Artikel
1
Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
-
a.
minister: Minister van Buitenlandse Zaken;
-
b.
groep: Expertgroep bedoeld in artikel 2.
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder:
minister: Minister van Buitenlandse Zaken;
groep: Expertgroep bedoeld in artikel 2.
Er is een Expertgroep inzake politieke steun aan interstatelijk geweld en inzake humanitaire interventie.
De groep heeft tot taak zijn opinie(s) te geven over:
het geven van politieke steun door het Nederlandse kabinet aan interstatelijk geweldgebruik door andere staten zonder grondslag in het internationaal recht; en
of het Nederlandse kabinet zich moet inzetten voor internationale acceptatie van humanitaire interventie als mogelijk nieuwe rechtsgrond voor interstatelijk geweldgebruik.
Voor de duur van de groep worden tot lid van de groep benoemd:
de heer em. prof. dr. Cyrille Fijnaut, hoogleraar criminologie & strafrecht; Erasmus Universiteit Rotterdam, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Tilburg; tevens voorzitter;
de heer Kristian Fischer, MSc, MA, directeur Danish Institute for International Studies;
de heer prof. dr. Terry Gill, hoogleraar militair recht, Universiteit van Amsterdam & Nederlandse Defensieacademie;
mevrouw prof. dr. Larissa van den Herik, hoogleraar internationaal publiekrecht, Universiteit Leiden;
de heer prof. dr. Martii Koskeniemmi, hoogleraar internationaal recht, Universiteit Helsinki;
de heer prof. dr. Claus Kreß, hoogleraar internationaal recht, Universiteit Keulen;
de heer drs. Robert Serry, voormalig ambassadeur; voormalig VN-gezant;
mevrouw drs. Monika Sie Dhian Ho, directeur Instituut Clingendael;
mevrouw prof. Elizabeth Wilmshurst, distinguished fellow, International Law Programme, Chatham House;
de heer prof. dr. Rob de Wijk, hoogleraar internationale betrekkingen & veiligheid, Universiteit Leiden; directeur The Hague Centre for Strategic Studies.
Aan de voorzitter wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18, trede 10, van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en de arbeidsduurfactor op 16/36.
Aan de andere leden wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 18, trede 10, van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en de arbeidsduurfactor op 3/36.
Aan de secretaris wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 13, trede 10, van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en de arbeidsduurfactor op 16/36.
Aan de adjunct-secretaris wordt een vaste vergoeding per maand toegekend, waarbij de salarisschaal wordt vastgesteld op schaal 12, trede 10, van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en de arbeidsduurfactor op 16/36.
De kosten van de groep komen – voor zover op basis van een goedgekeurde raming – voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:
de vergoedingen voor de voorzitter, de leden en de (adjunct-) secretaris;
de onkosten voor de voorzitter, de leden en de (adjunct-) secretaris;
kosten verbonden aan een driedaagse bijeenkomst van de groep in Nederland;
de kosten verbonden aan werkzaamheden van en overleg tussen de voorzitter en de (adjunct-) secretaris;
de kosten voor oplevering van het eindrapport.
Verplichtingen ten behoeve van het functioneren van het panel worden aangegaan door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De voorzitter of de (adjunct-) secretaris kunnen aangeven welke verplichtingen moeten worden aangegaan. Bij beoogde verplichtingen dienen de voorzitter en/of (adjunct-) secretaris steeds uit te gaan van de goedgekeurde raming. Bestedingen buiten het bestek van de goedgekeurde raming zijn voorwerp van overleg tussen de voorzitter en/of (adjunct-) secretaris en het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bijeenkomsten van de voltallige groep vinden plaats op een locatie buiten het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
De (adjunct-) secretaris draagt binnen vier weken na het uitbrengen van het eindrapport – of zoveel eerder als de omstandigheden daartoe aanleiding geven – alle bescheiden betreffende de werkzaamheden van de groep over aan de Directie Veiligheidsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Dit besluit vervalt met ingang van 31 januari 2020 dan wel indien toepassing is gegeven aan artikel 11, tweede lid en derde lid, uiterlijk vier weken nadat het eindrapport van de groep is uitgebracht.