Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 1 december 2013, inzake de toepassing van regels van Verordening (EG) 1071/2009, de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit personenvervoer 2000, houdende bepalingen in verband met de toetsing van evenredigheid van de sanctie van het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder en de vervoersmanager in het busvervoer (Beleidsregel toetsing evenredigheid verlies betrouwbaarheid busvervoer)

Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid in het busvervoer

Hoofdstuk

1

Definities en inleidende bepalingen

Artikel

1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    zeer ernstige overtredingen: zeer ernstige inbreuken van de communautaire wetgeving als bedoeld in bijlage IV van verordening 1071/2009/EG;

  • b.

    strafpunten: punten die aan de vervoerder worden toegekend indien deze zeer ernstige overtredingen als bedoeld onder a heeft gepleegd.

Artikel

2

Deze beleidsregel heeft betrekking op:

  • a.

    het aantal strafpunten dat moet zijn overschreden alvorens een besluit tot verlies van betrouwbaarheid van de desbetreffende vervoerder of vervoersmanager geen onevenredig strenge sanctie kan worden geacht;

  • b.

    de feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het verlies van betrouwbaarheid een onevenredig strenge sanctie is, ofschoon het onder a bedoelde minimumaantal strafpunten is overschreden.

Hoofdstuk

2

Strafpuntensysteem

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Het minimumaantal strafpunten is gerelateerd aan het aantal gewaarmerkte afschriften waarover de vervoerder beschikt, zoals vermeld in de onderstaande tabel:

1

15

2-5

30

6-20

40

21-50

50

51-500

50 + 0,40 x (aantal vergunningbewijzen – 50)

501 en meer

230 + 0,20 x (aantal vergunningbewijzen-500)

Artikel

6

Indien mogelijk krijgt de vervoerder ten spoedigste een schriftelijke waarschuwing als ten minste 50%, doch niet meer dan 100% van het minimumaantal strafpunten is bereikt.

Hoofdstuk

3

Verwijtbaarheid en preventie

Artikel

7

Artikel

8

Hoofdstuk

4

Sancties: intrekking en schorsing van de communautaire vergunning en de ongeschiktverklaring van de vervoermsmanager

Artikel

9

Bij de voorbereiding van de beslissing omtrent de intrekking dan wel de schorsing van de communautaire vergunning, alsmede de duur van de schorsing, wordt rekening gehouden met de volgende feiten en omstandigheden:

  • a.

    de omvang van de vervoerder gemeten naar het aantal gewaarmerkte afschriften;

  • b.

    het vitale belang van continuïteit van de vervoersactiviteiten en de beschikbare alternatieven voor die activiteiten;

  • c.

    de mate waarin de belanghebbenden door de intrekking of schorsing van de communautaire vergunning worden geraakt;

  • d.

    de verstoring van de markt;

  • e.

    de reëel mogelijke alternatieven voor opdrachtgevers van de vervoerder;

  • f.

    recidive, en

  • g.

    zwaarwegende maatschappelijke of economische gevolgen.

Artikel

10

Artikel

11

Hoofdstuk

5

Rehabilitatie

Artikel

12

Na de schorsing of intrekking van de communautaire vergunning worden de strafpunten, die de vervoerder heeft opgebouwd en die zijn meegewogen bij het schorsings- of intrekkingsbesluit, gewist.

Artikel

13

Ingeval de communautaire vergunning wordt ingetrokken, bedraagt de rehabilitatietermijn twee jaar.

Hoofdstuk

6

Overige bepalingen

Artikel

14

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid in het busvervoer.

Artikel

15

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
namens deze:
De inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport,J.Thunnissen