Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 16 april 2019, nr. VO/7950998, houdende regels voor onvoorziene gevallen bij invoering vereenvoudiging bekostiging VO 2018 (Regeling onvoorziene gevallen bij invoering vereenvoudiging bekostiging VO 2018)
Regeling onvoorziene gevallen bij invoering vereenvoudiging bekostiging VO 2018
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
Overgangsbepaling bekostiging scholen voor voortgezet onderwijs over periode tot 1 januari 2006
Op de bekostiging van scholen voor voortgezet onderwijs over de periode die aanvangt op het moment van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging bekostiging VO en eindigt op 1 januari 2006, blijven van toepassing de bekostigingsbepalingen van de WVO en de daarop berustende bepalingen zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging bekostiging VO.
Artikel
3
Aanpassing overgangsrecht in verband met gewijzigde inwerkingtreding wet
heeft dat artikel eveneens betrekking op de aanvullende bekostiging op grond van artikel 85a van de WVO voorzover deze bekostiging wordt uitgedrukt in formatieplaatsen, en
b.
kan het bevoegd gezag in de jaarrekening over de jaren 2005 en volgende een vordering opnemen op de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ter hoogte van de op dat moment bestaande schuld aan het personeel in verband met:
de over de maand december door het bevoegd gezag verschuldigde afdracht pensioenpremies en loonheffing verbonden aan salarisbetalingen op grond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
2
Een vordering kan slechts worden geëffectueerd indien een school op een ander moment dan 1 augustus van enig kalenderjaar wordt opgeheven zonder dat er sprake is van een samenvoeging. De op het moment van opheffing daadwerkelijk bestaande schuld aan het personeel bepaalt de hoogte van de effectuering, maar bedraagt ten hoogste 7,5% van de personele bekostiging:
a.
voorzover het betreft 2005: voor het schooljaar 2005/2006, en
b.
voor de jaren daarna: voor het voorafgaande kalenderjaar.
Op geschillen die in bezwaar, beroep of hoger beroep aanhangig zijn of binnen de bezwaar- dan wel beroepstermijn dan wel verschoonbaar daarbuiten aanhangig worden gemaakt tegen besluiten die zijn genomen door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van bekostigingsbepalingen in de WVO en daarop berustende bepalingen zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging bekostiging VO blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. De eerste volzin is hangende het bezwaar, beroep of hoger beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van besluiten die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.
Artikel
6
Inwerkingtreding en vervaldatum
1
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 augustus 2018.
2
Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2023.
Artikel
7
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling onvoorziene gevallen bij invoering vereenvoudiging bekostiging VO 2018.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,A.Slob