Artikel
1
1
Een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste en derde lid, van de Uitvoeringsregeling visserij voor het gebruik van vistuigen, genoemd in artikel 32a, eerste lid, van die regeling, ten behoeve van de visserij op andere soorten dan aal, wordt op aanvraag verleend.
2
Een vergunning wordt verleend indien:
-
a.
uit de aanvraag naar het oordeel van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur blijkt dat voldoende is geborgd dat geen aal aan de wateren wordt onttrokken, doordat in ieder geval:
-
1°.
door de aanvrager voor adequate controle op de naleving van de in artikel 3 bedoelde voorschriften wordt gezorgd door onafhankelijke controleurs, en in elk geval is voorzien in onaangekondigde controles;
-
2°.
door de aanvrager is voorzien in voldoende afschrikwekkende sancties voor degene ten aanzien waarvan bij de controles, bedoeld in subonderdeel 1°, is gebleken dat hij de in dat subonderdeel bedoelde voorschriften heeft overtreden;
-
3°.
de aanvrager heeft voorzien in een systeem waarin de locatie van in het water geplaatste vistuigen als bedoeld in het eerste lid, en de visserijactiviteit van degenen die voor de vergunninghouder de visserij verrichten, worden geregistreerd, en
-
4°.
uit de aanvraag blijkt dat de visserij zal plaatsvinden met vistuigen die zijn vormgegeven volgens de nieuwste inzichten met betrekking tot beperking van bijvangst van aal, en
-
1°.
-
b.
ambtenaren als bedoeld in artikel 54a van de Visserijwet 1963 en opsporingsambtenaren toegang hebben tot het systeem, bedoeld in onderdeel a, subonderdeel 3°.