Artikel
1
Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Onze Minister kan op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering verstrekken aan gemeenten voor activiteiten die tot doel hebben om de CO2-uitstoot te verlagen door reductie van energiegebruik in woningen in particulier eigendom die niet zijn bedoeld voor verhuur.
De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, omvatten of zijn ondersteunend aan:
het energiezuinig laten inregelen van verwarmingssystemen en radiatoren door de particuliere eigenaar van een woning; en
het geven van advies over en stimuleren van andere energiebesparende maatregelen die een particuliere eigenaar van een woning kan uitvoeren of kan laten uitvoeren.
Een specifieke uitkering bedraagt ten hoogste:
€ 9.000.000; en
€ 90 maal het aantal woningen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b.
Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend vanaf 9 oktober tot en met 14 november 2019.
Een aanvraag bevat ten minste:
een omschrijving van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd en de wijze waarop de activiteiten bijdragen aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
het beoogde aantal woningen waarvoor voorlichting over energiebesparing wordt gegeven of waar energiebesparende maatregelen worden getroffen;
een omschrijving van de wijze waarop de activiteiten uitgevoerd worden en welke partijen daarbij betrokken zijn;
een begroting; en
de verwachte begin- en einddatum van de activiteiten.
Een aanvraag voor een specifieke uitkering wordt afgewezen, indien:
de activiteiten in de aanvraag niet vallen onder de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid;
de activiteiten in de aanvraag niet tot doel hebben het energiegebruik in minimaal 1.000 woningen te verminderen;
de aanvraag minder dan 60 punten scoort bij de beoordeling op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage I;
niet aannemelijk is dat de activiteiten in de aanvraag voor 1 januari 2021 zijn afgerond; of
de aanvraag onvoldoende informatie bevat om te beoordelen op basis van de beoordelingscriteria, genoemd in bijlage I.
De gemeente informeert Onze Minister op verzoek over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt.
Onze Minister rangschikt de aanvragen door het toekennen van punten aan de hand van de weging van de beoordelingscriteria, bedoeld in bijlage I.
Onze Minister kan bij het beoordelen advies vragen van een externe adviescommissie als het totaal aan aanvragen het uitkeringsplafond, bedoeld in artikel 3, tweede lid, overschrijdt.
Onze Minister kan het restant van een specifieke uitkering terugvorderen, als de specifieke uitkering niet of niet geheel is besteed voor 31 december 2021.
Onze Minister kan, in overleg met de ontvanger van de specifieke uitkering, afzien van terugvordering als het restant door de ontvanger kan worden besteed aan activiteiten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, na 31 december 2021.
De in een beschikking, gegeven op grond van deze regeling, opgenomen uiterste datum voor het uitvoeren van de activiteiten, bedoeld in artikel 2, wordt gelezen als ‘31 december 2021’.
De bijlage bij de jaarrekening over het jaar waarvoor uitkering wordt verstrekt, bevat de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
Als uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig is besteed aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt, of onrechtmatig is besteed, wordt de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door Onze Minister teruggevorderd. Onze Minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan de ontvanger van de specifieke uitkering.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
|
De uitwerking van de aanpak en methodiek van het programma dat moet leiden tot verlaging van het energiegebruik. |
25 |
|
De uitvoerbaarheid van de activiteiten binnen de gestelde looptijd. |
25 |
|
De mate waarin wordt samengewerkt met bedrijven en maatschappelijke partijen die ervaring hebben met het uitvoeren van energiebesparende maatregelen of het geven van voorlichting over energiebesparende maatregelen. |
25 |
|
De mate waarin de activiteiten zijn ingebed in het beleid van de gemeente. |
25 |
|
Totaal |
100 punten |