Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 15 mei 2020, nr. 2020-0000027462, houdende nadere regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Regeling Woningbouwimpuls 2020)

Regeling Woningbouwimpuls 2020

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Besluit:

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel

2

Nadere regels inzake de activiteiten waarvoor een uitkering kan worden verstrekt

Artikel

3

Uitkeringsplafond

In totaal is ten hoogste € 985.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen.

Artikel

4

De aanvraag

Artikel

6

Rangschikking van aanvragen

Artikel

7

Weigeringsgronden

Artikel

8

Leden van de commissie

Artikel

9

Ondersteuning van de commissie

Artikel

10

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit woningbouwimpuls 2020 in werking treedt. Indien aan het besluit terugwerkende kracht wordt verleend, werkt deze regeling terug tot het tijdstip waarop het besluit terugwerkt.

Artikel

11

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Woningbouwimpuls 2020.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

Bijlage

1

behorende bij artikel 5 van de Regeling Woningbouwimpuls 2020

Beoordelingscriteria en weging

1

Noodzakelijkheid uitkering

In dit criterium wordt de noodzaak van de gevraagde uitkering gewogen. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:

  • Realiteitsgehalte financieel tekort; er is sprake van een realistisch financieel tekort, deze is voldoende onderbouwd en is kwalitatief en financieel geoptimaliseerd binnen de randvoorwaarden van het project. Ook zijn de opgevoerde activiteiten toerekenbaar aan, en de kosten proportioneel voor het project.

  • Gevolgen niet verlenen uitkering; de ernst van de gevolgen voor het project als de uitkering niet wordt toegekend. De gevolgen van het niet toekennen van een uitkering kunnen zijn dat het project geheel of gedeeltelijk niet doorgaat. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen voor:

    • woningbouwprogramma; aantal woningen en het aandeel betaalbare woningen dat zonder uitkering niet of later gerealiseerd kan worden.

    • leefomgeving; kwalitatieve doelen van het project die niet gehaald worden zonder uitkering, zoals aanpassing van het ruimtelijk ontwerp of stedenbouwkundige consequenties.

    • koppelkansen: mislopen van koppelkansen met andere doelstellingen van het Rijk zoals bestaande verstedelijkingsstrategieën, samenloop met het MIRT, het Interbestuurlijk programma, woondeals en Nationale woonagenda.

  • Regionaal belang; de realisatie van het project is van belang voor de regionale woningbouwopgave. Dit kan blijken uit gemaakte regionale afspraken, zoals uit de woondeals, of op basis van gemaakte afspraken rondom de regionale woningbouwprogrammering.

2

Effectiviteit project

Op basis van dit criterium wordt gewogen in welke mate een project voldoet aan de doelen van de woningbouwimpuls. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:

  • Kwantiteit en kwaliteit van de woningen; het absolute aantal en relatieve aandeel betaalbare woningen binnen het project, kwalitatieve aspecten van de woning zoals de omvang en instrumenten die zijn ingezet om de woningen langjarig betaalbaar te houden.

  • Hardheid van de plannen; status van het proces en de nog door te lopen planologische procedures rond het project, de mate van zekerheid dat het project bij een positief besluit doorgaat, op tijd start en voldoende snel wordt gerealiseerd.

  • Kwaliteit van de leefomgeving; ruimtelijke kwaliteit van het project, zoals adequate mix van functies (wonen, werken, voorzieningen), het mobiliteitsprofiel, een adequaat en toekomstbestendig ruimtelijk ontwerp van het plan bijvoorbeeld op het gebied van bereikbaarheid als klimaatadaptatie.

3

Efficiëntie project

Op basis van dit hoofdcriterium wordt gewogen in welke mate er sprake is van een gerichte en optimale inzet van financiële middelen. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:

  • Proportionaliteit van de gevraagde uitkering; de gevraagde uitkering is in verhouding met het aantal woningen. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de gemiddelde bijdrage van de woningbouwimpuls (voor publieke activiteiten binnen een project) per te realiseren woning en de verhouding tussen de gevraagde uitkering en substantiële bijdragen van de betrokken partijen.

  • Indirecte effecten; de investeringen die binnen het project gedaan worden kunnen ook profijt opleveren voor andere woningbouwprojecten.

4

Urgentie

Dit hoofdcriterium onderscheidt zich van de andere drie hoofdcriteria omdat de score op dit criterium vaststaat en niet afzonderlijk beoordeeld hoeft te worden door de commissie. De score wordt wel meegenomen bij het bepalen van de totaalscore door de toetsingscommissie.

Het hoofdcriterium urgentie betreft de omvang van de woningbouwopgave in de regio waar de aanvragende gemeente is gelegen. In artikel 7, derde lid, is beschreven hoe de woningbouwopgave wordt bepaald. Er worden drie klassen onderscheiden in urgentie:

  • de gemeente ligt in een regio met een hoge woningbouwopgave: 8 punten,

  • de gemeente ligt in een regio met een gemiddelde woningbouwopgave: 4 punten,

  • de gemeente ligt in een regio met een lage woningbouwopgave: 2 punten.

Gemeenten met een woondeal krijgen 2 extra punten. De maximale score voor urgentie is 10 punten.

Schematische weergave beoordelingskader

De totaalscore van een aanvraag wordt als volgt bepaald: elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. De totaalscore van een aanvraag is: deelscore noodzaak*0,25 + deelscore effectiviteit*0,25 + deelscore efficiëntie*0,25 + deelscore urgentie*0,25.

Subcriterium 1

Realiteitsgehalte tekort

Kwantiteit en kwaliteit woningen

Proportionaliteit van de gevraagde bijdrage

Omvang woningbouwopgave

Indicatoren

1. Omvang financieel tekort.

2. Onderbouwing kosten activiteiten en omvang financieel tekort.

3. Aantonen dat alle mogelijkheden tot verhaal zijn uitgeput.

4. De mate waarin het project kwalitatief en financieel is geoptimaliseerd binnen de randvoorwaarden.

1. Het aantal betaalbare woningen uitgedrukt als % van het totale woningbouwprogramma.

2. Maatregelen die getroffen zijn om de betaalbare woningen voor langere termijn betaalbaar te houden.

3. Doelgroepen die met het woningbouwprogramma bediend worden.

4. Eisen aan het oppervlak van woningen.

1. Gevraagde bijdrage per woning

2. Gevraagde bijdrage per betaalbare woning

3. Gevraagde bijdrage als % van het financiële tekort.

4. Het financieel tekort als % van de totale investeringskosten.

1. De absolute omvang van de regionale woningbouwopgave

Subcriterium 2

Gevolg niet verlenen bijdrage

Hardheid: zekerheid tijdig realiseren van woningen

Indirecte effecten

Woondeal

Indicatoren

1. Omvang woningproductie bij geen bijdrage als % van productie bij wel bijdrage.

2. Het aandeel betaalbare woningen bij geen bijdrage als % van het aandeel betaalbare woningen bij wel bijdrage.

3. Vertraging in start bouw in maanden bij geen bijdrage.

4. Overige consequenties (op de kwaliteit van de leefomgeving, koppelkansen).

1. Planologische status project.

2. conformiteit met provinciaal beleid (indien van toepassing).

3. Stand van zaken rond consultatie, selectie en/of overeenkomsten met (markt)partijen.

4. Moment van start bouw.

5. Tempo realisatie uitgedrukt als gewogen gemiddelde oplever- of start bouw moment.

6. Aantonen van voldoende garanties voor het tijdig realiseren van de activiteiten waarvoor bijdrage gevraagd wordt.

7. Aantonen van voldoende hardheid financiële bijdragen aan het tekort.

1. De mate waarin de opgevoerde activiteiten bijdragen aan het realiseren van woningen buiten het project.

1. De gemeente heeft wel/geen woondeal.

Subcriterium 3

Regionaal belang

Kwaliteit van de leefomgeving

niet van toepassing

Niet van toepassing

Indicatoren

1. Onderbouwing van het regionaal belang van het project.

1. De kwaliteit van het ruimtelijk ontwerp inclusief het mobiliteitsprofiel.

2. Aandeel categorieën bebouwing (wonen, werken, voorzieningen) in % van de gerealiseerde m2 gbo.