Artikel
1
1
De ambtenaar die in aanmerking komt voor een stimuleringspremie als bedoeld in artikel 49tt van het Algemeen Rijksambtenarenreglement kan deze overeenkomstig deze regeling uitruilen voor een periode van buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging, voorafgaand aan de ingangsdatum van zijn ontslag op eigen verzoek.
2
Het aantal maanden buitengewoon verlof wordt vastgesteld op basis van de uitkomst van de berekening van de stimuleringspremie. Op het bedrag van de stimuleringspremie wordt in mindering gebracht de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Het aldus overblijvende bedrag wordt gedeeld door het maandsalaris van de medewerker. De uitkomst hiervan is het aantal maanden buitengewoon verlof en wordt op hele maanden naar boven afgerond als de uitkomst 0,5 of meer dan 0,5 bedraagt en naar beneden indien de uitkomst minder dan 0,5 bedraagt.
3
Indien de ambtenaar die gebruikmaakt van de mogelijkheid tot uitruil van de stimuleringspremie voor een periode van buitengewoon verlof, gebruikmaakt van de regeling, bedoeld in artikel 21a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, houdt de toepassing van die regeling op met ingang van de datum waarop de ambtenaar met buitengewoon verlof gaat.
4
Indien de ambtenaar die gebruikmaakt van de mogelijkheid tot uitruil van de stimuleringspremie voor een periode van buitengewoon verlof ervoor kiest om tegen een lagere bezoldiging langer met buitengewoon verlof te gaan, wordt de arbeidstijd van de ambtenaar in overleg met de leidinggevende zodanig aangepast dat daarmee het gewenste bezoldigingsniveau (nagenoeg) wordt bereikt. Hierbij worden de kosten van het buitengewoon verlof rekenkundig per maand vastgesteld aan de hand van de formule: maandsalaris * 1,163.
5
Het uitgeruilde buitengewoon verlof eindigt op zijn laatst per de datum met ingang waarvan de ambtenaar AOW-gerechtigd is. Indien daarna nog een rest aan verlof overblijft, wordt dat resterend verlof als stimuleringspremie uitbetaald.