-
1.
Bemonstering:
Per bemonstering wordt per stal, gelijkmatig verdeeld, van 1 % van het aantal in de stal gehouden dieren, met een minimum van 30 dieren en een maximum van 60 dieren, per dier 1 ml bloed getapt.
Bemonstering van koppels (opfok)reproductiekoppels vindt plaats door een dierenarts, conform het in bijlage II opgenomen protocol of door een door de voorzitter namens het bestuur aangewezen (rechts)persoon.
In alle gevallen wordt de datum waarop een bemonstering dient plaats te vinden door de GD aangegeven.
-
2.
Frequentie en tijdstip van bemonstering:
-
a.
Kippen
Bemonstering van koppels {over)grootouderdieren vindt plaats op een leeftijd van 15-16, 20, 28 weken en vervolgens iedere 8 weken.
Bemonstering van koppels ouderdieren vindt plaats op een leeftijd van 15-16, 20-22, 30 weken en vervolgens iedere 12 weken.
-
b.
Kalkoenen
Bemonstering van koppels kalkoen(groot)ouderdieren vindt plaats op een leeftijd van 10, 18, 26 weken en vervolgens iedere 12 weken.
-
3.
Verplaatsen van reproductiedieren (inclusief het bijplaatsen van hanen)
Een koppel (opfok)reproductiedieren (uitgezonderd eendagskuikens) of een gedeelte daarvan, mag alleen worden verplaatst naar een ander pluimveebedrijf indien het koppel:
-
a.
maximaal twee weken voor de verplaatsing serologisch is onderzocht op M.g. en M.s.;
-
b.
het onderzoek een negatief resultaat heeft;
-
c.
het koppel na de bloedafname niet tussentijds verplaatst is;
-
d.
de monstername is uitgevoerd door een dierenarts of een door de voorzitter namens het bestuur aangewezen (rechts)persoon.
-
4.
Verpakking en verzending
De bloedmonsters worden per koppel/stal apart in daartoe bestemde dozen verpakt. Op elke doos wordt aangegeven uit welke stal de monsters afkomstig zijn. Iedere doos wordt vergezeld van een volledig ingevuld en ondertekend inzendformulier. De dozen moeten op de dag van bemonsteren worden gezonden aan de GD, Centraal Laboratorium Administratie, Postbus 9, 7400 AA Deventer, of naar de GD worden gebracht (Arnsbergstraat 7, 7418 EZ Deventer).
-
5.
Serologisch onderzoek
Mycoplasma gallisepticum en M. synoviae bij grootouderdieren en opfokgrootouderdieren
De bloedmonsters worden binnen 3 werkdagen na datum van monsterontvangst onderzocht. Het onderzoek gebeurt met een combi M.g./M.s. ELISA. Bij eventuele positieve reacties worden de positief reagerende sera met een maximum van 10 per inzending (waarbij dan de hoogste of hoge titers uitgekozen worden) hertest met een specifieke M.s. ELISA en een specifieke M.g. ELISA.
Mycoplasma gallisepticum en M. synoviae bij ouderdieren, opfokouderdieren, opfokleg en leg
De bloedmonsters worden binnen 3 werkdagen na datum van monsterontvangst onderzocht. Het eerste onderzoek gebeurt met 1:8 verdund serum met de Mg snelle plaat aggluttinatie test en Ms snelle plaat agglutinatie test. Bij eventuele positieve reacties worden van maximaal 10 monsters (per inzending) die op het oog het sterkst reageren verder getest in een specifieke M.g. ELISA en respectievelijk een specifieke M.s. ELISA.
Mycoplasma gallisepticum en M. synoviae bij reproduktie kalkoenen en vleeskalkoenen
De bloedmonsters worden binnen 3 werkdagen na datum van monsterontvangst onderzocht. Het onderzoek gebeurt met onverdund serum met de Mg snelle plaat aggluttinatie test en Ms snelle plaat agglutinatie test. Bij eventuele positieve reacties worden van maximaal 10 monsters (per inzending) die op het oog het sterkst reageren verder getest in een specifieke M.g. ELISA en respectievelijk een specifieke M.s. ELISA.
Mycoplasma meleagridis bij reproduktie kalkoenen
De monsters worden binnen 3 dagen na datum van monsterontvangst onderzocht. Het onderzoek wordt verricht met een specifieke M.m. ELISA.
-
6.
Verificatie
Als bij het onder 5 genoemde serologisch onderzoek naar het oordeel van de GD afweerstoffen tegen M. gallisepticum en/of M. meleagridis worden aangetroffen, wordt zo spoedig mogelijk door of namens de GD een herhaalde bemonstering van 60 monsters per stal op het betreffende bedrijf uitgevoerd. Deze monsters worden binnen 1 werkdag na aanleveren op de manier als genoemd onder 5 onderzocht. Op verzoek van de ondernemer kan deze herhaalde bemonstering worden overgeslagen op voorwaarde dat direct een PCR-onderzoek wordt uitgevoerd.
-
7.
PCR
Indien een verificatieonderzoek, zoals bedoeld onder 6, een dubieus of negatief onderzoekresultaat geeft wordt een polymerase chain reaction (PCR)-onderzoek uitgevoerd. In dat geval worden door of namens de GD van 60 dieren uit de betreffende stal trachea-swabs genomen, welke met een PCR worden onderzocht op de aanwezigheid van M. gallisepticum.
-
8.
Uitslag
Indien bij het serologisch onderzoek, zoals bedoeld onder 5, afweerstoffen worden aangetoond, worden de eigenaar/houder van de dieren, de leverancier (bij opfokdieren) respectievelijk de afnemer van de broedeieren (bij dieren in productie), de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (VWA) en het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) op de hoogte gesteld van het feit dat het koppel de status "verdacht" heeft.
Indien bij het verificatieonderzoek, zoals bedoeld onder 6. opnieuw afweerstoffen tegen M. gallisepticum of M. meleagridis worden aangetoond en/of indien bij het PCR-onderzoek, zoals bedoeld onder 7, de aanwezigheid van M. gallisepticum wordt aangetoond, dan wordt het bedrijf als "besmet" aangemerkt en als zodanig aan de eigenaar/houder van het koppel, de leverancier (bij opfokdieren) respectievelijk de afnemer van de broedeieren (bij dieren in productie), de NVWA en het productschap doorgegeven.