A1-ritten binnen 16 minuten bij de patiënt,

    • tijdsduur aanname en uitgifte A2-ritten in minuten:seconden,

    • uitruktijd A2-ritten in minuten:seconden,

    • aanrijtijd A2-ritten in minuten:seconden,

    • responstijd A2-ritten in minuten:seconden,

    • percentage A2 ritten binnen 30 minuten bij de patiënt,

  • 4.

    Personeel (ultimo van het jaar):

    • Beschikbaar personeel in fte, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs, verpleegkundig centralisten, niet-verpleegkundig centralisten, overig):

    • Beschikbaar personeel in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs, verpleegkundig centralisten, niet-verpleegkundig centralisten, overig):

    • leeftijdsopbouw werkzame personen:

      jonger dan 20 jaar;

      20 tot en met 24 jaar

      25 tot en met 29 jaar

      30 tot en met 34 jaar

      35 tot en met 39 jaar

      40 tot en met 44 jaar

      45 tot en met 49 jaar

      50 tot en met 54 jaar

      55 tot en met 59 jaar

      60 jaar en ouder

    • aantal medewerkers in dienst gedurende:

      korter dan 1 dienstjaar

      1 tot en met 4 jaar

      5 tot en met 9 jaar

      10 tot en met 14 jaar

      15 tot en met 19 jaar

      20 tot en met 24 jaar

      25 tot en met 29 jaar

      30 tot en met 34 jaar

      35 tot en met 39 jaar

      40 jaar en langer

    • aantal agressiegerelateerde incidenten jegens de eigen medewerkers (zie de toelichting op artikel 12, vierde lid, van de onderhavige regeling)

  • 5.

    Ingeroosterde uren per jaar

    • Totaal aantal ingeroosterde diensturen van ambulanceteams naar dienstsoort per jaar (parate uren, aanwezigheidsuren en beschikbare uren)

Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de RAV de juistheid van de gegevens bevestigt.

Bijlage

3

bij ministeriële regeling CZ-3131585

Gegevens ex artikel 33, eerste lid, onder b

  • 1.

    Capaciteit (ultimo van het jaar):

    • a.

      aantal ambulances

  • 2.

    Productie (per jaar):

    • a.

      aantal ambulanceritten vanuit het buitenland gespecificeerd naar land en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).

    • b.

      aantal ambulanceritten vanaf een (Nederlandse) luchthaven gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).

    • c.

      aantal begeleide patiënttransporten, anders dan met een ambulance, gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisdres).

  • 3.

    Personeel (ultimo van het jaar):

    • a.

      formatie van vaste krachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).

    • b.

      formatie van oproepkrachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).

Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de buitenlandvervoerder de juistheid van de gegevens bevestigt.