Artikel
1
1
De algemeen directeuren, landelijk directeuren en directeuren van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen a1, b1, b2, c1, c2, d en f, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, hebben mandaat voor het nemen van besluiten als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36, 38, tweede lid, 40 en 41 van de Wet bescherming persoonsgegevens, alsmede voor het nemen van beslissingen op het bezwaar tegen voornoemde besluiten.
2
De functionarissen, genoemd in het eerste lid, kunnen met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste lid ondermandaat verlenen aan door hen aan te wijzen medewerkers van de Belastingdienst.
3
De functionarissen, genoemd in het eerste lid, en de medewerkers, bedoeld in het tweede lid, oefenen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, niet uit voor zover de afhandeling uitdrukkelijk is voorbehouden door een hogergeplaatste functionaris dan wel de afhandeling door een hogergeplaatste functionaris noodzakelijk of gewenst is.