Beleidsregel watervergunningverlening waterkrachtcentrales in rijkswateren

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    waterkrachtcentrale: elektriciteitscentrale die stromend of neerstortend water gebruikt om energie op te wekken;

  • b.

    relevant gebied: voor de Maas het gebied vanaf Eijsden tot en met Lith, voor de Rijn de gehele Nederrijn en de gehele Lek;

  • c.

    cumulatieve vissterfte: de totale gezamenlijke vissterfte veroorzaakt door alle waterkrachtcentrales in een relevant gebied.

Artikel

2

Deze beleidsregel is van toepassing op het aanvragen of wijzigen van vergunningen voor waterkrachtcentrales in de oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer als bedoeld in bijlage II bij het Waterbesluit, met uitzondering van de Nederlandse territoriale zee, de Nederlandse exclusieve economische zone en de Waddenzee.

§

2

Toetsing van vergunningaanvragen

Artikel

3

Indien voor het realiseren van een waterkrachtcentrale een watervergunning vereist is op grond van artikel 6.5, aanhef en onder c, van de Waterwet, in samenhang met artikel 6.12 van het Waterbesluit, dan wel op grond van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Waterwet, in samenhang met artikel 6.17 van het Waterbesluit en artikel 6.16 van de Waterregeling, of indien een zodanige vergunning gewijzigd wordt, beoordeelt het bevoegd gezag een aanvraag hiertoe conform de navolgende toetsingscriteria. Indien niet aan deze criteria is voldaan, wijst het bevoegd gezag de aanvraag af.

Artikel

4

Een watervergunning voor een waterkrachtcentrale kan slechts verleend worden, indien de waterkrachtcentrale voldoet aan de maximale beschikbare mogelijkheden van visbescherming voor stroomafwaartse migratie en indien eventuele negatieve effecten op de stroomopwaartse vismigratie gecompenseerd worden.

Artikel

5

Artikel

6

In afwijking van artikel 5, eerste lid, kan in een relevant gebied voor een reeds bestaande en in werking zijnde waterkrachtcentrale, ten gevolge waarvan vissterfte van zalm (smolts) en schieraal plaatsvindt, bij uitzondering een watervergunning worden verleend, indien:

  • a.

    de vergunningaanvraag betrekking heeft op initiatieven met een experimenteel karakter, waarbij bestaande turbines worden vervangen door nieuwe, innovatieve turbines of anderszins vernieuwende en innovatieve technieken worden toegepast;

  • b.

    op basis van de vergunningaanvraag en de daarbij verstrekte gegevens aannemelijk is dat de bestaande vissterfte aantoonbaar zal afnemen door vervanging van deze turbines of door het toepassen van deze nieuwe technieken;

  • c.

    de in de aanvraag beschreven turbines of nieuwe technieken aantoonbaar als oogmerk hebben om bij te dragen aan de ontwikkeling van visvriendelijkere waterkrachtcentrales; en

  • d.

    de verlening van de vergunning niet in de weg staat aan het bereiken van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, het Nederlandse Aalbeheerplan en het op den duur bereiken van een cumulatieve vissterfte van ten hoogste tien procent in het betreffende relevante gebied.

§

3

Vergunningvoorwaarden bij experimenten

Artikel

7

Indien een vergunning verleend wordt met toepassing van artikel 6, verbindt het bevoegd gezag hieraan ten minste de volgende voorwaarden:

  • a.

    een uitdrukkelijke doelstelling ten aanzien van de reductie van de bestaande vissterfte ten gevolge van deze waterkrachtcentrale. Deze doelstelling wordt geformuleerd als het verschil tussen de vóór vergunningverlening bestaande hoeveelheid vissterfte en de maximaal toegestane hoeveelheid vissterfte onder de vergunning. Aan de doelstelling is een termijn verbonden;

  • b.

    het vereiste dat te allen tijde aan de vergunde vissterftenorm wordt voldaan, ook tijdens het inregelen en valideren van de waterkrachtcentrale;

  • c.

    een termijn voor de geldigheid van de vergunning;

  • d.

    vereisten ten aanzien van monitoring en beoordeling van de veroorzaakte vissterfte, en

  • e.

    verplichtingen om aanwijzingen van het bevoegd gezag op te volgen indien meer vissterfte wordt veroorzaakt dan is toegestaan.

§

4

Slotbepalingen

Artikel

8

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel watervergunningverlening waterkrachtcentrales in rijkswateren.

Artikel

9

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Directeur-Generaal Rijkswaterstaat, mr. ing. J.H. Dronkers