Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 oktober 2012, nr. CZ-3131585, houdende nieuwe eisen inzake de ambulancezorg (Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg)
Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
de minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b.
A1-rit: een spoedeisende rit in opdracht van de centralist van de meldkamer in geval van acute bedreiging van de vitale functies van de patiënt of in het geval dit gevaar pas na beoordeling door het ambulanceteam ter plaatse kan worden uitgesloten;
c.
ambulancebijstandsplan: protocol inzake de organisatie van de bovenregionale bijstand van ambulances;
d.
buitenlandvervoer: het vervoeren van patiënten onder medische begeleiding op basis van een medische indicatie vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd, met inbegrip van het vervoer per ambulance vanaf of naar de Nederlandse luchthavens van patiënten voor wie ambulancezorg is aangewezen vanwege een in het buitenland of Nederland opgelopen ziekte of ontstaan ongeval;
triage: het dynamische traject van urgentie bepalen en het vervolgtraject indiceren ten behoeve van een juiste en adequate hulpverlening.
Hoofdstuk
II
Spreiding en beschikbaarheid
Artikel
2
1
De Regionale Ambulancevoorziening geeft in overleg met de zorgverzekeraars in de regio uitvoering aan het in bijlage 1 opgenomen referentiekader spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances.
2
De Regionale Ambulancevoorziening draagt zorg voor voldoende beschikbaarheid van ambulances en personeel om het in bijlage 1 opgenomen referentiekader uit te voeren.
3
De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de spreiding van standplaatsen van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de spreiding van de standplaatsen zodanig is dat in de desbetreffende regio minstens 97% van de bevolking binnen 15 minuten responstijd kan worden bereikt door een ambulance.
4
De Regionale Ambulancevoorziening kan in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd afwijken van de beschikbaarheid van ambulances van het in bijlage 1 opgenomen referentiekader, mits de bereikbaarheid is gewaarborgd.
Hoofdstuk
III
Landelijke eisen ambulancezorg
§
1
Algemeen
Artikel
3
De Regionale Ambulancevoorziening is in Nederland gevestigd.
Artikel
4
De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.
Artikel
5
De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.
Artikel
6
Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.
§
2
De cliënt
Artikel
7
1
De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat onder normale omstandigheden in ten minste 95% van de A1-meldingen een ambulance binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse is. De Regionale ambulancevoorziening kan hier in overleg met de zorgverzekeraars in de regio gemotiveerd van afwijken.
2
De Regionale Ambulancevoorziening heeft over de normen voor de wachttijden van het planbare vervoer afspraken met de zorginstellingen in de regio. De planning van het planbare vervoer wordt ondersteund door een adequaat werkend geautomatiseerd systeem.
3
De Regionale Ambulancevoorziening analyseert periodiek de oorzaken van overschrijding van de 15 minuten responstijd en neemt maatregelen om deze zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel
8
1
De Regionale Ambulancevoorziening past zorgdifferentiatie toe onder de volgende voorwaarden:
a.
op basis van sectorbrede inzetcriteria wordt bepaald welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoorde ambulancezorg, en
b.
zorgdifferentiatie gaat niet ten koste van de inzetbaarheid van materieel en personeel die nodig zijn om verantwoorde ambulancezorg te leveren in normale en opgeschaalde omstandigheden.
2
De Regionale Ambulancevoorziening levert veilige ambulancezorg. Daartoe is een veiligheidsmanagementsysteem aanwezig.
§
3
Prijs en doelmatigheid
Artikel
9
1
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een meerjarenbegroting, gekoppeld aan een meerjarenbeleidsplan (het Regionaal Ambulanceplan), waarmee de financiën en het beleid voor de langere termijn kan worden overzien en tijdig worden bijgestuurd.
2
De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks een plan op. Hierin worden inhoud en financiën gekoppeld. In de aan het jaarplan gekoppelde begroting worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.
3
De Regionale Ambulancevoorziening stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan de ambulancezorg, inzichtelijk gemaakt.
4
In de begroting en de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van ambulancezorg duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.
5
De Regionale Ambulancevoorziening heeft afgeleid van het jaarplan financiële drie-, vier-, of zesmaandelijkse rapportages, waarbij inhoud aan financiën is gekoppeld en de rechtspersoon beschikt over een planning en controlecyclus.
§
4
Samenwerking in de zorgketen en met buur- en grensregio’s
Artikel
10
De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.
Artikel
11
1
Ten behoeve van het leveren van verantwoorde zorg heeft de Regionale Ambulancevoorziening schriftelijke afspraken met:
a.
de partners in de acute zorgketen, waarbij met de ziekenhuizen in ieder geval de beschikbare opnamecapaciteit en de overdracht van patiënten wordt betrokken en met de huisartsen de inzet en beschikbaarheid tijdens de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-uren),
b.
de naburige Regionale Ambulancevoorzieningen over in ieder geval de open grens benadering en de onderlinge assistentie,
c.
de Belgische of Duitse meldkamers en ambulancediensten indien de regio van de Regionale Ambulancevoorziening aan de regio van een buitenlandse ambulancedienst grenst, en
d.
de directeur publieke gezondheid over mogelijke dienstverlening voor speciale evenementen.
2
De Regionale Ambulancevoorziening voert minimaal halfjaarlijks overleg over de afspraken, bedoeld in het eerste lid, en evalueert deze.
§
5
Het personeel
Artikel
12
1
De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over kwalitatief en kwantitatief voldoende deskundig personeel om verantwoorde ambulancezorg te kunnen leveren.
2
Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid past de Regionale Ambulancevoorziening in ieder geval een opleiding- en bekwaamheidsbeleid toe, gebaseerd op een meerjarenopleidingsplan.
3
Het management van de Regionale Ambulancevoorziening is van onbesproken gedrag.
4
De veiligheid van het personeel tijdens de uitoefening van hun functie in de publieke ruimte wordt structureel door de Regionale Ambulancevoorziening geïnventariseerd en minimaal vierjaarlijks wordt een risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd.
5
De tevredenheid van het personeel wordt door de Regionale Ambulancevoorziening minimaal vierjaarlijks onderzocht.
§
6
De organisatie
Artikel
13
De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.
Artikel
14
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.
Artikel
15
De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.
Artikel
16
De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.
§
7
De meldkamer ambulancezorg
Artikel
17
Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen in ieder geval:
a.
de verdeling van taken in de meldkamer,
b.
de bijdrage van de Regionale Ambulancevoorziening aan het informatiemanagement,
c.
het gebruik en het beheer van de technische infrastructuur,
d.
de bescherming van patiëntgerelateerde en medische gegevens,
e.
de financiering van de gemeenschappelijk kosten, en
f.
het continuïteitsplan voor de meldkamer.
Artikel
19
1
De Regionale Ambulancevoorziening controleert en verbetert continu de selectie en triage bij de ambulancezorg.
2
De Regionale Ambulancevoorziening zorgt ervoor dat in de meldkamer de zorgintake en de zorgindicatie geschiedt door een op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundige.
§
8
Opschaling
Artikel
20
1
De Regionale Ambulancevoorziening heeft schriftelijk afspraken met de directeur publieke gezondheid over het multidisciplinaire oefenen, de inzet bij evenementen en de voorbereiding op de inzet bij een ramp of crisis.
2
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, betreffen:
a.
de procedures die worden gevolgd bij een ramp of crisis, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de aspecten alarmering, opschaling, coördinatie, informatiemanagement en evaluatie,
b.
de wijze waarop en de mate waarin personeel en materieel wordt ingezet,
c.
de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van personeel, ruimte en materieel,
d.
de wijze van trainen en oefenen met het oog op het gezamenlijk optreden bij de rampenbestrijding en crisisbeheersing en de frequentie waarin getraind en geoefend wordt,
e.
de samenwerking tussen de Regionale Ambulancevoorziening, de directeur publieke gezondheid, de regionale zorginstellingen en andere relevante hulpverleningsinstanties werkzaam in de regio, en
f.
het onderhoud en beheer van materiaal voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.
Artikel
21
De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.
§
9
Regionale eisen ambulancezorg
Artikel
22
1
Voor de Veiligheidsregio Zuid-Limburg geldt de eis dat de betreffende Regionale Ambulancevoorziening ervaring heeft met internationale, grensoverschrijdende ambulancezorg en in staat is om te werken volgens de protocollen en afspraken zoals deze zijn vastgelegd in het samenwerkingsdocument ‘Eumed Euregio Maas-Rijn van 2007’.
2
Voor de Veiligheidsregio Haaglanden en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland geldt dat op de meldkamer 7 x 24 uur minimaal twee op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg geregistreerde verpleegkundigen aanwezig zijn die verantwoordelijk zijn voor de zorgintake en de zorgindicatie.
Hoofdstuk
IV
Gegevensverstrekking ambulancezorg
Artikel
23
1
De Regionale Ambulancevoorziening overlegt aan de minister de volgende gegevens:
De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.
Artikel
24
De Regionale Ambulancevoorziening verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.
vervoer met ambulances van het Nederlandse Rode Kruis van personen van wie de gezondheidstoestand door het vervoer niet negatief zal worden beïnvloed, uitsluitend voor zover dit betreft vervoer:
–
van en naar het Rode Kruis Hospitaal-schip J. Henri Dunant en de Rode Kruis tehuizen ‘de Valkenburg’ en ‘IJsselvliedt’, alsmede voorafgaand aan en volgend op dagboottochten;
–
in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen;
b.
vervoer met ambulances van ziekenhuizen op het ziekenhuisterrein;
c.
vervoer met Belgische ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor het Comité van Ministers van de Benelux een beschikking heeft uitgebracht op 8 december 2009;
d.
vervoer met Duitse ambulances in het kader van het grensoverschrijdende spoedeisende ambulancevervoer waarvoor tussen een Regionale Ambulancevoorziening en een Duitse ambulancedienst en meldkamer afspraken zijn gemaakt;
e.
vervoer met ambulances van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard;
f.
vervoer met ambulances op een bedrijfsterrein en van dat bedrijfsterrein naar een ziekenhuis, behandelend arts of de woning van de patiënt;
g.
het buitenlandvervoer.
2
Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder f, wordt, voordat het vervoer aanvangt, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin dit vervoer aanvangt en mag slechts worden verricht met inachtneming van de instructies van die meldkamer.
3
Al het vervoer, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt:
a.
voor zover dit plaatsvindt vanuit het buitenland naar Nederland, door de vervoerder gemeld aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waarin de eindbestemming van dat vervoer is gelegen;
b.
voor zover dit plaatsvindt naar het buitenland, aan de meldkamer, verantwoordelijk voor het gebied waar de patiënt wordt opgehaald.
§
2
Landelijke eisen voor buitenlandvervoer
Artikel
26
Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.
Artikel
27
1
De vervoerder dient zich eenmalig vóór aanvang van het buitenlandvervoer te registreren bij de minister (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, postbus 20350, 2500 EJ Den Haag, t.a.v. de directie Curatieve Zorg).
2
Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeld: de handelsnaam van het bedrijf, het correspondentie- en vestigingsadres en het inschrijvingsnummer in het Handelsregister.
Artikel
28
De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.
Artikel
29
De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.
Artikel
30
De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.
Artikel
31
De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.
Artikel
32
1
De vervoerder stelt jaarlijks (uiterlijk per 1 juni) een jaarrekening vast, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Hierin worden de inkomsten en uitgaven, die direct zijn toe te rekenen aan het buitenlandvervoer, inzichtelijk gemaakt.
2
In de financiële administratie zijn uitgaven en ontvangsten ten behoeve van het buitenlandvervoer duidelijk traceerbaar naar bron en bestemming en onderscheiden van eventuele andere bedrijfsmatige activiteiten.
Artikel
33
1
De vervoerder overlegt aan de minister de volgende gegevens:
De verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats uiterlijk zes maanden na afloop van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben.
Artikel
34
De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.
Delen uit deze publicatie mogen worden opgenomen op voorwaarden van bronvermelding: ‘Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg 2008, Bilthoven, 2008.’
1
Inleiding
Het Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg definieert de spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid van ambulances in Nederland in een samenhangend geheel. Het is een modelmatige benadering van spreiding en capaciteit op landelijk niveau. Op basis van het referentiekader worden regionale budgetten vastgesteld; het kader is daarmee ook een model voor de macrofinanciering van de ambulancezorg. Ofschoon het referentiekader als basis dient voor het financiële kader van de ambulancezorg, valt het financiële aspect buiten het kader van onderhavig onderzoek. De financiële consequenties worden in een vervolgtraject onderzocht en vastgesteld.
In het referentiekader worden landelijk eenduidige uitgangspunten en objectieve criteria gehanteerd voor de reguliere ambulancezorg. Het staat aanbieders en verzekeraars echter vrij om, met inachtneming van de uitgangspunten en criteria, waaronder in het bijzonder de regiogrensoverschrijdende inzet, afspraken te maken waarbij wordt afgeweken van dit referentiekader.
Een expertteam (bijlage A) bestaande uit vertegenwoordigers van het Ministerie van VWS, Ambulancezorg Nederland (AZN), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), aangevuld met provinciale expertise vanuit de provincie Gelderland, heeft onder voorzitterschap van prof. dr. W. Derksen het referentiekader-2008 opgesteld. Het expertteam heeft de uitgangspunten en randvoorwaarden van het onderzoek vastgesteld, het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het referentiekader is uitgevoerd door en valt onder verantwoordelijkheid van het RIVM.
Het referentiekader-2008 is een actualisatie van het referentiekader dat in 2004 door het Ministerie van VWS is vastgesteld [1, 2]. Het referentiekader-2004 was gebaseerd op gegevens over het peiljaar 2001. Het onderhavige referentiekader-2008 is gebaseerd op ritgegevens van de ambulancezorg over het jaar 2006. Met betrekking tot de randvoorwaarden en uitgangspunten sluit deze actualisatie grotendeels aan op het referentiekader-2004. Er is echter ook een aantal belangrijke verschillen ten opzichte van 2004. Eén daarvan is dat nu, ten aanzien van de spreiding van standplaatsen, het uitgangspunt is dat minstens 97% van de bevolking van elke RAV-regio binnen 12 minuten rijtijd kan worden bereikt. In het referentiekader-2004 werd uitgegaan van een landelijke dekking van 95% bij 13 minuten rijtijd.
Een ander belangrijk verschil in het referentiekader-2008 ten opzichte van 2004 is dat gebruik wordt gemaakt van een nieuw rijtijdenmodel. Het eerdere rijtijdenmodel was gebaseerd op ambulancerijsnelheden uit 1998 en een routeplanner uit 1999 [3]. Het nieuwe rijtijdenmodel gebruikt rijsnelheden en een routeplanner uit 2007. In deze routeplanner wordt een wegennet gebruikt dat is afgestemd op de ambulancezorg. Er zijn bijvoorbeeld ook busbanen en afslagen in opgenomen die in het normale wegenverkeer niet gebruikt mogen worden maar door de ambulance in geval van spoedvervoer wel. In hoofdstuk 2 geven we een toelichting op het nieuwe rijtijdenmodel.
Het rijtijdenmodel is een belangrijk instrument om op basis van een bepaalde spreiding van standplaatsen de dekking van de ambulancezorg te bepalen. De dekking geeft het aantal inwoners dat binnen een bepaalde rijtijd kan worden bereikt. Met het model kunnen tevens gebieden worden geïdentificeerd die, gegeven een bepaalde spreiding, lange rijtijden hebben omdat de afstand tot de standplaats groot is. In het referentiekader-2008 zijn, ten opzichte van het referentiekader-2004, een belangrijk aantal van deze gebieden geëlimineerd omdat een aantal nieuwe standplaatsen aan de spreiding zijn toegevoegd om de dekking in elke regio minstens 97% te laten zijn.
Met het beschikbaarheidsmodel wordt de capaciteit berekend die nodig is om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Het berekent op basis van het aantal standplaatsen en de ritstatistieken, per RAV-regio, de benodigde ambulancecapaciteit om aan een bepaalde vraag naar spoedeisende (A-vervoer) en planbare ambulancezorg (B-vervoer) te voldoen en om de paraatheid in de regio te waarborgen.
Een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden ligt ten grondslag aan het referentiekader (bijlage B). De belangrijkste worden hier kort samengevat.
1.
Reguliere ambulancezorg -- Het betreft de reguliere ambulancezorg in Nederland. Andere inzetten, zoals bijstand in het kader van grootschalige evenementen en bij rampen, inzetten ten behoeve van Mobiel Medische Teams (MMT’s) en van Huisartsenposten, en assistentie waarbij de landsgrenzen worden overschreden vallen buiten het kader.
2.
Responstijd -- De bereikbaarheidsnorm voor het A1-spoedvervoer is 15 minuten. Ten aanzien van deze responstijd van 15 minuten wordt uitgegaan van 3 minuten voor het meld- en uitrukproces, en 12 minuten rijtijd. Bij rijdende paraatheid wordt uitgegaan van 13 minuten rijtijd en 2 minuten voor het meld- en uitrukproces.
3.
Dekking -- Als maat voor de dekking wordt het aantal inwoners gehanteerd. Door uitbreiding van het aantal standplaatsen in het referentiekader-2004 is bereikt dat elke RAV-regio minstens 97% dekking realiseert.
4.
Open RAV-grenzen -- Er wordt uitgegaan van open RAV-regiogrenzen, wat betekent dat een inzet voor spoedeisende hulp wordt gegeven aan de dichtstbijzijnde standplaats, ongeacht de RAV-grens.
5.
Congruentie veiligheidsregio’s -- In het onderzoek naar het referentiekader-2008 zijn alle gerealiseerde en geplande congruentieaanpassingen meegenomen (peildatum 1 januari 2008). Dit betekent dat onder meer de gemeente Haarlemmermeer aan de RAV Kennemerland is toegedeeld, de RAV Zaanstreek/Waterland als aparte RAV wordt onderscheiden en de gemeente Deventer tot de RAV-regio IJssel-Vecht is gerekend en de gemeente Heerde aan de RAV Noordoost Gelderland.
2
Data en modellen
Voor de berekeningen voor het referentiekader-2008 wordt gebruik gemaakt van ritgegevens over het jaar 2006. Twee modellen spelen een belangrijke rol in het referentiekader. Met het rijtijdenmodel voor spoedeisende ambulancevervoer (paragraaf 2.1) wordt de dekking van de ambulancezorg berekend. Tevens wordt dit model gebruikt om de spoedeisende inzetten uit de ritstatistieken over 2006 toe te wijzen aan de dichtstbijzijnde standplaats in het referentiekader. Deze herverdeling van ritten is noodzakelijk in verband met het uitgangspunt van open RAV-grenzen. De herverdeelde ritten zijn invoer van het beschikbaarheidsmodel (paragraaf 2.3) dat de benodigde capaciteit berekent voor de ambulancezorg.
2.1
Ritgegevens
De ritgegevens over 2006 zijn per RAV verzameld door de ‘ruwe’ rittendatabases op te vragen. De ruwe gegevens bevatten een aantal ritten die niet tot de reguliere ambulancezorg behoren, maar die worden uitgevoerd in het kader van extra taken die de RAV-en hebben. Zo zijn er bijvoorbeeld assistentie-inzetten voor Mobiel Medische Teams en inzetten bij grootschalige evenementen. Naast selecties op de reguliere ambulancezorg, zijn de ruwe gegevens bewerkt omdat in een aantal gevallen ritinformatie onvolledig was. Er is bijvoorbeeld in een aantal gevallen de locatie van het incident niet opgegeven.
Het resultaat van deze selecties is dat in Nederland in 2006 ruim 930.000 ritten zijn uitgevoerd in het kader van de reguliere ambulancezorg, waarvan bijna 44% A1-urgentie had, ruim 20% een A2-urgentie en ruim 35% besteld vervoer was (tabel 1). Deze cijfers verschillen enigszins van de cijfers in het brancherapport van de ambulancezorg dat in opdracht van AZN eind 2007 is uitgegeven [4]. De verschillen zijn verklaarbaar omdat de selecties anders zijn uitgevoerd. Een belangrijk verschil is gelegen in het perspectief van de cijfers. In het referentiekader wordt uitgegaan van het perspectief van RAV-organisatie, waar het brancherapport uitgaat van het geografisch perspectief van de RAV-regio. Het verschil uit zich in de aantallen ritten grensoverschrijdende assistentie (tabel 1). In het brancherapport worden deze herverdeeld naar de regio waarin de assistentie plaatsvond, in ons onderzoek worden deze ritten aan de uitvoerende RAV toegerekend.
‘First en Rapid responders’
In de selectie van ritten zijn inzetten van ‘first responders’ uitgesloten. Dit is namelijk geen reguliere ambulancezorg. In deze inzetten wordt een andere dan een ambulanceteam, zoals politie, brandweer of EHBO-ers, als eerste naar een incident gestuurd om daar de eerste spoedeisende hulp te verlenen. Een ambulance komt dan soms later. In deze gevallen wordt de ambulance-inzet wel meegenomen. De first responder wordt echter nooit meegenomen.
Inzetten van een ‘rapid responder’ zijn inzetten die uitgevoerd worden door een ambulanceverpleegkundige, waarbij er geen mogelijkheid tot vervoer is. Dit zijn inzetten van zogenaamde ‘solo-ambulances’ of ‘motorambulances’. Inzetten van rapid responders zijn alleen meegenomen wanneer er geen vervolginzet van een ‘vervoersambulance’ is geweest. Dit is gedaan om dubbeltellingen te voorkomen. De inzet van de vervoersambulance wordt wel in de berekeningen meegenomen. In 2006 hebben 9 RAV-regio’s in totaal 16.122 maal een rapid responder ingezet. Op basis van de selectiecriteria worden 12.498 inzetten in de capaciteitsberekeningen meegenomen.
Tabel 1: Aantallen ritten in 2006 naar urgentie en overzicht van grensoverschrijdende assistentie, na selectie voor de capaciteitsberekeningen.
1
Groningen
17.796
8.641
17.209
43.646
4,7
663
1.744
2
Friesland
15.349
6.406
13.607
35.362
3,8
823
201
3
Drenthe
13.713
8.015
7.566
29.294
3,1
1.742
840
4
IJssel-Vecht
8.432
9.044
11.057
28.533
3,1
2.191
3.083
5
Twente
9.708
11.082
8.264
29.054
3,1
608
381
6
Noordoost Gelderland
15.097
12.445
11.953
39.495
4,2
2.927
3.195
7
Gelderland Midden
13.274
6.677
10.220
30.171
3,2
5.467
829
8
Gelderland Zuid
9.632
7.396
11.140
28.168
3,0
1.107
2.683
9
Utrecht
24.087
15.351
29.832
69.270
7,4
799
3.609
10
Noord-Holland Noord
16.556
4.882
8.273
29.711
3,2
379
1.104
11
Agglomeratie Amsterdam
37.280
7.395
30.124
74.799
8,0
717
1.930
12
Kennemerland
18.358
4.601
11.321
34.280
3,7
1.438
256
13
Zaanstreek/Waterland
9.460
2.206
4.598
16.264
1,7
22
16
14
Gooi- en Vechtstreek
7.547
1.842
4.739
14.128
1,5
506
122
15
Haaglanden
34.217
13.248
12.408
59.873
6,4
1.032
489
16
Hollands Midden
21.424
5.484
15.022
41.930
4,5
574
639
17
Rotterdam-Rijnmond
40.036
9.976
32.607
82.619
8,9
774
1.628
18
Zuid-Holland Zuid
10.492
5.410
9.449
25.351
2,7
907
346
19
Zeeland
9.376
4.418
6.394
20.188
2,2
252
1
20
Midden West Brabant
16.928
16.462
19.211
52.601
5,7
1.433
983
21
Brabant Noord
9.116
9.029
10.194
28.339
3,0
1.950
1.224
22
Zuidoost Brabant
15.225
6.183
13.287
34.695
3,7
348
1.585
23
Noord- en Midden Limburg
10.533
6.259
7.619
24.411
2,6
1.181
1.510
24
Zuid Limburg
14.232
7.774
17.287
39.293
4,2
628
392
25
Flevoland
10.010
4.182
4.800
18.992
2,0
596
274
Landelijk totaal
407.878
194.408
328.181
930.467 1) 2)
100,0
29.064
29.064
Noten: 1) In de eindselectie voor de capaciteitsberekeningen komt een klein aantal ritten te vervallen omdat informatie over het tijdstip en/of locatie van de melding ontbreekt. 2) Inclusief inzetten van ‘rapid responders’ die in de capaciteitsberekeningen meetellen, met uitzondering van 2.689 inzetten in RAV Haaglanden.
2.2
Rijtijdenmodel
Het rijtijdenmodel is in twee stappen geconstrueerd. In de eerste stap zijn ambulancesnelheden bij spoedeisend ambulancevervoer geschat uit een groot aantal meetgegevens uit het registratiesysteem Ambunet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar drie dagdelen, drie regiotypen en 22 wegtypen.
In Ambunet worden snelheden en posities van ambulances in Nederland geregistreerd, onder meer ten behoeve van de geografische informatie op de meldkamers. Het bureau CityGIS beheert deze gegevens. In de periode van augustus tot en met oktober 2007 zijn gegevens uit Ambunet voor het onderzoek verzameld. In de metingen zijn snelheden van ambulances bij spoedritten geregistreerd, waarbij is geselecteerd in het tijdsvak van vertrek van de ambulance tot de aankomst bij het incident. Het was technisch niet mogelijk om van alle ambulances in Nederland gedurende de meetperiode snelheden te verzamelen. Daarom is een selectie van RAV-en gemaakt waarvan data zijn verzameld. De gemeten snelheden zijn bewerkt en in een analyse zijn de gemiddelde snelheden bepaald.
De gemiddelde snelheden zijn in een tweede stap ingevoerd in een routeplanner. De routeplanner bevat onder meer ook rijbanen van het openbaarvervoer waar ambulances gebruik van kunnen maken in geval van A1-vervoer. In de doorrekening van de routeplanner zijn, op basis van de gemiddelde snelheden, van trajecten de kortste rijtijden bepaald. Hierbij is uitgegaan van het geografische niveau van 4-positie postcodes. CityGIS heeft de routeplanner beschikbaar gesteld en heeft de rijtijdenberekeningen uitgevoerd. Het RIVM heeft de resultaten, rijtijdmodellen voor drie regiotypen en dagdelen, geïntegreerd tot het eindresultaat van drie rijtijdmodellen voor de drie dagdelen: spits, dagsituatie buiten de spits en de avond/nachtperiode. Het rijtijdenmodel voor de spitsperiode heeft de langste rijtijden.
De resultaten van het rijtijdenmodel zijn op twee manieren geverifieerd. Ten eerste is onderzocht of de meetperiode representatief is voor het gehele jaar. Ten tweede is gekeken of de aan de meting deelnemende regio’s representatief zijn voor heel Nederland. Uit de toetsing is gebleken dat het rijtijdenmodel representatief is voor Nederland en ook voor de maanden die buiten de meetperiode vallen.
Om deze toetsen te kunnen uitvoeren zijn enkele aannames gemaakt en moeten enkele kanttekeningen in acht worden genomen. Ten eerste was een belangrijke onzekerheid dat in de ritgegevens geen trajectinformatie beschikbaar is; we kunnen uit de ritgegevens niet herleiden welk traject de ambulance bij een inzet heeft afgelegd. Ten tweede waren er nog onzekerheden in de tijdenregistraties. Tenslotte is er een verschil in het niveau van geografisch detail; het rijtijdenmodel is gedefinieerd op het niveau van 4-positie postcodes, terwijl de ritgegevens waarmee wordt vergeleken op 6-positie postcodeniveau zijn gegeven.
Uit de vergelijking van het rijtijdenmodel met gerealiseerde rijtijden is gebleken dat de modelrijtijd van trajecten met een lange rijtijd in het algemeen hoger is dan de gerealiseerde rijtijden. Dit betekent dat het model voor deze trajecten enigszins pessimistisch is; in werkelijkheid worden trajecten sneller gereden dan het model aangeeft. Andersom is voor trajecten met een korte rijtijd het model enigszins optimistisch; in werkelijkheid worden op die trajecten hogere rijtijden gerealiseerd. Deze modelonzekerheid bestond ook in het rijtijdenmodel dat gebruikt is in het referentiekader-2004, in het nieuwe rijtijdenmodel is deze onzekerheid niet geheel weggenomen, maar wel aanzienlijk verminderd. Deze ontwikkeling van het rijtijdenmodel heeft belangrijke gevolgen voor de berekening van de dekking bij een bepaalde spreiding (hoofdstuk 3).
In het onderzoek is uitgegaan van de ‘worst-case’ bereikbaarheidssituatie. Omdat de rijsnelheden voor de spitsperiode het laagst zijn, geeft het rijtijdenmodel voor de spits langere rijtijden dan de rijtijdenmodellen voor de andere dagdelen. Daarom is in het onderzoek ten behoeve van het referentiekader-2008 gebruik gemaakt van het rijtijdenmodel voor de spitsperiode. Dekkingsgraden voor de dagperiode buiten de spits en voor de avond- en nachtperiode zullen waarschijnlijk iets gunstiger zijn dan in dit rapport wordt beschreven.
2.3
Beschikbaarheidsmodel
Het beschikbaarheidsmodel berekent per RAV-regio, per dagsoort (werkdagen, zaterdagen en zondagen) en per dagdeel (blokken van 2 uur, in resultaten geaggregeerd naar drie dagdelen 0–8 uur, 8–16 uur en 16–24 uur) de benodigde ambulancecapaciteit om aan de volgende drie vraagsoorten te voldoen:
(1)
spoedvervoer (A1- en A2-urgentie),
(2)
besteld vervoer (B-urgentie), en
(3)
de geografische paraatheidswaarborging.
Invoer in het model zijn de A1-, A2- en B-ritten, de gemiddelde ritduur voor deze drie ritsoorten uitgesplitst naar dagdeel en dagsoort en de spreiding van standplaatsen conform het referentiekader. Het model is generiek. Dat wil zeggen dat het geldig is voor alle RAV-regio’s, stedelijk en platteland, voor elk dagdeel en voor elk dagtype. Het model is geaccepteerd voor capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2004 en is voor onderhavig onderzoek verder ontwikkeld.
Volgens het uitgangspunt van ‘open RAV-grenzen’ worden A-ritten verzorgd door de standplaats met de kortste rijtijd naar het incident. Voor de invoer van het model betekent dit dat de A-ritten worden herverdeeld en toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats. Deze laatste wordt bepaald met gebruik van het rijtijdenmodel. Benodigde capaciteit voor het B-vervoer wordt op RAV-niveau bepaald. Hier vindt dus geen herverdeling van ritten plaats.
Spoedvervoer
De spoedritten worden dus per standplaats van het referentiekader in het beschikbaarheidsmodel ingevoerd. De gemiddelde ritduur en het aantal B-ritten zijn op RAV-niveau in het model meegenomen. De benodigde capaciteit voor het spoedvervoer wordt berekend met de zogenaamde ‘faalkansmethode’. In deze methode wordt verondersteld dat in een blokuur de meldingen op de meldkamer volgens een Poisson-verdeling binnenkomen. Aan de hand van deze verdeling kan worden bepaald hoeveel ambulances in het blokuur nodig zijn om niet boven een bepaalde maximum ‘faalkans’ uit te komen. Bij een 5% faalkans betekent dit dat in 5% van de gevallen er geen ambulance beschikbaar is voor een melding. Met nadruk moet erop gewezen worden dat dit een modelmatige veronderstelling is in de capaciteitsberekeningen en niet verward mag worden met overschrijdingspercentages uit de praktijk. Overschrijdingen zijn spoedinzetten die in de praktijk, om welke reden dan ook, een responstijd hebben gehad van meer dan 15 minuten (de norm).
Geografische paraatheidswaarborging
Het derde element van de capaciteitsberekeningen, de geografische paraatheidswaarborging, berekent per RAV-regio het aantal standplaatsen dat nodig is om de geografische paraatheid te waarborgen. Hiervan worden twee varianten gebruikt, in de maximum variant wordt uitgegaan van ‘standplaats paraatheid’ waarbij de ambulance vanaf standplaats uitrukt. In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op deze variant. De maximum variant wordt gebruikt op werkdagen ’s avonds en ’s nachts, op zaterdagen en op zon- en feestdagen. In de minimum variant wordt ‘rijdende paraatheid’ verondersteld en is de ambulance reeds op de weg. In deze variant is er geen uitruktijd en er wordt verondersteld dat de ambulance een minuut meer rijtijd beschikbaar heeft. Voor de minimum variant is bepaald wat in een RAV-regio het minimum aantal ‘uitrukpunten’ is om bij 13 minuten rijtijd een beoogde dekking te bereiken. Hierbij zijn deze uitrukpunten zo optimaal mogelijk over de regio verdeeld. De minimum variant wordt gebruikt voor de situatie overdag op werkdagen.
Eilandbenadering
In het tweede en derde element (B-vervoer en geografische paraatheidswaarborging) van het beschikbaarheidsmodel worden capaciteiten berekend op RAV-niveau en wordt ervan uitgegaan dat capaciteit ‘planbaar’ over de regio kan worden verdeeld en ingezet. Centrale gedachte hierbij is dat het referentiekader expliciet een kader is en niet als blauwdrukplanning is bedoeld. Binnen de regio heeft elke RAV de vrijheid de ambulancevoorziening naar eigen inzicht te optimaliseren. Echter enkele RAV-en hebben (schier)eilanden in hun verzorgingsgebied die maken dat een capaciteitsbepaling voor de gehele RAV te weinig vrijheidsgraden oplevert binnen de capaciteitsbepaling. Om hieraan recht te doen zijn de (schier)eilanden als afzonderlijke RAV-regio’s beschouwd. Dit heet de zogenaamde eilandbenadering. Het betreft de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en geheel Zeeland. Deze laatste regio is als vier afzonderlijke regio’s benaderd: Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren & de Bevelanden en Zeeuws-Vlaanderen. Voor deze gebieden wordt het tweede en derde element van het capaciteitsmodel, het besteld vervoer en de geografische paraatheids-waarborging, per ‘eiland’ bepaald.
3
Spreiding referentiekader-2008
De spreiding van standplaatsen in het referentiekader-2008 is gebaseerd op de spreiding in het referentiekader-2004. Van het vorige referentiekader is de dekking doorgerekend met het nieuwe rijtijdenmodel, uitgaande van 12 minuten rijtijd (tabel 2, kaart 1). Met het nieuwe rijtijdenmodel is de landelijke dekking bij 12 minuten rijtijd 97,9%.
De spreiding is in een aantal stappen aangepast. In een eerste analyse is de dekking van het referentiekader-2004 doorgerekend met het nieuwe rijtijdenmodel. De resultaten van die analyse laten zien dat de dekkingspercentages per regio hoger zijn dan in het referentiekader-2004 is gerapporteerd [1], omdat het nieuwe rijtijdenmodel de rijtijd van trajecten met lange rijtijden beter benadert. Ofschoon de dekking hoger uitvalt, haalt een aantal regio’s nog niet de doelstelling van 97% dekking. Daarom is het aantal standplaatsen uitgebreid. Voordat tot uitbreiding kon worden overgegaan zijn enkele aanpassingen gedaan:
1.
Enkele standplaatsen hadden in het referentiekader-2004 een onjuiste locatie. Ondanks de toenmalige validatie van de data was een aantal verplaatsingen van standplaatsen die in het peiljaar 2001 al waren gerealiseerd, niet in het referentiekader meegenomen. Onder andere ontbrak in het referentiekader de verhuizing van een standplaats in de stad Groningen naar de noordzijde van de stad. Dit had tot gevolg dat ten noorden van de stad, in Bedum, een nieuwe standplaats toegevoegd was om de dekking in de regio Groningen te verhogen. Door de correctie van de locaties van de Groningse standplaatsen is standplaats Bedum uit het referentiekader-2004 komen te vervallen.
2.
Voordat standplaatsen worden toegevoegd in regio’s met minder dan 97% dekking, zijn locaties van standplaatsen in die regio’s geactualiseerd. Zo is bijvoorbeeld na 2004 de standplaats Harlingen naar een locatie meer landinwaarts verplaatst, met een verbetering van de dekking als gevolg, deze verhuizing is overgenomen.
Door de aanpassing aan de congruentie van de veiligheidsregio’s (zie hoofdstuk 1) is de standplaats Hoofddorp, in het referentiekader-2004 vallend onder de RAV Agglomeratie Amsterdam, overgegaan naar de RAV Kennemerland.
Na de aanpassingen heeft het referentiekader-2004 nog 194 standplaatsen en is van 5 standplaatsen de locatie gewijzigd. Eén standplaats is naar een andere RAV gegaan. Vanuit deze situatie zijn in twee fases standplaatsen toegevoegd.
Twee regio’s hebben een dekkingspercentage onder (afgerond) 95%, Friesland en Zeeland. In een eerste stap zijn in deze regio’s samen drie standplaatsen toegevoegd, waarmee voor alle regio’s de dekking minstens 95% bedroeg. Het beeld van deze spreiding, zie kaart 2, toont nog een groot aantal gebieden buiten het 12-minuten bereik van een standplaats. Op basis hiervan is besloten dat de dekking voor elke regio minstens 97% moet zijn. Hiertoe zijn 9 extra standplaatsen toegevoegd (kaart 3). Tabel 2 laat de nieuwe dekkingspercentages zien na uitbreiding van de spreiding tot 206 standplaatsen.
Voor de uitbreiding van het aantal standplaatsen is een regionaal perspectief gehanteerd. Dit betekent dat in de regio’s met minder dan 97% dekking is gezocht naar die locatie die het dekkingspercentage het meest verhoogt, op basis van het aantal inwoners dat binnen 12 minuten rijtijd wordt bereikt. Tabel 3 geeft een overzicht van de in totaal 12 toegevoegde standplaatsen. Bijlage C geeft een gedetailleerd overzicht van de standplaatsen in het referentiekader in vergelijking met de actuele situatie.
In kaart 3 zien we nog een aantal gebieden buiten 12 minuten rijtijd. Als ook deze gebieden moeten worden bereikt, zullen meer standplaatsen toegevoegd moeten worden. Berekend is dat 22 standplaatsen extra toegevoegd moeten worden om voor elke regio meer dan 99,5% dekking te realiseren, zodat het totaal voor Nederland dan op 228 standplaatsen komt. Het expertteam heeft besloten het referentiekader niet tot dit aantal standplaatsen uit te breiden. De meeste van deze standplaatsen zijn gelegen in zeer dunbevolkte gebieden waar een zeer geringe vraag naar ambulancezorg is. Dit vergroot de kans op negatieve effecten op de ervaringsdeskundigheid en arbeidssatisfactie van de ambulanceteams, en daarmee op de kwaliteit van de zorg.
Tabel 2: Aantal standplaatsen en dekkingspercentages (aantal inwoners binnen 12 minuten rijtijd bereikt) in het referentiekader-2008 en -2004.
1
Groningen
13
99,1
14
97,9
2
Friesland
20
98,0
16
89,6
3
Drenthe
11
97,9
10
97,1
4
IJssel-Vecht
10
97,9
10
97,9
5
Twente
9
99,8
9
99,8
6
Noordoost Gelderland
10
97,3
9
94,9
7
Gelderland Midden
7
99,0
7
98,7
8
Gelderland Zuid
8
98,6
8
98,6
9
Utrecht
11
99,9
11
99,9
10
Noord-Holland Noord
8
98,7
8
98,6
11
Agglomeratie Amsterdam
5
100,0
6
100,0
12
Kennemerland
5
100,0
3
97,6
13
Zaanstreek/Waterland
4
99,2
3
95,1
14
Gooi- en Vechtstreek
2
99,1
2
99,1
15
Haaglanden
6
100,0
6
100,0
16
Hollands Midden
7
99,9
7
99,9
17
Rotterdam-Rijnmond
9
99,2
9
99,2
18
Zuid-Holland Zuid
6
98,2
6
97,1
19
Zeeland
11
97,1
9
92,7
20
Midden West Brabant
13
98,2
11
95,7
21
Brabant Noord
7
99,7
7
99,7
22
Zuidoost Brabant
7
98,1
7
98,1
23
Noord- en Midden Limburg
7
98,0
7
98,0
24
Zuid Limburg
4
97,7
4
97,7
25
Flevoland
6
100,0
6
100,0
Landelijk totaal
206
98,9
195
97,9
Noot: 1) Het referentiekader-2004 is met het nieuwe rijtijdenmodel doorgerekend, de dekking is gebaseerd op 12 minuten rijtijd. Daardoor wijken de cijfers af van de dekkingsgraden in het referentiekader-2004.
Tabel 3: Toegevoegde standplaatsen aan het referentiekader-2004 ten behoeve van het referentiekader-2008.
2
Friesland
9219
Smallingerland
Friesland
9071
Leeuwarderadeel
Friesland
8522
Skasterland
Friesland
9011
Boarnsterhim
3
Drenthe
7891
Emmen
6
Noordoost Gelderland
3852
Ermelo
12
Kennemerland
1962
Heemskerk
13
Zaanstreek/Waterland
1521
Zaanstad
19
Zeeland
4401
Reimerswaal
Zeeland
4323
Schouwen-Duiveland
20
Midden West Brabant
4721
Rucphen
Midden West Brabant
4255
Werkendam
Kaart 1: Referentiekader-2004 bij 195 standplaatsen, spreiding doorgerekend met het nieuwe rijtijdenmodel.
Kaart 2: Referentiekader-2008 bij 197 standplaatsen en minimaal 95% regionale dekking.
Kaart 3: Referentiekader-2008 bij 206 standplaatsen en minimaal 97% regionale dekking.
4
Beschikbaarheid referentiekader-2008
Voor de berekeningen van de beschikbaarheid, dat is de benodigde capaciteit om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen, wordt gebruik gemaakt van het beschikbaarheidsmodel (zie hoofdstuk 2). Dit model heeft invoerwaarden die ontleend zijn aan de ritgegevens over 2006. In paragraaf 4.1 bespreken we deze invoerwaarden. Voor de paraatheidswaarborging ’s avonds, ’s nachts en in het weekend wordt uitgegaan van paraatheid vanaf de standplaats en gebruikt het model de spreiding van standplaatsen van het referentiekader (zie hoofdstuk 3). Voor de situatie op werkdagen overdag wordt een spreidingsvariant gebruikt waarbij rijdende paraatheid wordt verondersteld. Deze variant komt in paragraaf 4.2 aan de orde. Tenslotte worden de resultaten van het beschikbaarheidsmodel in paragraaf 4.3 gepresenteerd. In deze paragraaf maken we ook een globale vergelijking met het referentiekader-2004. Een gedetailleerde analyse van deze vergelijking is opgenomen in bijlage E.
4.1
Ritten en gemiddelde ritduur
Op het aantal ritten in tabel 1 zijn nadere selecties gemaakt. Dit was nodig omdat in de capaciteitsberekeningen ritten worden ingedeeld naar blokuur en dagsoort. Van een aantal ritten was deze indeling niet mogelijk vanwege incomplete ritinformatie. Ook worden ritten herverdeeld naar de dichtstbijzijnde standplaats, op basis van het rijtijdenmodel. Voor deze herverdeling moet de plaats van incident, ook wel ‘afhaalplaats’, bekend zijn. In een aantal gevallen was deze informatie niet bekend. Daarom is het aantal ritten dat in de capaciteitsberekeningen wordt gebruikt (tabel 4) iets lager dan in het overzicht van tabel 1. Na de herverdeling is er een ander aantal grensoverschrijdende ritten (tabel 4).
Naast het aantal ritten is de gemiddelde ritduur een invoerwaarde van het beschikbaarheidsmodel (tabel 5). De gemiddelde ritduur is gedefinieerd als de tijdsduur tussen het moment dat een ritopdracht wordt gegeven aan de ambulance tot aan het moment van melding dat de rit ten einde is. Als het moment van ‘einde rit’ niet geregistreerd is, wordt het moment van vrijmelding gehanteerd. Bij vrijmelding door een ambulance is deze beschikbaar voor een nieuwe inzet, maar nog niet teruggekeerd op de standplaats. Voor berekening van de gemiddelde ritduur is het noodzakelijk dat deze tijdstippen bekend zijn. Omdat van een aantal ritten deze informatie niet beschikbaar was, is de berekening van de gemiddelde ritduur op een lager aantal ritten gebaseerd dan het aantal in tabel 4. Tevens zijn in deze berekening spoedritten met een ritduur langer dan 4 uur en besteld vervoer ritten met een ritduur langer dan 8 uur genegeerd. Ook inzetten met een extreem lage ritduur zijn in de berekeningen van de gemiddelde ritduur uitgesloten.
De ritgegevens, en daarmee de berekeningen van waarden van bijvoorbeeld de gemiddelde ritduur, zijn afhankelijk van de wijze van registreren in de regio’s. In de praktijk kunnen regio’s tijdsmomenten van een rit verschillend registreren, ondanks landelijke afspraken hieromtrent. Uit onderzoek van de ritgegevens is gebleken dat er geen regio’s zijn die systematisch een zodanig andere registratiewijze hanteren dat een gecorrigeerde berekening van de gemiddelde ritduur moest worden toegepast. Ook het zogenaamde ‘mens-onafhankelijk’ registreren dat in bepaalde regio’s wordt gehanteerd, geeft geen aanleiding tot een andere berekening van de gemiddelde ritduur voor deze regio’s.
Tabel 4: Aantal ritten in de capaciteitsberekeningen en de grensoverschrijdende assistentie (alleen spoedritten) na herverdeling van de ritten.
1
Groningen
18.021
8.659
18.771
45.451
1.074
650
2
Friesland
15.371
6.565
13.115
35.051
508
189
3
Drenthe
13.598
7.970
6.517
28.085
1.088
1.360
4
IJssel-Vecht
8.886
9.609
11.613
30.108
1.463
944
5
Twente
9.884
11.218
8.443
29.545
652
47
6
Noordoost Gelderland
14.307
11.688
11.453
37.448
294
2.204
7
Gelderland Midden
10.056
4.717
6.892
21.665
1.068
3.629
8
Gelderland Zuid
9.974
7.512
11.861
29.347
545
914
9
Utrecht
25.668
16.294
32.081
74.043
3.892
2.780
10
Noord-Holland Noord
16.244
4.781
7.860
28.885
111
1.362
11
Agglomeratie Amsterdam
36.658
7.393
30.853
74.904
1.107
1.409
12
Kennemerland
19.113
4.694
10.953
34.760
1.731
304
13
Zaanstreek/Waterland
10.201
2.407
5.599
18.207
1.386
444
14
Gooi- en Vechtstreek
7.920
2.361
4.865
15.146
1.783
775
15
Haaglanden 1)
37.739
13.760
12.739
64.238
2.760
973
16
Hollands Midden
21.067
5.465
14.997
41.529
1.327
1.693
17
Rotterdam-Rijnmond
37.917
9.296
32.280
79.493
987
4.161
18
Zuid-Holland Zuid
11.980
5.814
9.429
27.223
2.345
384
19
Zeeland
9.599
4.641
5.121
19.361
625
0
20
Midden West Brabant
16.958
16.427
19.308
52.693
1.370
824
21
Brabant Noord
9.592
9.212
9.402
28.206
1.697
1.255
22
Zuidoost Brabant
14.969
6.245
14.035
35.249
14
579
23
Noord- en Midden Limburg
10.983
6.389
7.278
24.650
753
822
24
Zuid Limburg
13.760
7.568
17.272
38.600
69
326
25
Flevoland
9.787
3.899
4.265
17.951
0
621
Totaal
407.793
194.366
326.990
929.149
28.649
28.649
Noot: 1) Inclusief selectie van 2.689 inzetten van rapid responders.
Tabel 5: Gemiddelde ritduur (minuten) per regio en urgentiesoort.
1
Groningen
64,8
66,2
74,5
2
Friesland
65,4
70,0
81,2
3
Drenthe
61,0
61,9
80,3
4
IJssel-Vecht
64,9
65,3
81,9
5
Twente
68,8
67,6
83,7
6
Noordoost Gelderland
63,4
63,3
77,8
7
Gelderland Midden
61,4
63,2
72,9
8
Gelderland Zuid
65,0
64,8
86,8
9
Utrecht
62,6
60,9
80,3
10
Noord-Holland Noord
57,7
62,7
77,4
11
Agglomeratie Amsterdam
54,6
63,1
87,9
12
Kennemerland
51,2
56,3
67,4
13
Zaanstreek/Waterland
56,2
60,4
70,1
14
Gooi- en Vechtstreek
41,7
44,0
54,7
15
Haaglanden
56,0
61,1
73,2
16
Hollands Midden
57,1
62,8
67,3
17
Rotterdam-Rijnmond
60,2
67,4
73,8
18
Zuid-Holland Zuid
58,8
61,7
72,2
19
Zeeland
68,6
69,4
93,9
20
Midden West Brabant
63,1
62,7
79,5
21
Brabant Noord
61,6
62,1
79,3
22
Zuidoost Brabant
58,5
58,7
79,7
23
Noord- en Midden Limburg
64,7
64,9
80,7
24
Zuid Limburg
55,9
54,8
70,5
25
Flevoland
54,0
58,0
70,5
Noot: In de capaciteitsberekeningen wordt gebruik gemaakt van gemiddelde ritduur gedifferentieerd naar blokuur en dagsoort, en wordt de ‘eilandbenadering’ gehanteerd voor de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en Zeeland. Deze tabel geeft geaggregeerde cijfers.
4.2
Geografische paraatheid
Van de capaciteitsberekeningen zijn twee varianten ontwikkeld (zie hoofdstuk 2). In de maximum variant wordt uitgegaan van paraatheid die vanaf de standplaats wordt geleverd. De minimum variant gaat uit van rijdende paraatheid. Bij deze rijdende paraatheid spreken we van ‘uitrukpunten’ waarvandaan een ambulance vertrekt voor een inzet, in plaats van standplaatsen.
Het aantal uitrukpunten bij rijdende paraatheid in de minimum variant (tabel 6) is bepaald door per regio het minimum aantal uitrukpunten te bepalen bij 13 minuten rijtijd, zodanig dat minstens de dekkingsgraad van het referentiekader wordt gehaald (zie tabel 1). Hierbij wordt gewogen naar inwoneraantallen. Ten opzichte van het referentiekader-2004 zijn er enkele belangrijke methodologische verschillen bij het bepalen van het aantal uitrukpunten voor de minimum variant:
1)
Er wordt nu gebruik gemaakt van een ander rijtijdenmodel.
2)
Er wordt nu uitgegaan van 13 minuten rijtijd, tegen 14 minuten in 2004.
3)
De regionale dekkingspercentages in het referentiekader zijn nu hoger dan in 2004.
4)
In 2004 is het aantal uitrukpunten bij 14 minuten rijtijd landelijk bepaald, waarna de regiogrenzen zijn ingevuld. Nu is per regio het aantal uitrukpunten bepaald.
4.3
Capaciteitsberekeningen
De vorige twee paragrafen behandelden de invoerwaarden in het beschikbaarheidsmodel. De resultaten van de capaciteitsberekeningen zijn gegeven in tabel 7. Tabellen 8 en 9 geven een vergelijking met het referentiekader-2004.
Tabel 6: Aantal standplaatsen (maximum variant) en uitrukpunten (minimum variant) in de capaciteitsberekeningen.
1
Groningen
13
8
14
7
2
Friesland
20
17
16
11
3
Drenthe
11
8
10
7
4
IJssel-Vecht
10
7
10
7
5
Twente
9
5
9
6
6
Noordoost Gelderland
10
10
9
7
7
Gelderland Midden
7
5
7
4
8
Gelderland Zuid
8
5
8
5
9
Utrecht
11
7
11
6
10
Noord-Holland Noord
8
6
8
5
11
Amsterdam/Waterland
9
6
9
4
Agglomeratie Amsterdam
5
3
Zaanstreek/Waterland
4
3
12
Kennemerland
5
3
3
3
14
Gooi- en Vechtstreek
2
2
2
1
15
Haaglanden
6
3
6
3
16
Hollands Midden
7
5
7
6
17
Rotterdam-Rijnmond
9
8
9
6
18
Zuid-Holland Zuid
6
5
6
2
19
Zeeland
11
10
9
9
20
Midden West Brabant
13
9
11
8
21
Brabant Noord
7
5
7
6
22
Zuidoost Brabant
7
5
7
5
23
Noord- en Midden
Limburg
7
7
7
5
24
Zuid Limburg
4
4
4
4
25
Flevoland
6
5
6
5
Landelijk totaal
206
155
195
132
Noot: Voor het bepalen van het aantal uitrukpunten is de ‘eilandbenadering’ gehanteerd, de resultaten hiervan zijn in deze tabel meegenomen in de bijbehorende RAV.
Tabel 7: Referentiekader-2008, capaciteit (aantal ambulances) per RAV-regio, dagsoort en dagdeel.
Groningen
15
26
19
15
20
18
16
19
18
Friesland totaal
26
35
29
26
30
29
27
30
28
Vlieland
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Terschelling
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Ameland
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Schiermonnikoog
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Overig Friesland
18
27
21
18
22
21
19
22
20
Drenthe
13
19
15
13
16
15
13
15
14
IJssel-Vecht
12
20
14
12
17
14
12
14
13
Twente
11
16
14
11
14
13
12
14
13
Noordoost Gelderland
12
24
15
12
17
15
13
16
14
Gelderland Midden
9
14
11
9
12
10
9
11
10
Gelderland Zuid
10
17
13
10
14
12
10
13
12
Utrecht
15
35
22
15
24
20
15
22
19
Noord-Holland Noord
11
16
13
11
14
13
11
13
12
Texel
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Overig Noord-Holland Noord
9
14
11
9
12
11
9
11
10
Amsterdam/Waterland
14
39
24
14
25
19
16
22
19
Zaanstreek/Waterland
5
8
6
5
7
6
6
7
6
Agglomeratie Amsterdam
9
31
18
9
18
13
10
15
13
Kennemerland
7
14
9
7
10
9
7
10
9
Gooi- en Vechtstreek
3
6
4
3
4
4
3
4
4
Haaglanden
10
18
15
10
15
14
10
14
13
Hollands Midden
9
18
13
9
13
12
10
13
12
Rotterdam-Rijnmond
14
36
22
15
23
19
15
21
19
Goeree-Overflakkee
3
4
3
3
3
3
3
3
3
Overig Rotterdam-Rijnmond
11
32
19
12
20
16
12
18
16
Zuid-Holland Zuid
8
15
10
8
11
9
8
10
9
Zeeland
15
22
16
15
16
16
15
16
16
Schouwen-Duiveland
3
3
3
3
3
3
3
3
3
Tholen
2
2
2
2
2
2
2
2
2
Walcheren en Bevelanden
6
10
7
6
7
7
6
7
7
Zeeuws-Vlaanderen
4
7
4
4
4
4
4
4
4
Midden West Brabant
16
29
20
16
21
20
17
20
19
Brabant Noord
9
16
11
9
12
11
9
11
11
Zuidoost Brabant
9
18
12
9
13
11
10
12
11
Noord- en Midden Limburg
9
16
11
9
11
10
9
11
10
Zuid Limburg
6
18
10
6
10
8
7
9
8
Flevoland
7
11
9
7
9
9
8
9
8
Landelijk totaal
270
498
351
271
371
330
282
349
321
Tabel 8: Referentiekader-2004, capaciteit per RAV-regio, dagsoort en dagdeel.
Groningen
16
24
20
16
21
19
17
20
19
Friesland totaal
21
29
25
21
26
24
21
25
24
Vlieland
Terschelling
Ameland
Schiermonnikoog
Overig Friesland
Drenthe
11
17
14
12
14
13
12
14
13
IJssel-Vecht
11
17
13
11
16
13
12
14
13
Twente
11
17
13
11
14
13
11
14
13
Noordoost Gelderland
11
21
14
11
16
13
11
15
13
Gelderland Midden
9
13
11
9
12
11
9
11
11
Gelderland Zuid
10
16
13
10
14
12
10
12
11
Utrecht
14
28
21
14
21
18
15
19
17
Noord-Holland Noord
11
16
12
10
13
12
11
13
12
Texel
Overig Noord-Holland Noord
Amsterdam/Waterland
14
39
24
14
24
19
15
22
19
Zaanstreek/Waterland
Agglomeratie Amsterdam
Kennemerland
5
14
7
4
8
6
5
7
6
Gooi- en Vechtstreek
3
4
4
3
4
4
3
4
4
Haaglanden
10
17
14
10
14
13
10
14
13
Hollands Midden
9
19
12
9
13
11
9
12
11
Rotterdam-Rijnmond
13
29
19
13
20
18
14
19
17
Goeree-Overflakkee
Overig Rotterdam-Rijnmond
Zuid-Holland Zuid
7
11
10
8
10
9
8
9
9
Zeeland
12
19
13
12
15
13
12
15
13
Schouwen-Duiveland
Tholen
Walcheren en Bevelanden
Zeeuws-Vlaanderen
Midden West Brabant
13
26
17
14
18
16
14
18
16
Brabant Noord
9
16
11
9
11
10
9
11
11
Zuidoost Brabant
9
16
12
9
12
11
10
12
11
Noord- en Midden Limburg
9
13
10
8
10
10
9
11
10
Zuid Limburg
6
16
9
6
9
8
6
9
8
Flevoland
7
10
8
7
9
8
8
9
8
Landelijk totaal
251
447
326
251
344
304
261
329
302
Noot: De resultaten van RAV Zaanstreek/Waterland zijn meegenomen bij RAV Amsterdam. Haarlemmermeer is meegenomen bij de regio Amsterdam/Waterland.
Tabel 9: Verschil referentiekader-2008 en -2004, capaciteit per RAV-regio, dagsoort en dagdeel
Groningen
-1
2
-1
-1
-1
-1
-1
-1
-1
Friesland totaal
5
6
4
5
4
5
6
5
4
Vlieland
Terschelling
Ameland
Schiermonnikoog
Overig Friesland
Drenthe
2
2
1
1
2
2
1
1
1
IJssel-Vecht
1
3
1
1
1
1
0
0
0
Twente
0
-1
1
0
0
0
1
0
0
Noordoost Gelderland
1
3
1
1
1
2
2
1
1
Gelderland Midden
0
1
0
0
0
-1
0
0
-1
Gelderland Zuid
0
1
0
0
0
0
0
1
1
Utrecht
1
7
1
1
3
2
0
3
2
Noord-Holland Noord
0
0
1
1
1
1
0
0
0
Texel
Overig Noord-Holland Noord
Amsterdam/Waterland
0
0
0
0
1
0
1
0
0
Zaanstreek/Waterland
Agglomeratie Amsterdam
Kennemerland
2
0
2
3
2
3
2
3
3
Gooi- en Vechtstreek
0
2
0
0
0
0
0
0
0
Haaglanden
0
1
1
0
1
1
0
0
0
Hollands Midden
0
-1
1
0
0
1
1
1
1
Rotterdam-Rijnmond
1
7
3
2
3
1
1
2
2
Goeree-Overflakkee
Overig Rotterdam-Rijnmond
Zuid-Holland Zuid
1
4
0
0
1
0
0
1
0
Zeeland
3
3
3
3
1
3
3
1
3
Schouwen-Duiveland
Tholen
Walcheren en Bevelanden
Zeeuws-Vlaanderen
Midden West Brabant
3
3
3
2
3
4
3
2
3
Brabant Noord
0
0
0
0
1
1
0
0
0
Zuidoost Brabant
0
2
0
0
1
0
0
0
0
Noord- en Midden Limburg
0
3
1
1
1
0
0
0
0
Zuid Limburg
0
2
1
0
1
0
1
0
0
Flevoland
0
1
1
0
0
1
0
0
0
Landelijk totaal
19
51
25
20
27
26
21
20
19
Noot: In deze vergelijking zijn de aantallen ambulances voor de eilanden bij de totalen van de betreffende RAV toegevoegd.
Referenties
[1]
Ministerie van VWS. Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg. Kamerstuk CZ/EZ 2487006; 4 juni 2004.
[2]
Project Versterking Ambulancezorg. Landelijk referentiekader Spreiding- en Beschikbaarheid – Een landelijk referentiekader als planningsgrondslag. Van Naem & Partners, 04.0177jk, eindrapport S&B II; Woerden, 2 februari 2004.
[3]
Kommer G.J., Van der Veen A.A., Botter W.F., Tan I. Ambulances binnen bereik. RIVM rapport 270556006. Bilthoven: RIVM, januari 2003.
[4]
Ambulancezorg Nederland. Ambulances in-zicht 2006. Zwolle: AZN, september 2007.
Deze bijlage geeft een beknopte beschrijving van gehanteerde terminologie in het rapport. In deze beschrijving komen ook de uitgangspunten en de randvoorwaarden aan de orde. De beschrijving zijn deels ontleend aan het brancherapport Ambulances in-zicht [4] en het Begrippenkader Ambulancezorg [5].
Ambulancezorg
De zorg welke beroepsmatig of bedrijfsmatig wordt verleend om een patiënt binnen het kader van zijn aandoening of letsel hulp te verlenen en waarnodig adequaat te vervoeren met inachtneming van datgene wat op grond van algemeen beschikbare medische en verpleegkundige kennis noodzakelijk is.
Regionale Ambulancevoorziening (RAV)
De organisatie die verantwoorde ambulancezorg levert; de RAV is als eerste verantwoordelijk voor het leveren van ambulancezorg in de eigen veiligheidsregio maar is ook beschikbaar in andere regio’s.
Paraatheid
Het paraat staan van een ambulanceteam om in het geval van een spoedeisende melding zo spoedig mogelijk naar de door de centralist opgegeven locatie te gaan.
A1-rit
Bij een A1-rit bestaat gevaar voor het leven of blijvende invaliditeit bij een patiënt of kan dit bij de melding niet worden uitgesloten. De ambulance dient zo spoedig mogelijk en binnen uiterlijk 15 minuten na melding ter plaatse te zijn.
A2-rit
Bij een A2-rit bestaat er geen direct levensgevaar, maar is snelle hulp wel wenselijk. De ambulance wordt geacht binnen uiterlijk 30 minuten ter plaatse te zijn om (ernstige) gezondheidsschade te voorkomen.
B-rit
Planbare ambulancezorg, ook wel besteld vervoer genoemd. Veelal betreft het vervoer van patiënten tussen en naar ziekenhuizen, andere zorginstellingen en het eigen woonadres.
Standplaats
Een standplaats is een locatie waarvandaan de ambulance vertrekt en waar voorzieningen zijn voor ambulancepersoneel en -materieel.
Bereikbaarheidsnorm
De bereikbaarheidsnorm voor het A1-spoedvervoer is 15 minuten. In dit onderzoek is door het expertteam bepaald dat uitgegaan wordt van een benodigde meld- en uitruktijd van 3 minuten en een netto-rijtijd van 12 minuten.
Faalkans
De maximum rijtijd van 15 minuten is niet voor 100% te garanderen. In het model wordt een theoretisch-statistische faalkans van 5% gehanteerd conform afspraken in het expertteam. De faalkans is de kans dat na melding van een spoedopdracht geen ambulance beschikbaar is op de dichtstbijzijnde standplaats.
Beschikbaarheidsmodel
De faalkans is een inputparameter voor het beschikbaarheidsmodel. Voor elk dagdeel is met behulp van de ritgegevens over 2006 een verdeling bepaald van het aantal ritten dat gelijktijdig op de weg is. Dit wordt vastgelegd door de verdeling van spoedritten over de tijd en de gemiddelde ritduur van een spoedrit. Op basis van deze twee grootheden kan via een Poisson-verdeling bepaald worden hoeveel ambulances beschikbaar moeten zijn om de kans dat er geen ambulance beschikbaar is bij binnenkomst van een spoedmelding onder de 5% te houden.
Overschrijding
‘Falen’ is overigens niet synoniem aan een overschrijding van de 15-minuten bereikbaarheidsnorm. Het is mogelijk dat er wel een overschrijding is terwijl er een ambulance op de dichtstbijzijnde standplaats beschikbaar is. Ook kan het gebeuren dat er geen ambulance op de dichtstbijzijnde standplaats beschikbaar is en er toch geen overschrijding is.
Dekkingsgraad
De faalkans moet niet verward worden met de dekkingsgraad. De dekkingsgraad geeft het percentage mensen dat binnen de normtijd van 15 minuten van een ambulancestandplaats woont. In het rapport Referentiekader Spreiding en Beschikbaarheid Ambulancezorg [1] is uitgegaan van een minimale landelijke dekkingsgraad van 95%. Voor dit referentiekader is door het expertteam bepaald dat de dekkingsgraad 97% moet zijn en dat dit niet alleen landelijk moet gelden, maar voor elke RAV afzonderlijk.
Rijtijdenmodel
De berekening van de dekkingsgraad wordt gedaan met het rijtijdenmodel. Dit model geeft de theoretisch te behalen rijtijden tussen elk middelpunt van een vierpositie postcodegebied en elk ander vierpositie postcodegebied. Het rijtijdenmodel is ten behoeve van het referentiekader-2008 geactualiseerd. Het model onderscheidt drie situaties: een spitssituatie, een dagsituatie buiten de spits en een nachtsituatie. De spitssituatie geeft de langste rijtijden en beschrijft daarmee de ‘worst-case’ situatie.
Grensoverschrijdende assistentie en open RAV-grenzen
Bij de minimale dekkingsgraad van 97% per RAV-regio wordt wel rekening gehouden met (regio-)grensoverschrijdende assistentie. Dat betekent dat altijd een inzet vanuit de dichtstbijzijnde ambulancestandplaats verondersteld wordt ongeacht of de standplaats in een andere regio ligt. Dit wordt ook wel een situatie met open RAV-grenzen genoemd.
Spreidingsplan
Het expertteam heeft bepaald dat het spreidingsplan uit het referentiekader-2004 de basis is voor het nieuwe spreidingsplan. Hiertoe is het vorige spreidingsplan aangepast om te komen tot een regionale dekkingsgraad van 97%. Het nieuwe spreidingsplan van het referentiekader-2008 telt nu 206 standplaatsen.
Maximum variant
Het model kent twee varianten. In de maximum variant van het model wordt het nieuwe spreidingsplan gebruikt: 206 standplaatsen. Deze variant wordt op één na in alle situaties gebruikt: op zaterdagen en zon- en feestdagen zowel ’s avonds, overdag als ’s nachts, en op werkdagen ’s avonds en ’s nachts. Alleen op werkdagen overdag wordt de minimum variant gebruikt.
Minimum variant
In de minimum variant worden geen standplaatsen van het nieuwe spreidingsplan gebruikt, maar uitrukpunten (151 stuks).
Uitrukpunten
Uitrukpunten zijn virtuele standplaatsen die model staan voor een situatie met rijdende paraatheid. Middels een optimalisatiealgoritme is het minimum benodigd aantal uitrukpunten berekend dat nodig is om minimaal de dekkingsgraad te behalen die de betreffende RAV-regio heeft in de maximum variant. Hierbij wordt uitgegaan van gesloten grenzen. Een uitgangspunt van gesloten grenzen betekent dat de betreffende RAV geen regio-overschrijdende assistentie van aangrenzende RAV-en nodig heeft om toch voldoende dekkingsgraad en capaciteit te krijgen.
Rijdende paraatheid
Bij een situatie van rijdende paraatheid heeft de ambulance geen uitruktijd meer nodig. Hierbij wordt verondersteld dat er één minuut meer tijd beschikbaar is voor het rijden. Daarmee zijn nog minder uitrukpunten nodig om een even grote dekkingsgraad te behalen dan met standplaatsen uit het spreidingsplan het geval is.
Eilandbenadering
De capaciteitsbepaling wordt voor elke RAV-regio afzonderlijk uitgevoerd. Centrale gedachte hierbij is dat het referentiekader expliciet een kader is en niet als blauwdrukplanning is bedoeld. Binnen de regio heeft elke RAV de vrijheid de ambulancevoorziening naar eigen inzicht te optimaliseren. Echter enkele RAV-en hebben (schier)eilanden in hun verzorgingsgebied die maken dat een capaciteitsbepaling voor de gehele RAV te weinig vrijheidsgraden oplevert binnen de capaciteitsbepaling. Om hieraan recht te doen zijn de (schier)eilanden als afzonderlijke RAV-regio’s beschouwd. Dit heet de zogenaamde eilandbenadering. Het betreft de Waddeneilanden, Goeree-Overflakkee en geheel Zeeland. Deze laatste regio is als vier afzonderlijke regio’s benaderd: Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren & de Bevelanden en Zeeuws-Vlaanderen.
Gemiddelde ritduur
De gemiddelde ritduur is gedefinieerd als de tijdsduur tussen het moment dat een ritopdracht wordt gegeven aan de ambulance tot aan het moment van melding dat de rit ten einde is. Als het moment van ‘einde rit’ niet geregistreerd is, wordt het moment van vrijmelding gehanteerd. Bij vrijmelding door een ambulance is deze beschikbaar voor een nieuwe inzet, maar nog niet teruggekeerd op de standplaats. In het onderzoek is een alternatieve definitie onderzocht. Deze ging uit van het tijdstip van aankomst in het ziekenhuis, vermeerderd met 10 minuten bij spoedvervoer en 20 minuten bij besteld vervoer. De verschillen met de eerstgenoemde definitie zijn gegeven in de figuren B-1 en B-2. De alternatieve definitie houdt onvoldoende rekening met de tijd nodig om terug te rijden naar de standplaats en is daarom in het onderzoek niet gehanteerd. Het is in dit onderzoek niet gelukt om een objectieve maat te formuleren ter modellering van de werkelijk gerealiseerde ritduur.
Figuur B-1: Verschil in de gemiddelde ritduur bij de twee definities (A1-ritten, werkdagen, 10–12 uur).
Figuur B-2: Verschil in de gemiddelde ritduur bij de twee definities (B-ritten, werkdagen, 10–12 uur).
Bijlage
C
Spreiding referentiekader en actuele situatie
Tabel C-1 geeft een overzicht van de spreiding van standplaatsen in het referentiekader-2004, het nieuwe referentiekader-2008 en de actuele situatie in 2008. De actuele situatie is gevalideerd aan recente publicaties en beschikbare informatie. Desondanks kan deze afwijken van de werkelijkheid.
De actuele spreiding 2008 heeft 207 standplaatsen, waarvan een aantal niet 24 uur per dag operationeel zijn. Het referentiekader-2004 telde 195 standplaatsen, het referentiekader-2008 heeft 206 standplaatsen.
Tabel C-1: Spreiding van standplaatsen in het referentiekader-2004, het referentiekader-2008 en de actuele situatie in 2008.
Noten:
–
de vet-gearceerde cellen geven verschillen ten opzichte van het referentiekader-2004.
–
in de kolom ‘actuele spreiding 2008’ zijn de met (*) aangeduide cellen standplaatsen die niet 24 uur per etmaal operationeel zijn.
1
Groningen
Nuis
9364
9364
9364
Stadskanaal
9502
9502
9502
Vlagtwedde
9541
9541
9541
Ter Apel
9561
9561
9561
Sappemeer
9611
9611
9611
Veendam
9641
9641
9641
Winschoten
9672
9672
9672
Groningen-Zuid
9723
9723
9723
Groningen-Noord
9728
9741
9741
Bedum
9781
Appingedam
9901
9901
9902
Winsum
9951
9951
9951
Leens (De Marne)
9965
9965
9965
Uithuizermeeden
9982
9982
9982
2
Friesland
Oosterwolde
8431
8431
8431
Heerenveen
8448
8448
8448
Wolvega
8471
8471
8471
Lemmer
8531
8531
8531
Skasterland (gem.)
8522
Sneek
8601
8601
8601
Koudum
8723
8723
8723
Midlum (Harlingen)
8862
8871
8871
Terschelling West
8881
8881
8881
Vlieland
8899
8899
8899
Leeuwarden
8911
8912
8912
Leeuwarden
8924
8924
8924
Boarnsterhim (gem.)
9011
Leeuwarderadeel (gem.)
9071
Sint Annaparochie
9076
Dokkum
9101
9101
9101
Nes (Ameland)
9163
9163
9163
Schiermonnikoog
9166
9166
9166
Drachten
9202
9202
9202
Smallingerland (gem.)
9219
Buitenpost
9291
9285
9285
3
Drente
Coevorden
7741
7741
7741
Emmen
7811
7811
7811
Emmen (gem.)
7891
Hoogeveen
7903
7903
7909
Meppel
7944
7943
7943
Havelte
7971
7971
7971
Roden
9301
9301
9301
Assen
9401
9401
9405
Beilen
9411
9411
9411
Annen
9468
9468
9468
Borger
9531
9531
9531
Klazienaveen
7891*
Eelde
9761*
4
IJssel-Vecht
Dedemsvaart (Balkbrug)
7701
7701
7707
Nieuwleusen (Rouveen)
7711
7711
7954
Ommen
7731
7731
7731
Hardenberg
7771
7771
7772
Zwolle
8013
8013
8013
Deventer
7418
7418
7418
Raalte
8103
8103
8103
Kampen (IJsselmuiden)
8261
8261
8271
Genemuiden (Zwartsluis)
8281
8281
8064
Steenwijk
8331
8331
8331
5
Twente
Nijverdal (Hellendoorn)
7447
7447
7443
Markelo
7475
7475
7475
Haaksbergen
7483
7483
7482
Enschede
7541
7541
7513
Hengelo
7556
7556
7556
Oldenzaal
7572
7572
7577
Almelo
7602
7602
7607
Tubbergen
7651
7651
7651
Vroomshoop
7681
7681
7681
6
Noordoost Gelderland
Harderwijk (Ermelo)
3843
3843
3851
Ermelo
3852
Doetinchem
7005
7005
7005
Varsseveld
7051
7051
7051
Winterswijk
7102
7102
7102
Zutphen
7207
7207
7207
Borculo
7271
7271
7271
Apeldoorn
7311
7311
7311
Heerde
8181
8181
8181
Elburg
8081
8081
8081
Putten
3882*
Groenlo
7141
7
Gelderland Midden
Barneveld
3772
3772
3771
Elst
6661
6661
6662
Wageningen (Renkum)
6701
6701
6871
Ede
6711
6711
6711
Arnhem
6828
6828
6828
Zevenaar
6901
6901
6901
Dieren
6951
6951
6953
8
Gelderland Zuid
Tiel
4002
4002
4003
Kesteren
4041
4041
4041
Culemborg
4101
4101
4101
Geldermalsen
4191
4191
4191
Zaltbommel
5301
5301
5301
Nijmegen
6524
6524
6524
Wijchen
6602
6602
6601
Druten
6651
6651
6651
9
Utrecht
Nieuwegein
3436
3436
3436
Woerden
3447
3447
3447
Utrecht
3561
3561
3561
Utrecht
3582
3582
3582
Maarssen
3608
3608
3608
Vinkeveen
3645
3645
3645
Zeist
3707
3707
3707
Amersfoort Centrum
3811
3811
3811
Amersfoort Noord
3823
3823
3823
Veenendaal (Rhenen)
3903
3903
3911
Doorn
3941
3941
3941
10
Noord-Holland Noord
Hoogkarspel
1616
1616
1616
Hoorn
1625
1625
1625
Schagen
1741
1741
1742
Anna Paulowna
1761
1761
Noord-Scharwoude
1723
Wieringerwerf
1771
1771
1771
Den Helder/Kooypunt
1786
1786
1786
Den Burg (Texel)
1791
1791
1791
Alkmaar Zuid
1812
Alkmaar
1823
1823
1823
11
Agglomeratie Amsterdam
Amsterdam
1018
1018
1018
Amsterdam
1075
1075
1075
Amsterdam Zuidoost
1105
1105
1105
Amstelveen
1185
1185
1185
Aalsmeer
1431
1431
1431
12
Kennemerland
Heemskerk (gem.)
1962
Heemskerk
1969
1969
1969
Velsen
1981
1981
1981
Haarlem
2015
2015
2015
Zandvoort
2042*
Heemstede
2102*
Hoofddorp
2131
2131
2132
13
Zaanstreek/Waterland
Monnickendam
1141
1141
1141
Purmerend
1442
1442
1442
Zaandam
1502
1502
1502
Zaandam (gem.)
1521
14
Gooi- en Vechtstreek
Hilversum
1213
1213
1213
Weesp
1383
Bussum
1404
1404
1404
15
Haaglanden
Wassenaar
2241
Leidschendam
2274
2274
2491
Den Haag
2594
Den Haag
2544
2544
Den Haag
2564
2564
2564
Delft
2627
2627
2627
Naaldwijk
2671
2671
2671
Zoetermeer
2718
2718
2718
16
Hollands Midden
Katwijk
2221
Noordwijkerhout
2211
2211
2211*
Leiden
2333
2333
2333
Leiderdorp
2353
2353
2353
Alphen aan de Rijn
2405
2405
2408
Ter Aar
2461
2461
2461*
Gouda
2801
2801
2801
Bergambacht
2861
2861
2861*
17
Rotterdam-Rijnmond
Capelle aan de IJssel
2907
2907
2907
Barendrecht
2922
2922
2993
Rotterdam (centrum)
3038
3038
3011
Rotterdam (noord)
3083
3083
3034
Schiedam
3118
3118
3118
Spijkenisse
3201
3201
3201
Hellevoetsluis
3223
3223
3223
Goedereede
3252
3252
Brielle
3232
Dirksland
3247
3247
3247
18
Zuid-Holland Zuid
Papendrecht
2957
2957
3355
Klaaswaal
3286
3286
3286
Dordrecht
3311
3311
3311
Zwijndrecht
3331
3331
3331
Gorinchem
4204
4204
4206*
Meerkerk
4231
4231
4231
19
Zeeland
Zierikzee
4301
4301
4301
Schouwen-Duiveland (gem.)
4323
Middelburg
4335
4335
4335
Vrouwenpolder (Neeltje Jans)
4354
4354
4354
Yerseke (Reimerswaal)
4401
Rilland
4411
4411
4411
Goes
4462
4462
4462
Oostburg
4501
4501
4501
Terneuzen
4535
4535
4535
Hulst
4561
4561
4561
Sint Maartensdijk / Tholen
4695
4695
4695
20
Midden West Brabant
Werkendam (gem.)
4255
Giessen
4283
4283
4283
Bergen op Zoom
4611
4611
4614
Steenbergen
4651
4651
4651*
Roosendaal
4701
4701
4706
Rucphen (gem.)
4721
Zevenbergen / Moerdijk
4761
4761
4761*
Breda
4811
4811
4815
Ulvenhout
4851
4851
Oosterhout
4901
4901
4901
Tilburg-centrum
5018
5018
5037
Tilburg-Vossenberg
5047
5047
5048
Waalwijk
5142
5142
5146
Chaam
4861*
Rijsbergen
4891
21
Brabant Noord
's-Hertogenbosch
5231
5231
5212
Boxtel
5281
5281
5283
Oss
5341
5341
5341
Velp NB
5363
5363
5363*
Uden
5405
5405
5405
Haps
5441
5441
5443
Veghel
5463
5463
5465
22
Brabant Zuidoost
Gemert
5421*
Reusel/Eersel
5541
5541
5521
Bergeyk/Valkenswaard
5571
5571
5555
Eindhoven
5611
5611
5611
Eindhoven/Best
5657
5657
5683
Helmond
5701
5701
5702
Deurne
5751
5751
5751
Maarheeze
6026
6026
6026
23
Noord- en Midden-Limburg
Venray
5801
5801
5801
Bergen
5854
5854
5854
Venlo
5912
5912
5912
Panningen/Helden
5981
5981
5981
Weert
6003
6003
6003
Roermond
6045
6045
6042
Echt
6101
6101
6101
24
Zuid Limburg
Geleen
6166
6166
6166
Maastricht
6229
6229
6229
Mechelen
6291
6291
6281*
Heerlen
6411
6411
6411
25
Flevoland
Almere
1326
1326
1326
Zeewolde
3899
3899
3897
Lelystad
8223
8223
8233
Dronten
8251
8251
8251
Emmeloord
8304
8304
8304
Nagele
8308
8308
8308
Bijlage
D
Dekking op inwoners en incidenten
Deze bijlage geeft de dekkingspercentages van het referentiekader voor twee maten voor de dekking: inwoners en A1-incidenten. Het dekkingspercentage (tabel D-1) is gedefinieerd als het aantal inwoners of incidenten, dat binnen 12 minuten rijtijd vanaf een standplaats van het referentiekader-2008 kan worden bereikt. In de meeste regio’s is de dekking op inwoners groter dan op incidenten. Dit is te verklaren door het argument dat incidenten zich veelal voordoen in gebieden met veel menselijke activiteiten en de spreiding van het referentiekader dekt deze (stedelijke) gebieden goed.
Er is nader onderzoek gedaan naar de gebieden waar de dekking op incidenten lager is dan op inwoners. In het bijzonder is gekeken naar gebieden in Zeeland en de Maasvlakte/Europoort. In deze gebieden wonen relatief weinig mensen. De kop van Schouwen-Duiveland trekt in het zomerseizoen veel toeristen, wat leidt tot een piek in het aantal A1-meldingen. De dekking in dit gebied is in het nieuwe referentiekader verbeterd omdat Schouwen-Duiveland een standplaats krijgt in de uitbreiding van het referentiekader. Het aantal incidenten in andere gebieden, waaronder de Maasvlakte/Europoort, was niet hoog genoeg om het aantal standplaatsen verder uit te breiden.
Tabel D-1: Vergelijking van de dekking van het referentiekader op inwoners en op A1-incidenten in 2006 (aantal binnen 12 minuten bereikt).
1
Groningen
99,1
99,2
0,1
2
Friesland
98,0
98,4
0,4
3
Drenthe
97,9
98,0
0,1
4
IJssel-Vecht
97,9
97,8
-0,1
5
Twente
99,8
99,8
0,0
6
Noordoost Gelderland
97,3
97,4
0,1
7
Gelderland Midden
99,0
99,9
0,9
8
Gelderland Zuid
98,6
98,8
0,2
9
Utrecht
99,9
99,9
0,0
10
Noord-Holland Noord
98,7
98,4
-0,2
11
Agglomeratie Amsterdam
100,0
100,0
0,0
12
Kennemerland
100,0
100,0
0,0
13
Zaanstreek/Waterland
99,2
99,5
0,3
14
Gooi- en Vechtstreek
99,1
99,7
0,6
15
Haaglanden
100,0
100,0
0,0
16
Hollands Midden
99,9
99,9
0,0
17
Rotterdam-Rijnmond
99,2
99,2
0,0
18
Zuid-Holland Zuid
98,2
98,6
0,4
19
Zeeland
97,1
97,6
0,6
20
Midden West Brabant
98,2
97,8
-0,3
21
Brabant Noord
99,7
99,8
0,1
22
Zuidoost Brabant
98,1
98,6
0,5
23
Noord- en Midden Limburg
98,0
98,5
0,5
24
Zuid Limburg
97,7
97,8
0,0
25
Flevoland
100,0
100,0
0,0
Landelijk
99,1
98,9
-0,2
Noot: Cellen in het vet duiden op een lagere incidenten-dekking dan inwoners-dekking.
Bijlage
E
Capaciteitsverschillen verklaard
In tabel E-1 wordt stapsgewijs het verschil in capaciteit tussen het referentiekader-2004 en -2008 verklaard, dit gebeurt in de volgende vier stappen:
1)
In het beschikbaarheidsmodel-2004 wordt het aantal ritten dat in 2006 is geselecteerd ingevoerd. Dit betekent dat het 2003-model wordt geactualiseerd naar de productieomvang van 2006.
2)
Vervolgens wordt de gemiddelde ritduur van 2006 in het model ingevoerd. Het model heeft dan alle benodigde ritstatistieken van 2006 overgenomen.
3)
In de derde stap worden de nieuwe uitrukpunten in het model ingevoerd. Omdat deze volgens een andere methode en uitgangspunten is berekend levert dit soms andere capaciteitsberekeningen.
4)
Tenslotte wordt een middeling die in het 2004-model is gehanteerd uit de berekeningen gehaald. De middeling is in het vorige referentiekader gehanteerd omdat toen verschillende varianten waren ontwikkeld; in het nieuwe referentiekader is gekozen voor één van deze varianten.
Bij de stapsgewijze verklaring is uitgegaan van de capaciteit op werkdagen van 8-16 uur.
Tabel E-1: Stapsgewijze verklaring van het verschil in de berekende capaciteiten in het referentiekader-2004 en -2008, uitgaande van werkdagen 8-16 uur.
standplaatsen (ultimo van het jaar): aantallen en locaties,
–
aantal in te zetten ambulances per standplaats (ultimo van het jaar),
–
aantal ambulances naar soort (ambulance, zorgambulance, rapid responder), ultimo van het jaar,
2.
Productie (ritten naar categorie) per jaar:
–
aantal A1-ritten met ambulance,
–
aantal A1 ritten met rapid responder,
–
aantal A2-ritten,
–
aantal B-ritten met ambulance,
–
aantal B-ritten met zorgambulance,
–
aantal EHGV-ritten1 EHGV-rit: een rit die wordt uitgevoerd met de intentie tot hulpverlening of hulpverlening en vervoer, maar waarbij de noodzaak tot vervoer na onderzoek van de patiënt niet is gebleken.,
–
aantal loze ritten2 Loze rit: een rit die wordt uitgevoerd met de intentie tot hulpverlening of hulpverlening en vervoer, maar waarbij blijkt dat er geen noodzaak was tot hulpverlening. ,
–
aantal voorwaardenscheppende ritten,
–
aantal A1-ritten ten behoeve van andere regio’s,
–
aantal A2-ritten ten behoeve van andere regio’s,
–
aantal B-ritten ten behoeve van andere regio’s,
–
aantal ritten ten behoeve van een buitenlandse buurregio,
–
aantal inzetten van een buitenlandse buurregio binnen de RAV regio,
–
aantal voorwaardenscheppende ritten ten behoeve van andere regio’s,
–
aantal MICU-ritten
3.
Prestaties (gemiddeld per jaar) :
–
tijdsduur aanname en uitgifte A1-ritten in minuten:seconden,
–
uitruktijd A1-ritten in minuten:seconden,
–
aanrijtijd A1-ritten in minuten:seconden,
–
responstijd A1-ritten in minuten:seconden,
–
percentage A1-ritten binnen 14 minuten bij de patiënt,
–
percentage A1 ritten binnen 15 minuten bij de patiënt,
–
percentage A1-ritten binnen 16 minuten bij de patiënt,
–
tijdsduur aanname en uitgifte A2-ritten in minuten:seconden,
–
uitruktijd A2-ritten in minuten:seconden,
–
aanrijtijd A2-ritten in minuten:seconden,
–
responstijd A2-ritten in minuten:seconden,
–
percentage A2 ritten binnen 30 minuten bij de patiënt,
4.
Personeel (ultimo van het jaar):
–
Beschikbaar personeel in fte, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs, verpleegkundig centralisten, niet-verpleegkundig centralisten, overig):
–
Beschikbaar personeel in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs, verpleegkundig centralisten, niet-verpleegkundig centralisten, overig):
–
leeftijdsopbouw werkzame personen:
jonger dan 20 jaar;
20 tot en met 24 jaar
25 tot en met 29 jaar
30 tot en met 34 jaar
35 tot en met 39 jaar
40 tot en met 44 jaar
45 tot en met 49 jaar
50 tot en met 54 jaar
55 tot en met 59 jaar
60 jaar en ouder
–
aantal medewerkers in dienst gedurende:
korter dan 1 dienstjaar
1 tot en met 4 jaar
5 tot en met 9 jaar
10 tot en met 14 jaar
15 tot en met 19 jaar
20 tot en met 24 jaar
25 tot en met 29 jaar
30 tot en met 34 jaar
35 tot en met 39 jaar
40 jaar en langer
–
aantal agressiegerelateerde incidenten jegens de eigen medewerkers (zie de toelichting op artikel 12, vierde lid, van de onderhavige regeling)
5.
Ingeroosterde uren per jaar
–
Totaal aantal ingeroosterde diensturen van ambulanceteams naar dienstsoort per jaar (parate uren, aanwezigheidsuren en beschikbare uren)
Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de RAV de juistheid van de gegevens bevestigt.
aantal ambulanceritten vanuit het buitenland gespecificeerd naar land en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).
b.
aantal ambulanceritten vanaf een (Nederlandse) luchthaven gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisadres).
c.
aantal begeleide patiënttransporten, anders dan met een ambulance, gespecificeerd naar land van herkomst en naar type bestemming (zorginstelling of huisdres).
3.
Personeel (ultimo van het jaar):
a.
formatie van vaste krachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).
b.
formatie van oproepkrachten in fte en in aantallen, totaal en naar functie (ambulanceverpleegkundigen, ambulancechauffeurs en overig).
Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de buitenlandvervoerder de juistheid van de gegevens bevestigt.