Regeling medisch specialistische zorg

Inleiding

Artikel

2

Reikwijdte

Deze regeling is van toepassing op instellingen voor medisch specialistische zorg1Per 1 januari 2014 moeten huisartsenlaboratoria ook aan artikel 17.2 van deze regeling voldoen voor het declareren van prestaties voor eerstelijnsdiagnostiek. (met uitzondering van sanatoria en abortusklinieken), instellingen voor erfelijkheidsadvisering, op audiologische centra, instellingen die geriatrische revalidatiezorg leveren en trombosediensten.

Deze regeling is ook van toepassing op zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren zoals medisch specialisten die bieden.

Deze regeling is ook van toepassing op zorgaanbieders die geneeskundige zorg leveren bestaande uit handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg2Het betreft hier de handelingen bedoeld in artikel 1, sub b, nr. 2o, van de Wmg. of werkzaamheden in het kader van de beroepsuitoefening3Het betreft hier de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, aanhef, en sub d, van het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer Wmg. voor zover deze handelingen en werkzaamheden niet zijn begrepen onder het hierboven genoemde.

Deze regeling is niet van toepassing op tweedelijns curatieve geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Hieronder valt de tweedelijns curatieve GGZ als omschreven bij of krachtens de Zvw die wordt geleverd door gebudgetteerde en niet-gebudgetteerde zorgaanbieders als bedoeld in de beleidsregel ‘Overgang curatieve GGZ naar Zvw en invoering DBC’s’, en niet verplicht verzekerde tweedelijns curatieve GGZ.

Artikel

3

Doel

In deze regeling legt de NZa regels vast die een zorgaanbieder in acht moet houden bij het leveren van prestaties en tarieven van medisch specialistische zorg, zorg in het kader van erfelijkheidsadvisering, audiologische zorg, geriatrische revalidatiezorg.

Artikel

4

Inwerkingtreding

De verplichtingen die uit deze regeling voortvloeien treden in werking op 1 januari 2014. Met de inwerkingtreding van deze regeling wordt de regeling ‘Medisch specialistisch zorg’ met kenmerk NR/CU-237 ingetrokken.

Indien de Staatscourant waarin de mededeling als bedoeld in artikel 20, tweede lid, sub b van de Wmg wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin de mededeling wordt geplaatst.

Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Regeling medisch specialistische zorg’.

Artikel

5

Begrippen en afkortingen

In deze regeling worden de volgende begrippen en afkortingen gebruikt.

  • 5.1.

    Add-on

    Een add-on is een overig zorgproduct, uitgedrukt in zorgactiviteiten, behorend bij een DBC-zorgproduct (aanhaakprestatie). Alleen zorg op de Intensive Care (IC) en een limitatief aantal dure en weesgeneesmiddelen zijn gedefinieerd als een add-on. Een add-on valt onder de categorie ‘Supplementaire producten’.

  • 5.2

    AGB-code

    De AGB-code is een unieke code die aan de zorgverlener-, praktijk- en/of instellingsgegevens wordt toegekend. Met deze code kan de zorgaanbieder en de praktijk of instelling worden geïdentificeerd.

    De AGB-code is opgebouwd uit 8 posities. De eerste 2 posities geven de zorgverlenersoort weer (01 = huisartsen, 03 = medisch specialist etc.). De overige 6 posities zijn een volgnummer.

  • 5.3

    Beslisboom

    De beslisboom beschrijft de criteria op grond waarvan een subtraject in combinatie met zorgactiviteiten door een grouper wordt afgeleid tot een DBC-zorgproduct of uitvalproduct. De NZa stelt de beslisbomen vast.

  • 5.4

    DBC

    Een Diagnose Behandeling Combinatie (DBC) is een declarabele prestatie, dat het resultaat is van (een deel van) het totale zorgtraject van de diagnose die de zorgverlener stelt tot en met de (eventuele) behandeling die hieruit volgt. Vanaf 1 januari 2012 worden zorgprestaties uitgedrukt in DBC-zorgproducten.

  • 5.5

    DBC-zorgproduct

    Een DBC-zorgproduct is een declarabele prestatie die is afgeleid uit een subtraject met zorgactiviteiten via de beslisbomen. Een subtraject leidt in combinatie met de geleverde zorgactiviteiten tot een declarabel DBC-zorgproduct als het voldoet aan de voorwaarden van de beslisbomen.

  • 5.6

    DBC-zorgproductcode

    Het unieke nummer van een DBC-zorgproduct dat bestaat uit negen posities. De code is opgebouwd uit een DBC-zorgproductgroepcode (zes posities) en een code voor het specifieke DBC-zorgproduct binnen een DBC-zorgproductgroep (drie posities).

  • 5.7

    DBC-zorgproductgroep

    Een DBC-zorgproductgroep is een verzameling van DBC-zorgproducten. Deze is geclusterd op basis van medische kenmerken zoals ICD-10 diagnose, WBMV-indicatie of andere (zogenaamde pre-MDC) criteria. Elke DBC-zorgproductgroep heeft een eigen beslisboom.

  • 5.8

    DBC-zorgproductgroepcode

    Een zescijferige code van de DBC-zorgproductgroep, waar een DBC-zorgproduct tot behoort.

  • 5.9

    Declaratiedataset

    De verzameling gegevens die nodig is om één of meerdere declarabele prestaties af te leiden in een grouper.

  • 5.10

    Diagnose-combinatietabel

    Een niet-limitatieve opsomming van diagnoses waarvoor geen parallelle DBC-zorgproducten mogen worden gedeclareerd.

  • 5.11

    Eigen patiënt

    Een patiënt geldt voor een medisch specialist of instelling als eigen patiënt als deze patiënt zich met een zorgvraag heeft gewend tot de medisch specialist. Deze medisch specialist wordt aangemerkt als hoofdbehandelaar wanneer deze specialist voor het verlenen van (medische) zorg op dat moment in de instelling zijn praktijk uitoefent.

  • 5.12

    Gereguleerd segment

    Het geheel van prestaties waarvoor de NZa maximumtarieven vaststelt voor het kostendeel.

  • 5.13

    Grouper

    Een applicatie in een beveiligde omgeving die op basis van een aangeleverde declaratiedataset DBC-zorgproducten en add-ons afleidt conform de NZa vastgestelde beslisbomen.

  • 5.14

    Honorariumbedrag (of honorariumcomponent)

    Het maximum bedrag per zorgproduct dat in rekening gebracht kan worden ter vergoeding van de diensten van een medisch specialist. Al dan niet in combinatie met het kostenbedrag vormt dit het tarief per zorgproduct.

  • 5.15

    Hoofdbehandelaar

    Zorgaanbieder die, in reactie op de zorgvraag van een patiënt, bij een patiënt de diagnose stelt en die verantwoordelijk is voor de behandeling.

  • 5.16

    CD-10

    ICD-10: De tiende editie van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10) wordt onderhouden door de World Health Organisation (WHO). ICD-10 is gebruikt als basis voor de productstructuur.

  • 5.17

    Kostenbedrag (of kostencomponent)

    Het bedrag per zorgproduct dat in rekening gebracht mag worden ter vergoeding van de instellingskosten. Al dan niet in combinatie met het honorariumbedrag vormt dit het tarief per zorgproduct.

  • 5.18

    Onderlinge dienstverlening

    Onderlinge dienstverlening is het onderling afspraken maken en verrekenen van diensten tussen zorgaanbieders. Er is sprake van onderlinge dienstverlening indien geen sprake is van een eigen patiënt volgens de definitie, maar de prestatie (op verzoek van de hoofdbehandelaar) door een andere instelling of een andere medisch specialist (niet zijnde de hoofdbehandelaar) wordt geleverd.

    Er is dus sprake van onderlinge dienstverlening als zorg geleverd wordt tussen:

    • instelling x en instelling y (één van beiden is hoofdbehandelaar), of;

    • een medisch specialist en een andere instelling (één van beiden is hoofdbehandelaar).

    Indien deze prestatie is uitgedrukt in zorgactiviteiten behoren deze tot het zorgprofiel van de hoofdbehandelaar.

  • 5.19

    Ondersteunend specialist

    Een ondersteunend specialist is een specialist die niet als poortspecialist fungeert. Een ondersteunend specialist voert medisch specialistische handelingen uit in het kader van het zorgtraject van een poortspecialist en heeft geen eigen zorgtraject.

    In bepaalde gevallen kan een ondersteunend specialist wel fungeren als poortspecialist en is er sprake van een eigen zorgtraject, namelijk bij radiologie (0362), anesthesiologie (0389) en klinische genetica (0390).

    Als ondersteunende specialismen worden de volgende specialismen onderscheiden: radiologie (0362), nucleaire geneeskunde (0363), klinische chemie (0386), medische microbiologie (0387), pathologie (0388), anesthesiologie (0389) en klinische genetica (0390).

  • 5.20

    Overige zorgproducten (OZP)

    Een prestatie binnen de medisch specialistische zorg, niet zijnde een DBC-zorgproduct. Overige zorgproducten zijn per 2013 onderverdeeld in vier hoofdcategorieën: supplementaire producten, eerstelijnsdiagnostiek (ELD), paramedische behandeling en onderzoek, en overige verrichtingen.4Tot en met 2012 bestonden overige zorgproducten uit vijf categorieën: add-ons, ondersteunende producten (OP), overige producten (OVP), overige trajecten en overige verrichtingen.

  • 5.21

    Poortspecialist

    Een poortspecialist is de medisch specialist naar wie een patiënt wordt verwezen voor medisch specialistische zorg. Als poortspecialismen worden de volgende specialismen onderscheiden: oogheelkunde (0301), KNO (0302), heelkunde/chirurgie (0303), plastische chirurgie (0304), orthopedie (0305), urologie (0306), gynaecologie (0307), neurochirurgie (0308), dermatologie (0310), inwendige geneeskunde (0313), kindergeneeskunde/neonatologie (0316), gastro-enterologie/MDL (0318), cardiologie (0320), longgeneeskunde (0322), reumatologie (0324), allergologie (0326), revalidatie (0327), cardio-pulmonale chirurgie (0328), consultatieve psychiatrie (0329), neurologie (0330), klinische geriatrie (0335), radiotherapie (0361).5Tandarts-specialisten voor mondziekten en kaakchirurgie kunnen ook een poortfunctie hebben, maar declareren alleen overige zorgproducten.

  • 5.22

    Poortfunctie

    De poortfunctie kan door een poortspecialist, medisch specialist van een ondersteunend specialisme, klinisch fysicus audioloog of een specialist ouderengeneeskunde worden uitgevoerd indien de NZa voor dat specialisme of dat type van zorg, een typeringslijst heeft vastgesteld. Dit geldt voor: radiologie (0362), anesthesiologie (0389), klinische genetica (0390), audiologie (1900) en geriatrische revalidatiezorg (8418).

    De zorgverlener die de poortfunctie uitvoert is verantwoordelijk voor een juiste typering van een zorgtraject/subtraject bij de geleverde zorg.

  • 5.23

    Specialist ouderengeneeskunde

    De arts die als specialist ouderengeneeskunde is geregistreerd door de ‘Huisarts en Verpleeghuisarts en arts voor verstandelijk gehandicapten Registratiecommissie’ (HVRC).

  • 5.24

    Subtraject

    Een afgebakende periode binnen het zorgtraject van de patiënt, die op een vooraf bepaald moment wordt afgesloten. Dat moment wordt bepaald door de sluitregels in het hoofdstuk Registreren van de regeling medisch specialistische zorg. Een subtraject kan door een grouper worden afgeleid tot een (DBC-)zorgproduct of een uitvalproduct. Een zorgtraject bestaat uit één of meerdere subtrajecten.

  • 5.25

    Typeringslijst

    Overzicht per medisch specialisme of type van zorg waarop de voor het betreffende specialisme (type van zorg) toegestane componenten binnen de DBC-registratie zijn weergegeven.

  • 5.26

    Uitvalproduct

    Een combinatie van subtraject en zorgactiviteiten die niet leidt tot een declarabel DBC-zorgproduct.

  • 5.27

    Verpleeghuis

    De zorgaanbieder die is toegelaten voor de functie verblijf in combinatie met behandeling

  • 5.28

    Vrij segment

    Het geheel van prestaties waarvoor de NZa geen tarieven vaststelt voor het kostendeel.

  • 5.29

    Zorgactiviteit

    De zorgactiviteiten zijn de bouwstenen van het DBC-zorgproduct en vormen gezamenlijk het profiel van een DBC-zorgproduct. Ze bepalen in combinatie met het geregistreerde subtraject welke prestatie is geleverd en welk DBC-zorgproduct kan worden gedeclareerd.

    Daarnaast vormt de onderverdeling in zorgactiviteiten de basis voor overige zorgproducten.

  • 5.30

    Zorgproduct

    Een aanduiding van prestaties binnen de medisch specialistisch zorg. Zorgproducten zijn onderverdeeld in DBC-zorgproducten en overige zorgproducten.

  • 5.31

    Zorgprofiel

    Alle geregistreerde zorgactiviteiten binnen een DBC-zorgproduct.

  • 5.32

    Zorgtraject

    Een zorgtraject typeert het geheel van prestaties van zorginstelling en medisch specialist, voortvloeiend uit de zorgvraag waarvoor de patiënt de zorginstelling consulteert. Een zorgtraject is geen declarabele prestatie, maar bestaat uit één of meerdere declarabele subtrajecten.

Registreren

Artikel

6

Algemene registratiebepalingen

Artikel

7

Het openen van een zorgtraject

De regels voor het openen van een zorgtraject zijn afhankelijk van het

zorgtype (ZT) van het subtraject.

  • 7.1

    Een zorgtraject met subtraject ZT11 wordt door de poortspecialist geopend indien de patiënt van buiten de instelling (extern) of vanuit de eigen instelling (intern) bij een poortspecialisme (ook op de SEH) komt met een reguliere of spoedeisende zorgvraag waar nog geen zorgtraject voor is geopend, of waarvan de behandeling of diagnostiek niet past binnen de context van een bestaande zorgvraag waar reeds een zorgtraject voor bestaat.

    Toelichting

    De DBC-registratie gaat uit van zorgtrajecten per specialisme. Bij sommige zorgvragen kan er sprake zijn van een multidisciplinaire behandeling waarbij meer poortspecialismen betrokken zijn. In dat geval opent elk poortspecialisme een eigen zorgtraject. Er dient voor elk specialisme wel sprake te zijn van een eigen diagnosestelling én behandeling.

    De ondersteunende specialismen radiologie en anesthesiologie kunnen in de rol van poortspecialist zelfstandig behandelen en daarvoor zorgproducten declareren. Het betreft hier de interventie-radioloog en de anesthesist als pijnbestrijder.

    • a.

      Een parallel zorgtraject (met bij behorende subtrajecten ZT11 en ZT21) bij eenzelfde specialisme mag alleen worden gedeclareerd indien er vanuit het medisch dossier aantoonbaar sprake is van een andere zorgvraag dan waarvoor de patiënt al wordt behandeld en voor deze zorgvraag een separaat zorgtraject11Indien er bij een specialisme (bijvoorbeeld kindergeneeskunde) sprake is van één zorgvraag waarbij verschillende subspecialismen zijn betrokken, mag er één zorgtraject worden geregistreerd. (diagnosestelling en behandeling) noodzakelijk is. Daarbij geldt ook dat aan beide onderstaande voorwaarden moet worden voldaan:

      • Het subtraject van het parallelle zorgtraject dient een zorgprofiel te hebben met eigen zorgactiviteiten met:

      • minimaal één zorgactiviteit uit de groep operatieve verrichtingen en/of,

      • minimaal één zorgactiviteit uit zorgprofielklasse12Zorgprofielklasse 1 staat voor een polikliniekbezoek/consult, zorgprofielklasse 2 staat voor een dagverpleging en zorgprofielklasse 3 staat voor een verpleegdag. 1, 2 of 3.*

        • *

          In uitzondering hierop geldt dat ook in de volgende situaties aan deze voorwaarde wordt voldaan:

          • minimaal één zorgactiviteit uit één van de groepen chronische dialyse of chronische thuisbeademing en/of,

          • minimaal één zorgactiviteit uit de groep van verstrekking van oncologische medicatie per infuus of per injectie en/of,

          • minimaal één zorgactiviteit voor gespecialiseerde technieken voor fertiliteitsbehandelingen.

          • De combinatie van de (typerende) diagnoses van beide parallelle subtrajecten komt niet voor in de diagnose-combinatietabel (bijlage 1).

    • b.

      Voor parallelliteit bij dubbelzijdige aandoeningen geldt:

      • Indien sprake is van beide zijden operatief en geen identieke diagnosen in de diagnose-combinatietabel, mogen twee zorgtrajecten worden gedeclareerd.

      • In alle andere situaties mag één zorgtraject worden gedeclareerd.

    • c.

      Bij parallelliteit tijdens een klinische periode moeten de verpleegdagen aan één subtraject worden gekoppeld. Verpleegdagen worden gekoppeld aan het subtraject van de specialist die verantwoordelijk is voor deze opname. Het verdelen van verpleegdagen is niet toegestaan.

    Toelichting

    Wanneer eenzelfde zorgvraag of verschillende zorgvragen met dezelfde diagnosetypering serieel of parallel voorkomen binnen de looptijd van een bestaand zorgtraject, wordt geen nieuw zorgtraject geopend. De geleverde zorg voor aandoeningen met dezelfde diagnosetypering valt binnen het lopende zorgtraject.

    Het specialisme cardiologie kent geen parallelliteit, behalve bij ICC, hartrevalidatie en begeleiding bij hart- en hartlongtransplantatie.

    De diagnoses ‘multitrauma ISS ≥ 16’ (diagnose 602) en ‘traumascreening’ (diagnose 294) omvatten het traject rondom de traumaopvang volgens de ATLS. Deze diagnoses kunnen parallel geregistreerd worden aan diagnoses die geconstateerd worden bij de screening.

  • 7.2

    Een zorgtraject met subtraject ZT1313Het specialisme geriatrische revalidatiezorg beschikt niet over het zorgtype 13. Het ICC valt voor dit specialisme onder zorgtype 11. wordt door de poortspecialist geopend bij een intercollegiaal consult (ICC) voor een patiënt die klinisch is opgenomen. Hierbij geldt het volgende:

    • Een ICC mag alleen worden geregistreerd bij een klinische opname waarbij één of meer verpleegdagen en/of IC-behandeldagen zijn geregistreerd.

    • Bij een dagverpleging mag geen ICC zorg/subtraject worden geopend.

    • Een specialisme mag per klinische opname ten hoogste één ICC zorg/subtraject (dat uit meerdere contacten kan bestaan) voor een intercollegiaal consult registreren. Bij een klinische opname kunnen wel meerdere specialismen één ICC zorg/subtraject openen.

    • Wanneer na een ICC de behandeling van de patiënt wordt overgenomen (of resulteert in een medebehandeling), mag geen (ICC) zorg/subtraject worden geopend. Het zorgtype van het subtraject moet worden omgezet van ZT13 naar ZT11 en de ICC-diagnosecode naar de diagnosecode die hoort bij de te behandelen zorgvraag.

    • Wanneer een specialisme dat de patiënt reeds onder behandeling heeft, een verzoek krijgt van een ander specialisme voor een intercollegiaal consult, dan mag het eerstgenoemde specialisme een ICC zorg/subtraject openen naast het reeds lopende zorgtraject voor de eigen reguliere behandeling.

  • 7.3

    Een zorgtraject met subtraject ZT41 wordt door de poortspecialist geopend indien een poortspecialist, op verzoek van de eerstelijn of een specialisme werkzaam binnen dezelfde instelling voor welke de DBC-systematiek niet geldt (kaakchirurgie), een overig zorgproduct uit de subcategorie medisch specialistische behandeling en diagnostiek en prenatale screening levert aan een patiënt. Indien dit overig zorgproduct binnen één week na het moment van uitvoering leidt tot opening van een zorg- en subtraject, kan dit overig zorgproduct niet worden gedeclareerd. In dat geval dient het zorg- en subtraject met ZT41 te worden gewijzigd in een zorg- en subtraject met ZT11, maakt de zorgactiviteit deel uit van het zorg- en subtraject en is er geen sprake meer van een overig zorgproduct. Het DBC zorg- en subtraject krijgt hierbij als startdatum de datum waarop het overig zorgproduct is uitgevoerd.

    Toelichting

    Indien een poortspecialist in de rol van ondersteuner op verzoek van een specialisme van de eigen instelling een zorgactiviteit levert welke op het overzicht overige zorgproducten voorkomt, dan zijn de zorgactiviteiten enkel onderdeel van het zorgprofiel van het aanvragend specialisme en is er geen sprake van een overige zorgproduct. De zorgactiviteiten dienen bij het zorgtraject van de aanvragende specialist te worden vastgelegd (zie ook artikel 7.5).

  • 7.4

    Een zorgtraject met subtraject ZT51 of ZT52 wordt door de intensivist (of andere medisch eindverantwoordelijke op de IC) geopend bij opname op de IC afdeling en voor IC intercollegiaal consult buiten de IC. Hierbij geldt het volgende:

    • Parallelle IC zorg/subtrajecten 51 of 52 zijn niet toegestaan.

    • Wanneer de patiënt gedurende een klinische opname meer periodes op de IC verblijft, dient voor elke IC-opnameperiode een IC zorg/subtraject 51 te worden geopend (en gesloten).

    • Tijdens de IC-opnameperiode mogen geen verpleegdagen worden geregistreerd.

    • Er dient een verwijzing te worden geregistreerd vanuit welk zorgtraject (= het zorgtraject van de hoofdbehandelaar) naar het IC zorg/subtraject 51 is verwezen. Een IC zorg/subtraject 51 dient namelijk altijd in samenhang met een zorgtraject van de hoofdbehandelaar te worden geregistreerd.

    • Indien een patiënt direct op de IC-afdeling terechtkomt, zonder dat er naast het IC-zorgtraject een zorgtraject met een subtraject met zorgtype 11 of 21 is geregistreerd, dient het zorg/subtraject te worden getypeerd met ZT52. Een grouper zal dan niet controleren op de koppeling tussen het subtraject ZT52 met een subtraject ZT11 of ZT21. Indien na ontslag van de IC-afdeling de behandeling klinisch wordt voortgezet, dient het subtraject met ZT52 omgezet te worden naar een subtraject met ZT51 dat gekoppeld wordt aan het zorgtraject met ZT11-subtraject.

    Toelichting

    Als er een IC opnameperiode loopt tijdens de klinische periode (ZT11 of ZT21) mogen tijdens de IC-periode geen verpleegdagen worden geregistreerd.

    Een grouper leidt uit het subtraject van een IC zorg/subtraject 51 (gekoppeld aan een ZT11 of ZT21) of IC zorg/subtraject 52 (indien er geen eigen ZT11 of ZT21 bestaat) de add-on voor de IC af.

  • 7.5

    Een zorgtraject met subtraject ZT51 voor ondersteuning aan de hoofdbehandelaar (door de anesthesist als ondersteuner of door een poortspecialist in de rol van ondersteuner) kan worden geopend wanneer deze ondersteuner (bv. anesthesist) of een poortspecialist in de rol van ondersteuner (bv. MDL-arts) zorg levert aan de patiënt en hier geen eigen zorgtraject voor open staat. Deze zorgactiviteiten dienen gekoppeld te worden aan het zorgtraject van de hoofdbehandelaar.

    Toelichting

    De genoemde zorgactiviteiten kunnen op twee manieren gekoppeld worden aan het zorgtraject van de hoofdbehandelaar:

    – via het openen van een zorgtraject met een subtraject met zorgtype 51 (een ondersteunend zorg/subtraject 51). Wanneer gekozen wordt voor registratie volgens deze optie, dient een ondersteund zorg/subtraject 51 te worden geopend, met een interne verwijzing naar het zorgtraject van de hoofdbehandelaar.

    – via een alternatief koppelmechanisme die de zorgactiviteiten van de ondersteuners (achteraf) koppelt aan het zorgtraject van de hoofdbehandelaar.

    Een grouper leidt uit de in artikel 7.5 genoemde subtrajecten 51 geen declarabele zorgproducten af. De zorgactiviteiten van de ondersteuner worden meegenomen in het zorgprofiel van de hoofdbehandelaar.

Artikel

8

Het openen van een subtraject

Een subtraject wordt geopend:

  • Bij het openen van een zorgtraject (zie artikel 6) of;

  • Als een reguliere behandeling of controletraject na het afsluiten van een subtraject met ZT11 of ZT2114Het specialisme consultatieve psychiatrie beschikt niet over het zorgtype 21., wordt vervolgd (zie artikel 8).

Op het moment dat binnen 365 dagen na afsluiten van het voorgaande subtraject een zorgactiviteit wordt geregistreerd in het kader van de zorgvraag van het betreffende zorgtraject moet aansluitend op het voorgaande subtraject met ZT11 of ZT21 een vervolg subtraject worden geopend.

Toelichting

Als in de periode na afsluiten van het voorgaande subtraject binnen 365 dagen geen zorgactiviteiten zijn geregistreerd in het kader van de zorgvraag van het betreffende zorgtraject, hoeft dus geen vervolg subtraject te worden geopend.

Artikel

9

Het sluiten van een subtraject

Artikel

10

Het sluiten van een zorgtraject

De regels voor het sluiten van een zorgtraject zijn afhankelijk van het zorgtype (ZT) van het subtraject. Een zorgtraject wordt gesloten in onderstaande situaties:

  • 10.1

    Een zorgtraject met één of meer subtrajecten met ZT11 of 21 wordt afgesloten:

    • a.

      Op het moment van overlijden van een patiënt;

    • b.

      365 dagen na afsluiten van een subtraject indien geen zorgactiviteiten meer zijn geregistreerd of zijn gepland in de toekomst.

    • c.

      Voor het poortspecialisme cardiologie gelden specifieke afsluitregels voor zorgtrajecten. De afsluitregels voor subtrajecten van cardiologie (zoals omschreven in artikel 9.2.j gelden ook voor het afsluiten van zorgtrajecten cardiologie.

  • 10.2

    Een zorgtraject met een subtraject met ZT13 (intercollegiaal consult) wordt afgesloten bij ontslag van de patiënt uit de kliniek.

  • 10.3

    Een zorgtraject met een subtraject met ZT41 (bij levering van een overig zorgproduct door een poortspecialist op verzoek van de eerstelijn of een specialisme werkzaam binnen dezelfde instelling waarvoor de DBC-systematiek niet geldt) wordt afgesloten direct na uitvoering van de (laatste) zorgactiviteit als onderdeel van het overig zorgproduct.

  • 10.4

    Een zorgtraject met een subtraject met ZT51 of 52, met betrekking tot een opname op de IC-afdeling en een IC intercollegiaal consult buiten de IC, wordt afgesloten op het moment dat de patiënt van de IC-afdeling wordt ontslagen of op de dag van uitvoering van het IC intercollegiaal consult. Als het IC zorg/subtraject 51 nog loopt terwijl het bovenliggende subtraject van de hoofdbehandelaar wordt afgesloten, wordt het zorg/subtraject 51 afgesloten op hetzelfde moment als het bovenliggende subtraject van de hoofdbehandelaar. Gelijktijdig met het openen van een vervolg subtraject voor de hoofdbehandelaar wordt een nieuw IC zorg/subtraject 51 geopend.

    Daarbij geldt dat het subtraject ZT51 met de zorgactiviteiten tegelijk met het bovenliggende subtraject van de hoofdbehandelaar naar een grouper gestuurd dient te worden. Dit mag pas nadat het subtraject van de hoofdbehandelaar is afgesloten conform de afsluitregels in artikel 8.5.

  • 10.5

    en zorgtraject met een subtraject met ZT51 met betrekking tot het leveren van zorg in het kader van ondersteuning aan de hoofdbehandelaar wordt afgesloten wanneer het subtraject van de hoofdbehandelaar wordt afgesloten conform de afsluitregels in artikel 9.1. Daarbij geldt dat het subtraject met de zorgactiviteiten tegelijk met het subtraject van de hoofdbehandelaar naar een grouper gestuurd dient te worden. Dit mag pas nadat het subtraject van de hoofdbehandelaar is afgesloten conform de afsluitregels in artikel 9.1.

Artikel

11

Overgangsbepaling geriatrische revalidatiezorg

  • 11.1

    Afsluiting in 2012 van in 2013 voort te zetten behandeling

    Lopende behandelingen voor geriatrische revalidatiezorg (GRZ) gestart in 2012 moeten tot 1 januari 2013 worden vastgelegd volgens de in 2012 geldende prestaties en tarieven.

  • 11.2

    Openen zorgtrajecten in 2013 van voortdurende behandelingen uit 2012

    Lopende behandelingen voor GRZ gestart in 2012, moeten per 1 januari 2013 worden vastgelegd in zorgactiviteiten voor GRZ (zorgactiviteitcodes 194800 t/m 194842) volgens de DBC registratievoorschriften. Als openingsdatum van deze zorgtrajecten moet 1 januari 2013 worden gebruikt.

  • 11.3

    Openen zorgtrajecten voor behandelingen gestart in 2013

    Behandelingen voor GRZ die gestart zijn in 2013, worden vastgelegd in zorgactiviteiten zoals weergegeven in de DBC-zorgproductgroep ‘Geriatrische revalidatiezorg’ (998418). Als openingsdatum van deze zorgtrajecten moet een datum vanaf 2 januari 2013 worden gebruikt.

Afleiden

Artikel

12

Regels afleiden

Declareren en betalen

Artikel

13

Algemene declaratiebepalingen

Artikel

14

Declaratiebepalingen voor DBC-zorgproducten

Artikel

15

Declaratiebepalingen voor overige zorgproducten

Artikel

16

Terugvaloptie

Informeren

Artikel

17

Informatieverplichting bij declaratie

Artikel

18

Standaard prijslijst

Zorgaanbieders zoals genoemd in artikel 4 van de beleidsregel ‘prestaties en tarieven medisch specialistische zorg’ maken een standaard prijslijst bekend voor prestaties in het vrije en gereguleerde segment.

  • 18.1

    De standaard prijslijst dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

    • a.

      Een zorgaanbieder maakt een standaard prijslijst bekend volgens het door de NZa meest recent vastgestelde sjabloon ‘standaard prijslijst’ (bijlage 4).

    • b.

      De standaard prijslijst vermeldt één prijs voor elke prestatie waarvoor de zorgaanbieder een tarief in rekening kan brengen.

    • c.

      De prijzen op de standaard prijslijst dienen te zijn uitgesplitst in een kostenbedrag voor de zorgaanbieder en een totaalbedrag voor de honoraria. De totaalprijs is de niet afgeronde optelling van deze beide delen.

    • d.

      De standaard prijslijst bevat de geldende prijzen en de datum waarop deze in werking treedt. De ingangsdatum geldt voor alle prijzen op de standaard prijslijst.

    • e.

      Indien de zorgaanbieder een website heeft, plaatst de zorgaanbieder de standaard prijslijst van jaar t en t-1 op de website.

    • f.

      De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat het voor een consument op eenvoudige wijze mogelijk is om voor aanvang van een behandelingsovereenkomst op afstand kennis te nemen van de standaard prijslijst. Op aanvraag informeert de zorgaanbieder een consument via de telefoon over de prijzen op de standaard prijslijst. Op aanvraag stuurt de zorgaanbieder een consument binnen achtenveertig uur per post of digitaal de gevraagde prijsinformatie toe.

Nederlandse Zorgautoriteit,T.W.Langejan,voorzitter Raad van Bestuur.

Bijlage

1

: Diagnose-combinatietabel

Deze bijlage is als losse bijlage (Excel) te downloaden via de website www.nza.nl.

Bijlage

2

: Registratieaddendum

Deze bijlage is als losse bijlage (Excel) te downloaden via de website www.nza.nl.

Bijlage

3

: Overzicht zorgactiviteiten op nota

Deze bijlage is als losse bijlage (Excel) te downloaden via de website www.nza.nl.

Bijlage

4

: Sjabloon standaard prijslijst

Deze bijlage is als losse bijlage (Excel) te downloaden via de website www.nza.nl.