Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2014, nr. MBO/664185, houdende regels voor het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling kwaliteitsafspraken mbo)

Regeling kwaliteitsafspraken mbo

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken,

Besluit:

Artikel

I

Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1.1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    investeringsbudget: aanvullende bekostiging als bedoeld in artikel 2.1;

  • b.

    kwaliteitsplan: kwaliteitsplan als bedoeld in artikel 1.4;

  • c.

    minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken;

  • d.

    wet: de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel

1.2

Doelstelling

De minister verstrekt aan instellingen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks een aanvulling op de bekostiging ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht de kwaliteit van het onderwijs van de instelling te verhogen.

Artikel

1.3

Investeringsbudget

De aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 1.2, bestaat uit het investeringsbudget.

Artikel

1.4

Kwaliteitsplan

Artikel

1.5

Uitvoering

Artikel

1.6

Monitor en evaluatie

Hoofdstuk

2

Investeringsbudget

Artikel

2.1

Investeringsbudget

Het investeringsbudget wordt aan de instellingen verstrekt ten behoeve van het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs van de instelling, in het bijzonder ten behoeve van de thema’s:

  • a.

    professionalisering;

  • b.

    intensivering van het taal- en rekenonderwijs;

  • c.

    terugdringen van voortijdig schoolverlaten;

  • d.

    bevorderen van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming;

  • e.

    stimuleren van excellentie;

  • f.

    verbeteren van studiesucces.

Artikel

2.2

Subsidieplafond

Artikel

2.3

Verdeling

Artikel

2.4

Stimuleren van excellentie

Artikel

2.5

Besteding

De aanvulling op de bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de onderwijsinstelling dan waarvoor deze aanvullende vergoeding wordt verstrekt.

Artikel

2.6

Betaling

Artikel

II

Intrekking

Artikel

III

Overgangsbepaling

Artikel

IV

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.Bussemaker

Bijlage

1

bij artikel 1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

De in deze bijlage beschreven doelstellingen en activiteiten dienen per thema, voor zover mogelijk, SMART te worden geformuleerd: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

De instellingen formuleren het kwaliteitsplan mede met het oog op de verwachte resultaten voor vsv en studiesucces, waarvoor vanaf 2016 resultaatafhankelijke bekostiging plaatsvindt.

Professionalisering

Aan de hand van de Regeling bekwaamheid management en professionalisering onderwijspersoneel hebben de instellingen eerder een plan van aanpak opgesteld ten aanzien van bekwaamheid van het management, professionalisering van onderwijspersoneel en kwaliteitsverbetering HRM-beleid. Hiervan wordt een actualisatie gevraagd in het kwaliteitsplan, waarbij de instellingen ook aandacht besteden aan de

Bekwaamheid van het management:

Instellingen geven aan hoe zij hun managers gaan scholen en wanneer zij welke activiteiten hiertoe gaan ontplooien. Daarbij kunnen zij gebruik maken van het door de MBO Raad ontwikkelde competentieprofiel voor het management.

zeven thema’s van de Lerarenagenda 2013-2020

(Kamerstukken II 2013/14, 27 923, nr. 171) is gepubliceerd. Hiernaast worden deze en de overige deelaspecten van het thema ‘professionalisering’ beschreven.

Professionalisering van het onderwijspersoneel

Instellingen geven aan hoe en met welk resultaat zij hun onderwijspersoneel in staat stellen zich verder te professionaliseren. Zij geven aan wanneer zij welke acties hiertoe gaan ondernemen.

Kwaliteitsverbetering HRM-beleid

Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien ten aanzien van het structureel voeren van functionerings-, beoordelings- en contextgesprekken en het onderhouden van bekwaamheidsdossiers. In het kwaliteitsplan wordt aandacht besteed aan kwaliteitsontwikkeling binnen en tussen teams en instellingen, onder meer door middel van peer review en kennismanagement. Tevens wordt aandacht geschonken aan de begeleiding van beginnende leraren.

Instellingen geven aan hoe, wanneer en met welk resultaat zij werken aan de ambities uit de Lerarenagenda 2013-2020, waaronder begeleiding en ontwikkeling van startende docenten, meer masteropgeleide docenten, bekwaamheidsonderhoud, betere aansluiting en samenwerking met het bedrijfsleven, betere inzet ICT, verbetering samenwerkende teams, registratie in het Lerarenregister en het werken aan een systeem van kwaliteitsborging. De instellingen geven hierbij aan hoe hun activiteiten zich verhouden tot de ambities uit de Lerarenagenda.

Professionalisering van examenfunctionarissen

Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij hun examenfunctionarissen, waaronder in ieder geval de leden van de examencommissies, in staat stellen zich verder te professionaliseren.

Intensivering van het onderwijs in de Nederlandse taal en in rekenen

Instellingen geven aan hoe en wanneer zij het taal- en rekenonderwijs in hun instelling gaan vormgeven met het oog op het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden door de deelnemers. Zij geven aan welke activiteiten zij gaan inzetten op het gebied van:

– professionalisering van docenten en overige functionarissen op het gebied van taal- en rekenonderwijs;

– extra onderwijstijd;

– nieuwe of aangepaste faciliteiten;

– andere activiteiten die nodig zijn voor het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden.

Terugdringen van voortijdig schoolverlaten (vsv)

Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien om voortijdig schoolverlaten te voorkomen met het oog op het verder terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters op de instelling. Instellingen geven tevens aan welke activiteiten zij gaan ondernemen om het voorkomen van voortijdig schoolverlaten structureel te borgen in het eigen onderwijsproces en hoe zij structurele borging van de samenwerking met andere onderwijsinstellingen en gemeenten in de RMC-regio gaan vormgeven. De instelling zet de middelen op dit kwaliteitsthema in voor het treffen van maatregelen op instellingsniveau om zodoende de vsv-streefnormen te halen. Deze normen zijn voor de verschillende onderwijsniveau bepaald voor de resterende schooljaren 2014-2015 en 2015-2016 en vastgelegd in het vsv-convenant. Bij het behalen van de normen komt de instelling in aanmerking voor de variabele prestatiebeloning. De streefnormen zijn een vertaling van de landelijke doelstelling van 25.000 nieuwe vsv’ers in 2016 (gemeten over schooljaar 2014/2015). Deze doelstelling wordt bereikt door intensieve samenwerking tussen instellingen uit vo en mbo en andere partijen als gemeenten, zorg en hulpverlening en werkgevers.

Voor de groep kwetsbare jongeren nemen de instellingen in het kwaliteitsplan op welke ambitieuze en haalbare afspraken zij willen maken in de regionale samenwerking met jeugdzorg, gemeenten en OCW.

Het bevorderen van de beschikbaarheid en de kwaliteit van de beroepspraktijkvormingsplaatsen (bpv)

Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij zich inzetten om de beschikbaarheid en de kwaliteit van de bpv-plaatsen te verhogen. In het kwaliteitsplan is aandacht voor de verantwoordelijkheden van de instelling t.a.v. de bpv zoals voorbereiding en matching, (de begeleiding tijdens) de bpv-periode, beoordeling en evaluatie. Bij deze beschrijving kunnen instellingen gebruik maken van het Bpv-protocol.

Het stimuleren van excellentie

Instellingen geven aan op welke wijze zij excellentie en de ontwikkeling van een duurzame excellentiecultuur binnen de instelling stimuleren. Zie verder bijlage 2.

Het verbeteren van studiesucces

Instellingen kunnen aparte, resultaatgerichte activiteiten ontplooien om studiesucces te bevorderen. Instellingen geven aan hoe de activiteiten op de verschillende thema’s doorwerken op het verbeteren van studiesucces en met welk beoogd resultaat. Met studiesucces wordt de verhoging van het onderwijsniveau gemeten, waarbij als uitgangspunt de vooropleiding van de student geldt.

Bijlage

2

bij artikel 2.4, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Beoordelingskader bij het thema stimuleren van excellentie

Ambitie en visie

Het plan is ambitieus. Het plan geeft een visie op excellentie, op de ontwikkeling van de meest getalenteerde studenten en op de ontwikkeling van een duurzame excellentie-

De instelling beschrijft in het plan haar visie op excellentie(programma’s) en op de ontwikkeling van een duurzame excellentiecultuur binnen de instelling.

cultuur binnen de instelling.

Het plan bevat concreet te behalen resultaten/prestaties.

Het plan bevat een analyse van de beginsituatie.

De instelling geeft aan welke inspanning wordt geleverd, wat de gewenste resultaten zijn in de tijd en hoe men tot deze resultaten komt. Ook geeft de instelling aan op grond van welke input- of outputindicatoren zij zich verantwoordt over de voortgang.

Minimale vereisten aan de beschreven excellentieprogramma’s:

– De excellentieprogramma’s zijn ten minste gericht op het verwerven van excellent vakmanschap, aanwijsbare verbreding en verdieping van de hiervoor benodigde kennis, inzichten en vaardigheden.

– Het betreffen aantoonbaar verzwaarde onderwijsprogramma’s voor de meest getalenteerde studenten; bijvoorbeeld zichtbaar doordat de onderwijstijd van deze programma’s van de wettelijke verplichte minimumnormen voor onderwijstijd overstijgen.

– Voor studenten die met succes een excellentieprogramma hebben doorlopen, voegt de instelling – binnen de wettelijke mogelijkheden – relevantie informatie toe aan het diploma dan wel de resultatenlijst bij het diploma van de betreffende studenten. Hierdoor wordt de meerwaarde zichtbaar voor het afnemend werkveld en het vervolgonderwijs.

De instelling beschrijft in het plan onder meer hoe zij internationalisering vorm geeft. Ook beschrijft de instelling hoe zij inzet op eigentijdse meester-gezeltrajecten en de samenwerking met betreffende brancheorganisaties hierbij. In het geval de instelling er voor kiest niet op internationalisering en/of meester-gezeltrajecten in te zetten, wordt in het plan gemotiveerd waarom hiertoe is besloten.

Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

De inrichting van de organisatie is zodanig vormgegeven dat een succesvolle uitvoering van het excellentieplan mogelijk is.

De doelstellingen en activiteitenplanning zijn uitvoerbaar en haalbaar in de tijd.

De instelling beschrijft in het plan op welke wijze zij er zorgt dat voldoende deskundig personeel wordt ingezet voor sturing, afstemming, kennisdeling, communicatie, planning en uitvoering van de beoogde excellentieprogramma’s.

In het plan is aangegeven hoe de beschreven doelstellingen uitvoerbaar en haalbaar zijn in de tijd.

Breed gedragen en kennisdeling

Het plan is gedragen door de instelling.

Het plan geeft het draagvlak weer van belanghebbenden (studenten, docenten en (leer)bedrijven). Ook wordt beschreven hoe de kennisdeling en het leren van ervaringen wordt georganiseerd.