Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 4 juli 2016, nr. IENM/BSK-2016/134534, houdende vaststelling van de Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen

Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Besluit:

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beperkingengebied: gebied binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 21 van het Besluit spoorweginfrastructuur;

  • beschermingszone: deel van het beperkingengebied bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau, een hoofdspoorweg in een ingraving, hoofdspoorweg op een ophoging, hoofdspoorweg in een tunnel, of bij een hoofdspoorweg op een brug of viaduct dat onderscheidenlijk is bepaald en weergegeven in bijlage 1, bijlage 2, bijlage 3, bijlage 4 en bijlage 5;

  • kernzone: deel van het beperkingengebied, niet zijnde de beschermingszone;

  • maatwerkvoorschrift: voorschrift inhoudende:

    • a.

      een beschikking waarbij de minister op het bepaalde in deze regeling aanvullende eisen of verplichtingen stelt die naar het oordeel van de minister nodig zijn ter bescherming van de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en het veilig en ongestoord gebruik daarvan, of

    • b.

      een beschikking waarbij de minister de daarbij aangewezen bepalingen van deze regeling buiten toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden, voor zover de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en het veilig en ongestoord gebruik daarvan zich daar niet tegen verzet;

  • perron: onderdeel van een station dat als platform dient voor het betreden en verlaten van een spoorvoertuig;

  • station: gebouw of werk dat blijkens zijn constructie en inrichting geheel of gedeeltelijk is bestemd voor aankomst en vertrek van spoorvoertuigen met het oog op het in-, uit- of overstappen van reizigers, daaronder inbegrepen de passarelles;

  • wet: Spoorwegwet.

Artikel

2

Vrijstelling

Artikel

3

Activiteiten

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt voor de volgende activiteiten en de daarmee samenhangende werkzaamheden:

  • a.

    het in de beschermingszone leggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen;

  • b.

    het vanuit de beschermingszone opvullen van een beschermbuis met schuimbeton;

  • c.

    het vanuit de beschermingszone leggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen in een reeds aanwezige beschermbuis;

  • d.

    het in de beschermingszone aanleggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van beplanting;

  • e.

    het in de beschermingszone uitvoeren van graaf- en hijswerkzaamheden;

  • f.

    het in de beschermingszone oprichten, plaatsen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van bouwwerken, gebouwen of objecten;

  • g.

    het in de beschermingszone uitvoeren van metingen en inspecties;

  • h.

    het in de kernzone uitvoeren van metingen en inspecties boven een spoorweg in een tunnel of onder een viaduct;

  • i.

    het verrichten van onderhoud op perrons of stations;

  • j.

    het vervangen van bestaande objecten op perrons of stations door gelijksoortige objecten;

  • k.

    het plaatsen van objecten van ondergeschikte aard op perrons of stations waarbij de opzet niet wezenlijk verandert, en

  • l.

    het verrichten van werkzaamheden van ondergeschikte aard op perrons of stations waarbij de opzet niet wezenlijk verandert.

Artikel

4

Zorgplicht

Artikel

5

Melding

Artikel

6

Maatwerkvoorschriften

Paragraaf

2

Kabels en leidingen

Artikel

7

Regels werkwijze kabels en leidingen

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen a tot en met c, verricht, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

  • a.

    kabels of leidingen worden in een sleuf of in een goot gelegd;

  • b.

    kabels of leidingen worden op een diepte van ten minste 0,60 meter gelegd;

  • c.

    kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd;

  • d.

    de uitkomende grond wordt in de oorspronkelijke volgorde weer in de sleuf gelegd;

  • e.

    graszoden worden boven de te graven sleuf gestoken en opzij gezet;

  • f.

    de sleuf wordt onmiddellijk na de werkzaamheden op deugdelijke wijze verdicht;

  • g.

    de aangevulde sleuven worden over de volle lengte en over de volle breedte, gedurende een jaar na het gereedkomen van de werkzaamheden op kosten van degene die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, onderhouden;

  • h.

    de diepte van de kruising met het spoor en de ligging ten opzichte van het spoor van de kabels worden ingemeten en weergegeven op een revisietekening die binnen vier weken na afronding van de activiteit, of wanneer deze activiteit onderdeel is van meerdere activiteiten, na afronding van de laatste activiteit, wordt ingediend bij de beheerder;

  • i.

    kabels en leidingen worden ten opzichte van reeds aanwezige, parallel aan het spoor liggende kabels, leidingen of beschermbuizen op een afstand van ten minste 0,20 meter gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabels, leidingen of beschermbuizen;

  • j.

    in het geval kabels en leidingen worden gekruist:

    • worden de nieuwe kabels en leidingen onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;

    • worden de nieuwe kabels en leidingen op een afstand van ten minste 0,20 meter ten opzichte van bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis;

    • worden de nieuwe kabels en leidingen voorzien van een beschermbuis indien de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen minder dan 0,80 meter bedraagt, waarbij de buitenzijde van de aan te leggen beschermbuis reikt tot ten minste 0,80 meter voorbij de buitenzijde van de te kruisen kabels, leidingen of beschermbuizen.

Artikel

8

Regels materieel kabels en leidingen

Paragraaf

3

Graaf- en hijswerkzaamheden

Artikel

9

Regels graaf- en hijswerkzaamheden

Paragraaf

4

Bouwwerken en gebouwen

Artikel

10

Toepassingsbereik

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is niet van toepassing op het binnen de beschermingszone oprichten, plaatsen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van bouwwerken en gebouwen, indien dat bij besluit van de minister is bepaald op een deel van de bij dat besluit aan te wijzen deel van de hoofdspoorweginfrastructuur.

Artikel

11

Regels bouwwerken en gebouwen

Degene die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

  • a.

    er worden geen graaf- of heiwerkzaamheden dieper dan 0,60 meter verricht;

  • b.

    er worden geen grondwateronttrekkingen uitgevoerd;

  • c.

    de maaiveldbelasting is ten hoogste 500 kilogram per vierkante meter.

Paragraaf

5

Activiteiten in stations en op perrons

Artikel

12

Regels stations en perrons

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen i tot en met l, verricht, houdt zich daarbij aan de volgende regels:

  • a.

    er worden geen heiwerkzaamheden, bronbemalingen of graafwerkzaamheden dieper dan 0,60 meter verricht, gemeten vanaf het oppervlak;

  • b.

    er wordt ten minste een afstand van 5 meter gehouden vanaf de spanningvoerende delen en in het bijzonder van de bovenleiding, gemeten vanaf de buitenkant van het spanningvoerende deel;

  • c.

    er wordt voldoende afstand gehouden van de perronrand;

  • d.

    gebruik van kabelgoten of van de elektrische voeding van de beheerder wordt vooraf overeengekomen met de beheerder.

Paragraaf

6

Overwegen

Artikel

13

Zichtlijnen bij overwegen

Paragraaf

7

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

14

Overgangsrecht

De vrijstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt niet voor activiteiten waarvoor op grond van artikel 19 van de wet:

  • a.

    voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling een vergunning is verleend;

  • b.

    voorafgaand aan inwerkingtreding van deze regeling een vergunning is aangevraagd en na inwerkingtreding van deze regeling een vergunning is verleend.

Artikel

15

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt op hetzelfde tijdstip in werking als waarop artikel I, onderdeel K, van de Wet van 19 november 2014 tot wijziging van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer 2000 in verband met een tweede tranche van uitvoeringsmaatregelen van het kabinetsstandpunt «Spoor in beweging», waaronder regels inzake bijzondere spoorwegen en vereenvoudiging van het vergunningenregime hoofdspoorwegen, en in verband met de invoering van een verblijfsverbod voor voorzieningen openbaar vervoer (Stb. 2015, 9) in werking treedt.

Artikel

16

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,S.A.M.Dijksma

Bijlage

1

Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau

Spoorweg op maaiveldniveau

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage

2

Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg in een ingraving

Spoorweg in een ingraving

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage

3

Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg op een ophoging

Spoorweg op een ophoging

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage

4

Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg in een tunnel

Spoorweg in een tunnel

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage

5

Aanduiding kernzone en beschermingszone bij een hoofdspoorweg op een brug of viaduct

Spoorweg op een brug of viaduct

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Bijlage

6

Zichtlijnen bij een actief beveiligde overweg

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Het gebied, bedoeld in artikel 13, eerste lid, wordt gevormd door de ruit die aan weerszijden 10 meter over het spoor en 30 meter over de weg loopt.

Bijlage

7

Zichtlijnen bij een niet actief beveiligde overweg

NB: de afstanden gelden, indien er meerdere sporen naast elkaar liggen, ten opzichte van het buitenste spoor.

Het gebied, bedoeld in artikel 13, tweede lid, wordt gevormd door de ruit die aan weerszijden 500 meter over het spoor en 11 meter over de weg loopt.