Overwegende:
Dat op grond van
artikel 3.2 van de Jeugdwet kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering uitsluitend mogen worden uitgevoerd door daartoe gecertificeerde instellingen,
Dat de Minister van Veiligheid en Justitie een certificerende instelling aanwijst die verantwoordelijk is voor het verlenen, verlengen, schorsen en intrekken van certificaten en voorlopige certificaten als bedoeld in
artikel 3.2.1, eerste lid van het Besluit Jeugdwet,
Dat een instelling en alle daarvoor werkende geregistreerde professionals zodra het certificaat eindigt met onmiddellijke ingang niet meer bevoegd zijn om jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregelen uit te voeren,
Dat ingeval van intrekking, schorsing, beperking van het toepassingsbereik of niet verlenging van een certificaat de verantwoordelijke instanties zoals de betrokken gecertificeerde instelling, gemeenten, raad voor de kinderbescherming en de gerechten voldoende tijd moeten hebben om de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering over te dragen aan andere gecertificeerde instellingen die beschikken over een certificaat of een voorlopig certificaat waardoor de continuïteit van zorg en toezicht voor de daarbij betrokken jeugdigen wordt geborgd,
Dat in de huidige wet- en regelgeving duidelijke handvatten ontbreken voor de wijze waarop de certificerende instelling dient te handelen teneinde te voorkomen dat bij de intrekking of schorsing van een certificaat, het beperken van het toepassingsbereik of het afwijzen van een aanvraag tot verlenging van het certificaat, de continuïteit van zorg bij lopende jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen in gevaar komt.