Artikel
1
Doorverlenen ondermandaat
1
De aan de directeur Dienst Publiek en Communicatie krachtens ondermandaat toegekende bevoegdheden, als omschreven in de artikelen 8, 9 en 12 van het Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017, kunnen krachtens het hierbij verleende ondermandaat worden uitgeoefend door de plaatsvervangend directeur Dienst Publiek en Communicatie.
2
De plaatsvervangend directeur Dienst Publiek en Communicatie maakt van de aan hem verleende bevoegdheden uitsluitend gebruik:
-
a.
bij tijdelijke afwezigheid van de directeur Dienst Publiek en Communicatie;
-
b.
in andere gevallen voor zover het aangelegenheden betreft die door de directeur Dienst Publiek en Communicatie aan hem zijn toevertrouwd.
3
Van het ondermandaat zijn uitgesloten, de volgende bevoegdheden:
-
a.
de bevoegdheid tot verlening van strafontslag;
-
b.
de bevoegdheid tot verlening van ontslag op grond van artikel 99 ARAR.