Bij de beoordeling van een aanvraag voor een beurs praktijkverdieping dient het bevoegd adviesorgaan in onderlinge samenhang de volgende aspecten te beoordelen:
-
•
de kwaliteit van het tot het moment van de aanvraag door de aanvrager opgebouwde oeuvre, het belang en de ontwikkeling daarvan of, bij een startende aanvrager, de verwachting van het belang voor de hedendaagse beeldende kunst,
-
•
de onderzoekende en/of vernieuwende houding van de kunstenaar;
-
•
de manier waarop deze naar buiten treedt en een publiek voor zijn werk weet te vinden en te binden,
-
•
de manier waarop hij zijn kunstenaarschap in artistiek en economisch rendement omzet of bij een beginnend kunstenaar wil omzetten,
-
•
de allianties die de kunstenaar aangaat om zijn werk geproduceerd te krijgen,
-
•
de kwaliteit van de instelling waarvoor wordt aangevraagd
-
•
het plan van de instelling voor het zichtbaar maken van het werk en het vergroten van het netwerk,
-
•
het plan van de kunstenaar/bemiddelaar,
-
•
de samenhang tussen het plan van de aanvrager en het programma van de instelling,
-
•
de vraag of dat plan op de plek waarvoor hij aanvraagt te verwezenlijken,
-
•
de verwachting dat de werkperiode bij deze instelling een bijdrage zal leveren aan de kwaliteit van het werk en het kunstenaarschap of de beroepspraktijk van de aanvrager,
-
•
de motivering waarom deze kunstenaar wordt voorgedragen door de instelling.