Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 januari 2018, nr. 2018-0000004839, tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor de bescherming van werknemers die beroepsmatig blootgesteld kunnen worden aan ioniserende straling (Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018)

Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018

§

1

Algemeen

Artikel

1.1

Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    beheerder: de beheerder van het NDRIS, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid;

  • b.

    besluit: het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;

  • c.

    dosisgegevens: de gegevens die nodig zijn om de effectieve dosis of equivalente dosis van een blootgestelde werknemer te berekenen en vast te leggen;

  • d.

    erkende dosimetrische dienst: de dosimetrische dienst die is erkend krachtens artikel 7.15 van het besluit;

  • e.

    minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • f.

    NDRIS: het Nationaal Dosis Registratie- en Informatie Systeem;

  • g.

    toezichthouder: de Inspectie SZW of, indien het inrichtingen betreft waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet is verleend, de Autoriteit of, indien het mijnbouw betreft, het Staatstoezicht op de Mijnen.

§

2

Risico-inventarisatie en -evaluatie

Artikel

2.1

Nadere eisen risico-inventarisatie en -evaluatie met het oog op de risico’s van blootstelling van werknemers aan ioniserende straling

Artikel

2.2

Bepaling verwachte jaardosis vliegtuigbemanning

Voor het bepalen van de beroepsmatige blootstelling aan kosmische straling van een werknemer die deel uitmaakt van een vliegtuigbemanning, ten behoeve van de identificatie van blootgestelde werknemers voorafgaand aan de arbeid en de indeling van die werknemers in categorie A of B, maakt de ondernemer gebruik van een methode als bedoeld in bijlage B bij deze regeling.

§

3

Het gezondheidskundig toezicht stralingsbescherming

Artikel

3.1

Registratie stralingsarts

De registratie, herregistratie en buitengewone registratie, bedoeld in deze paragraaf, in het door de Autoriteit beheerde Register stralingsartsen geschieden door de Autoriteit indien is voldaan aan de eisen die in deze paragraaf en de Bijlagen C en D bij deze regeling aan de registratie, herregistratie en buitengewone registratie worden gesteld.

Artikel

3.2

Criteria registratie stralingsarts

Artikel

3.3

Criteria herregistratie stralingsarts

Artikel

3.4

Criteria buitengewone registratie stralingsarts

Artikel

3.5

Het gezondheidskundig toezicht stralingsbescherming en verantwoordelijkheden ter zake

Artikel

3.6

Samenwerking arbodienst en stralingsarts bij het gezondheidskundig toezicht stralingsbescherming

§

4

Waarschuwingssignalering

Artikel

4.1

Waarschuwingsborden en gevarenpictogrammen algemeen

Artikel

4.2

Tekst bij waarschuwingsbord of gevarenpictogram algemeen

Artikel

4.3

Waarschuwingsborden, gevarenpictogrammen en teksten op ingekapselde bronnen, toestellen en bronhouders

Artikel

4.4

Verbodsbord en gevarenpictogram gecontroleerde zone

§

5

NDRIS-systeem, dosisgegevens en -registratie

Artikel

5.1

Het Nationaal Dosis Registratie- en Informatie Systeem

Artikel

5.2

Persoonlijk dosiscontrolemiddel

Artikel

5.3

Berekenen dosisgegevens vliegtuigbemanning

Artikel

5.4

Toepassing loodschortcorrectie

§

6

Dosimetrische diensten, Centraal Dosimetrisch Overleg en NDRIS-beheerder

Artikel

6.1

Procedure erkenning als dosimetrische dienst

Artikel

6.2

Voorwaarden erkenning als dosimetrische dienst

De erkenning, bedoeld in artikel 6.1, wordt verleend aan een dosimetrische dienst, indien:

  • a.

    deze is geaccrediteerd volgens de criteria, bedoeld in NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005, zulks met inbegrip van het kalibratiesysteem;

  • b.

    deze is belast met het beheer van het persoonsdosimetriesysteem, zulks met inbegrip van de daaraan verbonden administratieve zorg en de beoordeling van de uitlezingen van de verstrekte persoonlijk dosiscontrolemiddelen dosismeter;

  • c.

    deze voldoet aan de aanbevelingen 3.1, 3.2, 4.15, 4.17, 6.1, 6.4, 6.5, 7.5 en 7.6 van de Europese Commissie, zoals opgenomen in Radiation Protection 160 Technical Recommendations for Monitoring Individuals Occupationally Exposed to External Radiation Technical Recommendations (versie 2009);

  • d.

    de dagelijkse leiding en het beheer van de dosimetrische dienst geschiedt door een stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 7.1 van het besluit, bijgestaan door voldoende personeel dat beschikt over de nodige kennis en ervaring ter zake; en

  • e.

    deze regelmatig deelneemt aan nationale of internationale prestatieonderzoeken als bedoeld in ISO 14146 (2000).

Artikel

6.3

Weigering, schorsing en intrekking erkenning als dosimetrische dienst

Artikel

6.4

Informatie over bestuurswisseling bij een dosimetrische dienst

Artikel

6.5

Jaarverslag dosimetrische dienst

De dosimetrische dienst verstrekt de Autoriteit jaarlijks voor 1 juni een jaarverslag met de volgende gegevens betreffende het voorafgaande kalenderjaar:

  • a.

    de resultaten van de dosimetrie die door haar is uitgevoerd;

  • b.

    de wijzigingen die in het kwaliteitshandboek zijn aangebracht op grond van RP 160 en eventuele correspondentie met de nationale accreditatie-instantie daarover;

  • c.

    het aantal (inter)nationale vergelijkingsonderzoeken waaraan is deelgenomen en een samenvatting van de resultaten daarvan;

  • d.

    de beschrijving van de wijzigingen in het systeem ter beveiliging van de opgeslagen gegevens en de voorzorgsmaatregelen genomen ter voorkoming van het verloren gaan van die gegevens;

  • e.

    eventuele knelpunten die zich hebben voorgedaan bij:

  • f.

    eventueel ontvangen klachten en de behandeling daarvan;

  • g.

    eventuele wijzigingen in de taakverdeling bij de dosimetrische dienst en eventuele bestuurswisselingen;

  • h.

    de financiële gegevens, waaronder de gehanteerde tarieven, van de dosimetrische dienst; en

  • i.

    een samenvatting van de vigerende accreditatie met het bijbehorende kwaliteitssysteem.

Artikel

6.6

Periodieke controle van de dosimetrische dienst

Artikel

6.7

Informatie-uitwisseling over non-conformiteit

Artikel

6.8

Algemene taken van de beheerder

Artikel

6.9

Gegevensbeheer door de beheerder

Artikel

6.10

Verantwoording door de beheerder

Artikel

6.11

Het Centraal Dosimetrisch Overleg

§

7

Radon op de werkplek

Artikel

7.1

Kennisgeving blootstellingssituatie radon

Artikel

7.2

Registratie gegevens blootstelling aan radon

De door de werkgever, bedoeld in artikel 7.1, te registreren gegevens als bedoeld in artikel 7.38, zesde lid, van het besluit omvatten:

  • a.

    de naam, voornaam, geboortedatum en het geslacht van de werknemer;

  • b.

    de gegevens omtrent de aard van het dienstverband van de werknemer; en

  • c.

    de aard van de te verrichten arbeid, de verblijftijd op de werkplek, de gemeten radonconcentratie op de werkplek, de bepaling van en de daaruit afgeleide blootstelling, bedoeld in artikel 7.38, zesde lid, van het besluit.

Artikel

7.3

Waarschuwingssignalering radon

§

8

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

8.2

Inwerkingtreding

Artikel

8.3

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018.

Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Bijlage

A

behorend bij artikel 2.1, eerste en tweede lid

Nadere eisen en elementen betreffende de risico-inventarisatie en -evaluatie

  • 1.

    Risico-identificatie.

    Te stellen vragen:

    • a.

      Zijn alle bronnen van ioniserende straling en hun eigenschappen geïnventariseerd?

    • b.

      Welke handelingen worden er verricht met deze bronnen? Zo nodig worden de handelingen opgesplitst in deelhandelingen om de verschillende blootstellings-risico’s te kunnen specificeren.

    • c.

      Hoeveel handelingen, en in voorkomend geval deelhandelingen, worden er op jaarbasis verricht en hoeveel en welke werknemers kunnen daarbij blootgesteld worden?

    • d.

      Waar worden de handelingen, en in voorkomend geval deelhandelingen, verricht?

    • e.

      Welke blootstellingspaden zijn aan de orde?

    • f.

      Welke voorziene onbedoelde gebeurtenissen kunnen bijdragen aan de potentiële blootstelling van de werknemers? en

    • g.

      Welke technische en organisatorische maatregelen zijn genomen om de blootstelling van werknemers te voorkomen of, indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken?

  • 2.

    Bepaling van de blootstelling.

    Te stellen vragen:

    • a.

      Wat is de reguliere blootstelling van de werknemers?

    • b.

      Wat is de potentiële blootstelling van de werknemers?

    • c.

      Wat is de kans op het zich voordoen van de voorziene onbedoelde gebeurtenissen.

    • d.

      Wat is het effect van persoonlijke beschermingsmiddelen.

  • 3.

    Risico-evaluatie.

    Wordt voldaan aan het bij of krachtens het besluit gestelde met betrekking tot:

    • a.

      de basisprincipes met betrekking tot rechtvaardiging en optimalisatie;

    • b.

      de dosislimieten;

    • c.

      de dosisbeperkingen;

    • d.

      de identificatie van blootgestelde werknemers op basis van de bepaalde reguliere en potentiële blootsteling;

    • e.

      de indeling van blootgestelde werknemers in categorie A of B op basis van de bepaalde reguliere en potentiële blootstelling;

    • f.

      de identificatie en indeling van ruimten in gecontroleerde zone of bewaakte zone; en

    • g.

      de noodzaak tot actualisering van getroffen maatregelen.

NB. In het kader van de identificatie van blootgestelde werknemers en de indeling van blootgestelde werknemers in categorie A of B wordt de afschermende werking van persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen, niet meegenomen bij de bepaling van de reguliere en potentiële blootstelling van de werknemer.

Bijlage

B

behorend bij artikel 2.2

Bepalingsmethoden voor toetsing aan 1 mSv dosis als gevolg van beroepsmatige blootstelling aan kosmische straling

De bepaling van de beroepsmatige dosis als gevolg van beroepsmatige blootstelling aan kosmische straling als bedoeld in artikel 2.2, wordt uitgevoerd met een van de methodes, bedoeld in onderstaande tabel.

Voor methode 1 worden alle jaarlijks door de werknemer gemaakte vlieguren conservatief gesteld op de hoogst behaalde vlieghoogte. Indien de voor methode 1 vereiste conservatieve aanname tot overschrijding van de 1 mSv per kalenderjaar leidt, kan methode 2 worden gehanteerd.

In methode 2 worden de jaarlijks door de werknemer gemaakte vlieguren ingedeeld naar vlieghoogte, waarna de dosis per vlieghoogte wordt bepaald door vermenigvuldiging met het bijbehorende dosistempo, bedoeld in de onderstaande tabel. Vervolgens wordt de dosis afkomstig van de verschillende vlieghoogten geaccumuleerd ten einde te komen tot de totale dosis als gevolg van blootstelling aan kosmische straling.

Bijlage

C

behorend bij artikel 3.3, eerste lid

Puntensysteem ten behoeve van het kennisonderhoud door de stralingsarts

Na- en bijscholing

relevant voor stralingsartsen en op het niveau van coördinerend deskundige

Bewijs van positief resultaat examen/toets bij door de Autoriteit goedgekeurde cursus (opfriscursus stralings-artsen of vergelijkbare cursus)

20 punten per dag

Minimaal 30 punten per 5 jaar

Na- en bijscholing

relevant voor stralingsartsen en op het niveau van coördinerend deskundige

Bewijs van deelname aan een door de Autoriteit goedgekeurde cursus (opfriscursus stralingsartsen of vergelijkbare cursus)

15 punten per dag

Na- en bijscholing

bredere doelgroep

Bewijs van positief resultaat examen/toets bij door de Autoriteit goedgekeurde cursus

15 punten per dag

Na- en bijscholing

bredere doelgroep

Bewijs van deelname aan een door de Autoriteit goedgekeurde cursus

10 punten per dag

Bijwonen symposia en congressen

Bewijs van deelname aan een door de Autoriteit goedgekeurd symposium, congres, e.d. (bv. NVS-symposia)

5 punten per dag

Intercollegiale toetsing

Bewijs van deelname aan een door de Autoriteit goedgekeurde bijeenkomst/ organisatie

15 punten per dag

(Poster)presentatie op symposium, congressen, gast-docentschap

Bewijs via overleggen programma symposium

10 punten per lezing

Publicatie in vaktijdschrift

Ingestuurd tijdschrift

5 per publicatie

Publicatie in gerefereerd tijdschrift

Ingestuurd tijdschrift

10 per publicatie

Doceren aan erkend opleidingsinstituut of erkende nascholing

Cursusprogramma

2 punt per lesuur per jaar

Deelname aan (Inter)nationale commissies

Deelnemerslijst

10 punten per jaar

Maximaal 20 punten per 5 jaar

Lidmaatschap van één of meer vakverenigingen

Bewijs van lidmaatschap van één of meerdere relevante verenigingen

2 punten per jaar

Bijlage

D

behorend bij artikel 3.4, eerste lid

Buitengewone registratie als stralingsarts

De onderstaande kerncompetenties van de stralingsarts zijn aanvullend op het competentieprofiel bedrijfsgeneeskunde van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde.

Om buitengewoon geregistreerd te kunnen worden als stralingsarts toont betrokkene aan over de volgende kerncompetenties te beschikken:

Kerncompetentie 1: Kennis – De stralingsarts bezit adequate kennis op het gebied van stralings-bescherming:

  • a.

    Vormt zich een oordeel over de indeling A- of B-werknemer.

  • b.

    Kent de drie hoofprincipes van de stralingsbescherming: rechtvaardiging, ALARA en limieten.

  • c.

    Kent de fysische basis van de stralingsbescherming.

  • d.

    Kent de aspecten die van belang zijn in de stralingsbeschermingscultuur.

  • e.

    Heeft kennis van achtergrondstraling.

  • f.

    Kent vigerende wet- en regelgeving met betrekking tot stralingsbescherming.

  • g.

    Kent de secundaire effecten bij hoogenergetische straling, zoals remstraling.

  • h.

    Interpreteert meetgegevens.

  • i.

    Is inhoudelijk geïnformeerd over de aard en risico’s van de werkzaamheden.

  • j.

    Plaatst stralingsrisico’s in een maatschappelijke context.

  • k.

    Kent de principes van de indeling van een bewaakte en gecontroleerde zone.

  • l.

    Heeft kennis van de fysische en radiobiologische eigenschappen van de verschillende soorten straling.

  • m.

    Identificeert potentiële stralingsrisico’s.

  • n.

    Kent alle dosis- en aanverwante begrippen die in de wet- en regelgeving met betrekking tot stralingsbescherming worden genoemd.

  • o.

    Kent de normatieve en ethische basisprincipes gerelateerd aan stralingsbescherming.

  • p.

    Kent de onderzoekstechnieken ter bepaling van de dosis van organen en het gehele lichaam.

  • q.

    Kent de grondbeginselen van de radiobiologie.

  • r.

    Kent de mogelijke effecten van (ioniserende en kosmische) straling.

  • s.

    Kent het vakgebied stralingsbescherming in brede zin.

  • t.

    Kent de bestaande normen en (dosis)limieten.

  • u.

    Vertaalt de uitkomsten van een incident-evaluatie naar beleid en (interne) procedures.

  • v.

    Vormt zich een oordeel over een stralingsjaarverslag.

  • w.

    Is op de hoogte van ‘good practices’ in de stralingsbescherming.

  • x.

    Is (globaal) bekend met de eigenschappen en risico’s van niet-ioniserende straling.

  • y.

    Is bekend met een nuclidenkaart.

  • z.

    Is zich bewust van de ethische aspecten met betrekking tot stralingsbescherming.

  • aa.

    Kent de mogelijke gezondheidsschade door (ioniserende en kosmische) straling.

  • bb.

    Draagt zorg voor het laten verrichten van inwendige-besmettingsberekeningen.

  • cc.

    Interpreteert inwendige-besmettingsberekeningen.

  • dd.

    Heeft kennis van methoden voor decontaminatie.

  • ee.

    Kent zowel de inwendige als de uitwendige blootstellingspaden.

  • ff

    Is bekend met de bronnen, toestellen en werkwijzen/handelingen op de locatie(s).

  • gg.

    gg. Kent de wetenschappelijke discussie m.b.t. Linear-Non-Threshold-hypthese.

  • hh.

    Kent de grondbeginselen van de epidemiologie in relatie tot stralingseffecten.

  • ii.

    Kent de werking van de beschikbare beschermingsmiddelen.

Kerncompetentie 2: Medisch handelen – De stralingsarts levert adequate medische zorg binnen de stralingsbescherming:

  • a.

    Herkent stralingsschade aan het lichaam.

  • b.

    Begeleidt de werknemer zowel medisch als sociaal-medisch in relatie tot de stralingsbescherming.

  • c.

    Begeleidt en adviseert bij en na stralingsincidenten.

  • d.

    Informeert de werknemer over de risico’s verbonden aan (het werken met) ioniserende straling.

  • e.

    Kent stralingsongevallen-casuïstiek.

  • f.

    Legt verbanden tussen de medische voorgeschiedenis van de werknemer in relatie tot zijn arbeid als blootgestelde werknemer.

  • g.

    Adviseert over werkwijzen van blootgestelde werknemers.

  • h.

    Weet welke beschermingsmiddelen beschikbaar zijn en adviseert over het gebruik ervan.

  • i.

    Voorkomt bij een stralingsincident verdere contaminatie.

  • j.

    Reageert adequaat op een stralingsincident.

  • k.

    Weet wanneer acute medische hulp vereist is als gevolg van een stralingsincident.

  • l.

    Doet uitspraken over een toe te passen medische spoedbehandeling, inclusief eventuele decontaminatie maatregelen.

  • m.

    Stelt in overleg met de stralingsbeschermingsdeskundige of toezichthoudend medewerker stralingsbescherming een decontaminatieplan op.

  • n.

    Informeert over gevaren van externe straling en inwendige besmetting (van de moeder) voor de foetus.

  • o.

    Schat ook onder druk en op locatie een risico adequaat in.

  • p.

    Is op de hoogte van een geneeskundige onderzoek en behandeling die de werknemer heeft of zal ondergaan,

  • q.

    Stelt veiligheidsmaatregelen voor,

  • r.

    Doet uitspraken over de geschiktheid van de werknemer voor de arbeid.

  • s.

    Heeft kennis en inzicht in de radiobiologie om op basis daarvan advies te geven aan een (o.a. zwangere) blootgestelde werknemer.

  • t.

    Evalueert een stralingsincident.

Kerncompetentie 3: Communicatie – De stralingsarts communiceert overtuigend over inhoudelijk adequate adviezen en aanwijzingen (van preventieve aard) op het gebied van stralingsbescherming:

  • a.

    Geeft effectieve (werk)instructie en voorlichting aan individuele werknemers.

  • b.

    Communiceert effectief over stralingsrisico’s en werkwijzen (van laag tot hoog in de organisatie).

  • c.

    Stelt (mogelijk) blootgestelde werknemers op onderbouwde wijze gerust.

  • d.

    Kent de methoden voor risicocommunicatie.

Kerncompetentie 4: Samenwerking – De stralingsarts werkt actief samen binnen het werkveld stralingsbescherming:

  • a.

    Werkt samen met arbodeskundigen en arbodiensten.

  • b.

    Participeert effectief in inhoudelijke overleggen met betrekking tot stralingsbescherming.

  • c.

    Communiceert helder naar relevante stakeholders.

  • d.

    Kent zijn positie en handelt adequaat in een bestuurlijke context.

  • e.

    Legt en onderhoudt contact met relevante stakeholders.

  • f.

    Kent de lokale hulpverleningsorganisaties.

  • g.

    Werkt samen met de stralingsbeschermingsdeskundige/SBE.

Bijlage

E

behorend bij artikel 5.4, derde lid

Protocol loodschort

  • 1.

    De blootgestelde werknemer draagt een in goede staat verkerend loodschort en daar waar nodig aanvullende persoonlijke beschermingsmiddelen van de juiste maat en pasvorm.

  • 2.

    De keuze van het loodschorttype geschiedt met inachtneming van het bepaalde onder a en b:

    • a.

      Type loodschort:

      • 1°.

        Indien de strooistraling primair uit voorwaartse richting ten opzichte van de werknemer komt, volstaat een loodschort dat de voorkant en zijkanten van de werknemer bedekt;

      • 2°.

        Indien de strooistraling niet primair uit voorwaartse richting ten opzichte van de werknemer komt, is een loodschort vereist dat de voorkant, zijkanten en de achterkant van de werknemer bedekt.

    • b.

      Minimaal loodequivalent:

      • 1°.

        Bij een buisspanning tot 80 kVp biedt het loodschort tenminste een bescherming equivalent aan de bescherming door 0,15 mm lood;

      • 2°.

        Bij een buisspanning van 80 kVp tot 125 kVp biedt het loodschort tenminste een bescherming equivalent aan de bescherming door 0,25 mm lood.

  • 3.

    De ondernemer toont schriftelijk aan dat het gedragen loodschort voldoet aan de eis, bedoeld in punt 2, onder b.

  • 4.

    Het persoonlijke dosiscontrolemiddel mag niet worden afgeschermd door het loodschort of een ander persoonlijk beschermingsmiddel.

Bijlage

F

behorend bij artikel 5.1

Gegevens met betrekking tot externe werknemers op te nemen in het NDRIS

  • 1.

    De gegevens over de ondernemer omvatten:

    • a.

      de naam van de ondernemer;

    • b.

      het adres van de ondernemer; en

    • c.

      een uniek NDRIS-identificatienummer van de ondernemer.

  • 2.

    De gegevens met betrekking tot de identiteit van de externe werknemer omvatten:

    • a.

      de naam van de werknemer;

    • b.

      de voornaam van de werknemer;

    • c.

      het geslacht van de werknemer;

    • d.

      de geboortedatum van de werknemer;

    • e.

      de nationaliteit van de werknemer;

    • f.

      in voorkomend geval het burgerservicenummer van de werknemer; en

    • g.

      een uniek NDRIS-identificatienummer van de werknemer.

  • 3.

    Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.

  • 4.

    De gegevens met betrekking tot de blootstelling van de externe werknemer omvatten:

    • a.

      de resultaten van de individuele dosismonitoring, bedoeld in artikel 7.16 van het besluit;

    • b.

      de periode waarin die individuele dosismonitoring heeft plaatsgevonden; en

    • c.

      in voorkomend geval de loodschortcorrectiefactor, bedoeld in artikel 5.4.