Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 november 2014, houdende voorwaarden ter uitvoering van de Verordening voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (Subsidieregeling EFMB 2015–2023)

Subsidieregeling EFMB 2015–2023

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 3, eerste lid, en artikel 5 van de Kaderwet SZW-subsidies en de Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanvrager: rechtspersoon zonder winstoogmerk die in aanmerking wil komen voor een financiële bijdrage uit het EFMB en daartoe een projectvoorstel indient bij de minister;

  • begunstigde: aanvrager aan wie de subsidie is verleend;

  • deelnemers: personen uit de doelgroep die deelnemen aan de activiteiten uit het project van de aanvrager;

  • doelgroep: ouderen met een laag besteedbaar inkomen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, woonachtig zijn in Nederland en die te kennen geven sociaal uitgesloten te zijn of dreigen te worden;

  • EFMB: Europees Fonds voor Meest Behoeftigen;

  • minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • operationeel programma: operationeel programma, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Verordening;

  • project: geheel van activiteiten gericht op het tegengaan van sociale uitsluiting van de doelgroep gedurende de projectperiode, dat wordt uitgevoerd door of namens de begunstigde en dat wordt gesubsidieerd op grond van deze regeling;

  • projectperiode: subsidiabele periode waarbinnen de uitvoering van het projectplan zal plaatsvinden;

  • projectplan: door de aanvrager ingediend plan waarin, overeenkomstig de vereisten in deze regeling, een beschrijving van het project is opgenomen;

  • Verordening: Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen.

Artikel

2

Subsidie uit EFMB

Artikel

3

Subsidieplafond

Artikel

4

Aanwijzing autoriteiten

Artikel

5

Mandatering

Hoofdstuk

2

Subsidieverlening

Artikel

6

Aanvraagprocedure

Artikel

7

Aanvrager

De aanvrager is een rechtspersoon zonder winstoogmerk die – met het oog op het uit te voeren projectplan en de voorwaarden die aan de begunstigde gesteld worden op grond van deze regeling en de Verordening – beschikt over voldoende administratieve, financiële en operationele capaciteit.

Artikel

8

Voorwaarden aanvraag

Artikel

9

Eisen aan de in te dienen stukken

Artikel

10

Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt in ieder geval door de minister geweigerd indien:

  • a.

    de aanvraag niet voldoet aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen;

  • b.

    de aanvraag niet voldoet aan de krachtens de Verordening gestelde eisen;

  • c.

    de kosten van het project naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • d.

    op voorhand blijkt dat de kosten reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;

  • e.

    op voorhand blijkt dat dezelfde kosten reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat door de subsidieprogramma’s tezamen de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt.

Artikel

11

subsidieverlening

Hoofdstuk

3

Subsidiabele kosten

Artikel

12

Subsidiabele activiteiten

Activiteiten komen slechts voor subsidie in aanmerking indien zij:

  • a.

    overeenkomstig de specifieke doelstellingen uit het operationeel programma, naar het oordeel van de minister, een duurzame bijdrage leveren aan het tegengaan van sociale uitsluiting van de doelgroep; en

  • b.

    overeenstemmen met het in de beschikking tot verlening van subsidie vastgestelde projectplan.

Artikel

13

Subsidiabele kosten

Artikel

14

Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    naar het oordeel van de minister onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • b.

    kosten van het project die, naar het oordeel van de minister, qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;

  • c.

    kosten gemaakt buiten de in de beschikking tot verlening opgenomen projectperiode, met uitzondering van kosten voor de projectcoördinatie en administratie ten behoeve van het opstellen van de einddeclaratie tot aan het moment van indienen van het verzoek tot vaststelling;

  • d.

    kosten die reeds uit andere hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;

  • e.

    kosten die reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt.

Hoofdstuk

4

Subsidieverstrekking en verantwoording

Artikel

15

Bevoorschotting

Artikel

16

Rapportage

Artikel

17

Administratievoorschriften

Artikel

18

Bewaren en beschikbaarheid van bescheiden

Artikel

19

Tussentijdse evaluaties

Artikel

20

Vaststelling van de subsidie

Artikel

21

Intrekking en terugvordering

Artikel

22

Publiciteit

De begunstigde verleent zijn medewerking aan publicitaire activiteiten van lidstaten van de EU, informeert alle deelnemers over de bijdrage uit het EFMB en voert zelf activiteiten uit ter promotie van de bijdrage van het EFMB, waaronder ten minste één centrale voorlichtingsactiviteit per jaar.

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

23

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 31 december 2028.

Artikel

24

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling EFMB 2015–2023

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.Klijnsma

Bijlage

1

behorende bij artikel 11, eerste lid: beoordelingskader

De beoordeling van de aanvragen gebeurt in twee opeenvolgende fasen. Allereerst wordt bekeken of aanvragen voldoen aan een aantal basisvereisten. Deze basisvereisten om voor subsidie in aanmerking te komen zijn opgenomen in de artikelen 7, 8 en 9. Deze vereisten hebben zowel betrekking op de aanvrager zelf als op de in te dienen stukken. Aanvragen die niet aan artikel 7, 8, 9, of de voorwaarden uit artikel 10 voldoen, worden op basis van artikel 10 afgewezen en verder niet inhoudelijk beoordeeld.

De tweede fase betreft het inhoudelijk beoordelen van de projectplannen van de aanvragen die voldoen aan de formele vereisten. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de in deze bijlage opgenomen vier criteria. Toetsing vindt plaats op alle criteria en resulteert in een totaalscore. Het plan dat de hoogste totaalscore behaalt ontvangt een beschikking tot verlening van subsidie. De overige plannen worden afgewezen.

Criterium 1: de kwaliteit en verwachte effectiviteit van de aanpak om de doelgroep te bereiken (0 – 25 punten)

Het is niet eenvoudig om in contact te komen met ouderen die sociaal uitgesloten zijn. Hierbij speelt enerzijds dat weinig mensen contact met hen hebben en kunnen melden dat het niet goed gaat. Anderzijds speelt schaamte en vraagverlegenheid bij de betreffende persoon een belangrijke rol, waardoor de oudere zelf ook niet om hulp vraagt. Daarnaast spelen bij de doelgroep taal- en cultuurbarrières een rol. De aanvrager dient helder uiteen te zetten op welke wijze hij de doelgroep, ouderen met een laag besteedbaar inkomen die sociaal uitgesloten (dreigen te) zijn, gaat bereiken. Welke middelen zet hij in en welke partijen betrekt hij hierbij? Ook dient de aanvrager te onderbouwen hoeveel ouderen hij denkt te bereiken met zijn aanpak. Met bereiken van de doelgroep wordt bedoeld dat een oudere uit de doelgroep ten minste eenmaal deelneemt aan een activiteit die in het kader van het project georganiseerd wordt. Hierbij geldt dat om voor subsidie in aanmerking te komen, de aanvrager gedurende de looptijd van het project ten minste 5.000 mensen uit de doelgroep dient te bereiken.

Bij de beoordeling van dit criterium worden de volgende elementen betrokken:

  • de mate waarin de doelgroep op de hoogte wordt gebracht van het programma;

  • de mate waarin de doelgroep wordt gestimuleerd om deel te nemen aan het programma;

  • het aantal mensen dat met de aanpak naar verwachting wordt bereikt;

  • de mate waarin de meest kwetsbaren van de doelgroep met de aanpak bereikt kunnen worden;

  • de mate waarin activiteiten een laagdrempelig karakter hebben;

  • de mate waarin bij de aanpak rekening gehouden wordt met culturele diversiteit van de doelgroep en (in)directe discriminatie wordt vermeden en gelijke behandeling man/vrouw wordt gewaarborgd;

  • de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van de aanpak;

  • de mate waarin en de wijze waarop relevante partijen bij de aanpak worden betrokken.

Er worden meer punten toegekend naar mate met de aanpak naar het oordeel van de minister meer en de meest kwetsbare mensen uit de doelgroep kunnen worden bereikt.

Verdeling score:

  • Zeer hoge kwaliteit en verwachte effectiviteit van de aanpak: 25 punten

  • Hoge kwaliteit en verwachte effectiviteit van de aanpak: 18 punten

  • Gemiddelde kwaliteit en verwachte effectiviteit van de aanpak: 12 punten

  • Lage kwaliteit en verwachte effectiviteit van de aanpak: 6 punten

  • Zeer lage kwaliteit en verwachte effectiviteit van de aanpak: 0 punten

Criterium 2: de kwaliteit en verwachte effectiviteit van de activiteiten voor de deelnemers om sociale uitsluiting tegen te gaan (0 – 30 punten)

Doelstelling van de regeling is om sociale uitsluiting van ouderen tegen te gaan. In het bijzonder gaat het daarbij om ouderen met een laag besteedbaar inkomen. De aanvrager dient aan te geven in welke mate de activiteiten die hij voorstelt bijdragen aan dit doel. Ook dient de aanvrager in te gaan op de bijdrage die de activiteiten leveren om het sociaal netwerk en de competenties van de deelnemers te versterken. Bij het versterken van competenties wordt gedacht aan competenties die de financiële zelfredzaamheid, digitale vaardigheden en/of de gezonde leefstijl van de deelnemers bevorderen.

Bij de beoordeling van dit criterium worden de volgende elementen betrokken:

  • de mate waarin de activiteiten het gevoel van sociale uitsluiting van de deelnemers verminderen;

  • de mate waarin de activiteiten het sociaal netwerk van de deelnemers versterken;

  • de mate waarin de activiteiten de competenties van de deelnemers versterken;

  • de mate waarin uitval van deelnemers wordt voorkomen;

  • de mate waarin bij de activiteiten rekening gehouden wordt met culturele diversiteit van de doelgroep en (in)directe discriminatie wordt vermeden en gelijke behandeling man/vrouw wordt gewaarborgd;

  • de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van de activiteiten;

  • de mate waarin en de wijze waarop relevante partijen bij de aanpak worden betrokken.

Er worden meer punten toegekend naar mate de activiteiten die worden georganiseerd voor de doelgroep naar het oordeel van de minister meer bijdragen aan het tegengaan van de sociale uitsluiting van de deelnemers en het versterken van het sociaal netwerk en de competenties van de deelnemers.

Verdeling score:

  • Zeer hoge kwaliteit en verwachte effectiviteit van de activiteiten: 30 punten

  • Hoge kwaliteit en verwachte effectiviteit van de activiteiten: 22 punten

  • Gemiddelde kwaliteit en verwachte effectiviteit van de activiteiten: 15 punten

  • Lage kwaliteit en verwachte effectiviteit van de activiteiten: 7 punten

  • Zeer lage kwaliteit en verwachte effectiviteit van de activiteiten: 0 punten

Criterium 3: de duurzaamheid van de aanpak om sociale uitsluiting tegen te gaan (0 – 25 punten)

In Nederland zijn veel mogelijkheden om sociaal te participeren, ook voor ouderen met een laag besteedbaar inkomen. Het is echter voor deze groep niet altijd eenvoudig de weg naar deze mogelijkheden te vinden. Bovendien speelt schaamte een rol, waardoor mensen niet altijd om hulp durven te vragen. De aanvrager dient aan te geven in welke mate zijn project er toe bijdraagt dat de deelnemers zicht krijgen op voorzieningen die voor hen bedoeld zijn en dat zij daar ook daadwerkelijk gebruik van gaan maken.

Nadat het gelukt is om de doelgroep te bereiken, is het van groot belang dat de deelnemers vervolgens niet weer van de ‘radar’ verdwijnen. Om dit te realiseren is het van belang dat de aanvrager afspraken maakt met gemeenten en betrokken lokale partijen over hoe geborgd wordt dat de deelnemer ook na afloop van zijn deelname aan het programma in beeld blijft bij betrokken partijen. De inhoud en concreetheid van deze afspraken bepaalt voor een belangrijk deel de score op dit onderdeel.

Bij de beoordeling van dit criterium worden de volgende elementen betrokken:

  • de mate waarin de activiteiten de deelnemers wegwijs maken in het lokale ondersteuningsaanbod;

  • de mate waarin deelnemers gestimuleerd worden om gebruik te maken van het lokale ondersteuningsaanbod;

  • de mate waarin de aanpak borgt dat de deelnemers 1 jaar na deelname nog in beeld zijn bij gemeenten en/of hulpverleners;

  • de uitvoerbaarheid en doelmatigheid van de aanpak;

  • de mate waarin en de wijze waarop relevante partijen bij de aanpak worden betrokken.

Er worden meer punten toegekend naar mate het project naar het oordeel van de minister de deelnemers beter wegwijs maakt in en toe leidt naar het lokale ondersteuningsaanbod en er voor zorgt dat deelnemers in beeld blijven bij gemeenten en/of hulporganisaties.

Verdeling score:

  • Zeer hoge mate van duurzaamheid van de aanpak: 25 punten

  • Hoge mate van duurzaamheid van de aanpak: 18 punten

  • Gemiddelde mate van duurzaamheid van de aanpak: 12 punten

  • Lage mate van duurzaamheid van de aanpak: 6 punten

  • Zeer lage mate van duurzaamheid van de aanpak: 0 punten

Criterium 4: de geschiktheid van de aanvrager (0 – 20 punten)

De doelgroep waar de regeling zich op richt is zeer kwetsbaar. Ook bestaat de doelgroep voor een belangrijk deel uit mensen met een niet-Westerse achtergrond en cultuur. Ervaring in de omgang met en kennis over de doelgroep is derhalve een absolute pré. De aanvrager dient aan te geven in welke mate hij over deze ervaring en kennis beschikt en in welke mate dit geldt voor eventuele andere partijen die bij de uitvoering worden betrokken.

Ook is het van belang dat de aanvrager daar waar de activiteiten plaatsvinden, beschikt over een uitgebreid en met het oog op de doelgroep en de doelstelling van de regeling relevant netwerk. Bij partijen die onderdeel uit zouden moeten maken van een relevant netwerk kan in ieder geval gedacht worden aan gemeenten en lokale maatschappelijke organisaties die zich richten op sociale inclusie en zelfredzaamheid van kwetsbare ouderen. De score op dit onderdeel wordt dan ook mede bepaald door de mate waarin de aanvrager laat zien dat hij over een dergelijk netwerk beschikt.

Bij de beoordeling van dit criterium worden de volgende elementen betrokken:

  • de mate waarin de aanvrager en andere bij de uitvoering van het project betrokken partijen beschikken over ervaring en kennis van de doelgroep;

  • de mate waarin de aanvrager en andere bij de uitvoering van het project betrokken partijen beschikken over ervaring met het organiseren van vergelijkbare activiteiten;

  • de mate waarin de aanvrager en andere bij de uitvoering van het project betrokken partijen beschikken over een relevant lokaal netwerk;

  • de mate waarin de medewerkers die worden ingezet beschikken over relevante ervaring en kennis.

Er worden meer punten toegekend naar mate de aanvrager en eventuele andere bij de uitvoering betrokken partijen naar het oordeel van de minister beschikken over een lokaal netwerk en de vereiste ervaring en competenties om een project gericht op deze specifieke doelgroep uit te voeren.

Verdeling score:

  • Aanvrager (en betrokken partijen) zijn in zeer hoge mate geschikt: 20 punten

  • Aanvrager (en betrokken partijen) zijn in hoge mate geschikt: 15 punten

  • Aanvrager (en betrokken partijen) zijn in gemiddelde mate geschikt: 10 punten

  • Aanvrager (en betrokken partijen) zijn in lage mate geschikt: 5 punten

  • Aanvrager (en betrokken partijen) zijn in zeer lage mate geschikt: 0 punten

Bijlage

2

behorende bij artikel 18, tweede lid. Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. De Verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    microfiches van originelen;

  • c.

    elektronische versies van originelen;

  • d.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de EFMB-administratie.

Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c

De hierboven genoemde bewijsstukken a, b en c zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

  • Alle gegevens worden overgezet;

  • Alle gegevens worden inhoudelijk juist overgezet;

  • Er wordt voor gezorgd dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de gehele bewaartermijn beschikbaar is;

  • De geconverteerde gegevens kunnen binnen redelijke tijd ge(re)produceerd worden en leesbaar worden gemaakt;

  • Er wordt zorg voor gedragen dat de controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd;

  • De subsidieaanvrager borgt tevens de authenticiteit van de geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure.

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de EFMB-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

De subsidieaanvrager verklaart door middel van het aanvraag-, tussendeclaratie- en einddeclaratieformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de EFMB-administratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 18 van de Subsidieregeling EFMB 2014–2020 en daarmee aan deze bijlage.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarvan uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

  • 1.

    Digitale urenadministratie:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

    • a)

      De functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • b)

      De tijdigheid binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • c)

      Vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

    Het is aan de subsidieaanvrager om dit aan te tonen.

  • 2.

    Facturen die digitaal worden verzonden:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de subsidieaanvrager via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals een betaalbewijs) aantonen dat voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de EFMB-verantwoording. Artikel 18 is onverminderd van toepassing.