Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2016, houdende bepalingen met betrekking tot onderzoek ter vaststelling van het gebruik van alcohol en drugs bij geweldplegers (Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers)

Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

De methode van bloedonderzoek voor het bepalen van het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit, voldoet aan de eisen genoemd in de bijlage bij deze regeling.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Artikel

10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Veiligheid en Justitie,G.A. van derSteur

Bijlage

behorende bij artikel 5 van de Regeling middelenonderzoek bij geweldplegers

Bij bloedonderzoek naar het bepalen van het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit, wordt aan de volgende eisen voldaan:

  • Zo spoedig mogelijk na de bloedafname worden de twee buisjes bloed bevroren bewaard of, als dat niet mogelijk is, in de koelkast.1Een bewaartemperatuur bij ongeveer -20°C heeft de voorkeur. Het bloedblok wordt liggend op het grootste oppervlak in de vriezer geplaatst om de kans op breuk van de bloedbuizen te minimaliseren.

  • Het dient duidelijk te zijn op welke wijze het transport van de twee buisjes bloed van de politie naar het laboratorium en tussen laboratoria plaatsvindt.

  • Het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit, wordt minimaal in tweevoud (duplo) bepaald.

  • Het valideren van de methode gebeurt volgens de laatste versie van de Guideline on bioanalytical method validation (European Medicines Agency) of een vergelijkbare richtlijn.2Scientific Working Group for Forensic Toxicology (SWGTOX). Standard Practices for Method Validation in Forensic Toxicology. SWGTOX Doc 003 Revision 1. Published May 20, 2013.

  • Het laboratorium controleert ten minste vier keer per jaar de juistheid van de methode, bij voorkeur door deelname aan ringonderzoeken of door het analyseren van een geschikt (gecertificeerd) controlemonster waarvan minimaal 75% met voldoende resultaat. Bij deelname aan een ringonderzoek betekent een voldoende resultaat een z-score lager dan 2,0. Bij analyse van een (gecertificeerd) controlemonster betekent een voldoende resultaat dat het resultaat binnen de door de bereider/leverancier aangegeven acceptatiegrenzen valt.

  • Ter bevestiging van het gebruik van cocaïne en ter verificatie van het resultaat van het onderzoek naar het gehalte van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit wordt ook de aanwezigheid van benzoylegonine bepaald. Cocaïne wordt alleen gerapporteerd als benzoylecgonine aanwezig is. Er wordt geen grenswaarde voor benzoylecgonine voorgesteld en de aanwezigheid van benzoylecgonine wordt niet gerapporteerd.

  • Van benzoylecgonine wordt minimaal de LOI vastgesteld bij validatie.

  • De ‘limit of identification’ (LOI) is gedefinieerd als 2x de ‘limit of detection’3http://depa.fquim.unam.mx/amyd/archivero/Limite_deteccion_4836.pdf en mag niet boven de ondergrens van de kwantitatieve bepaling (LLOQ) liggen.

  • De ‘uitgebreide meetonzekerheid’ voor een of meer van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit is maximaal 30% en wordt berekend uit de afwijking van de juiste waarde (‘bias’), de spreiding in de juistheidsmetingen en de reproduceerbaarheid binnen het laboratorium (‘intermediate precision’).

  • De ‘uitgebreide meetonzekerheid’ voor alcohol is maximaal 6% en wordt berekend uit de afwijking van de juiste waarde (‘bias’), de spreiding in de juistheidsmetingen en de reproduceerbaarheid binnen het laboratorium (‘intermediate precision’).

  • De LLOQ is gedefinieerd als de laagste concentratie van de component in het analysemonster, waarvan de meetwaarde nog met een bepaalde juistheid en precisie kan worden vastgesteld conform de vigerende richtlijnen.

  • De LLOQ is ten hoogste de voorgestelde grenswaarde zoals genoemd in artikel 4 van het Besluit.

  • Het resultaat van de meting wordt bij een of meer van de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit uitgedrukt in microgram per liter, bij alcohol in milligram per milliliter.

  • Resultaten en tussenberekeningen van het onderzoek worden niet afgerond. Het resultaat van de duplometingen van het gehalte van alcohol of een of meer van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit, wordt gemiddeld. Op dat gemiddelde dat tevens het eindresultaat is, vindt een correctie-aftrek plaats van 30% bij de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit, en van 6% bij alcohol.

  • De einduitkomst wordt afgerond op twee significante cijfers bij de middelen bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Bij alcohol wordt de einduitkomst gerapporteerd met 2 decimalen.

  • De bloedgehaltes worden in tabelvorm in het rapport opgenomen zoals in het hierna getoonde voorbeeld.

    Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie:

    alcohol

    ethanol

    0,80

    milligram per milliliter

    amfetamine

    amfetamine

    50

    microgram per liter

    methamfetamine

    methamfetamine

    50

    microgram per liter

    cocaïne

    cocaïne

    50

    microgram per liter

  • Het rapport met de einduitkomst bevat geen interpretatie van de resultaten.

  • Er wordt bij het rapporteren van de resultaten geen rekening gehouden met medicinaal gebruik van de middelen, bedoeld in artikel 3 van het Besluit.