-
a.
Onze Ministers, de Staatssecretarissen, de Vice-President van de Raad van State en de Voorzitters der beide Kamers der Staten-Generaal;
-
b.
de leden van de Hoge Colleges van Staat, voorzover zij in de open lucht moeten vertoeven voor het bijwonen van vergaderingen, te houden overeenkomstig de daaromtrent met betrekking tot die Colleges geldende voorschriften;
-
c.
Onze Commissarissen in de provinciën, de burgemeesters en de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven, fungerend Directeuren van Politie;
-
d.
de Directeur van het Kabinet der Koningin;
-
e.
de niet reeds onder c genoemde leden van de rechterlijke macht, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven;
-
f.
in uniform geklede militairen;
-
g.
personeel van de politie, de brandweer, de douane en de bescherming van de bevolking, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven;
-
h.
bedienaren van de godsdienst, artsen, vroedvrouwen en notarissen, voor zover het verblijf van voornoemde personen in de open lucht gedurende de bij het verbod vastgestelde uren noodzakelijk is ter vervulling van een plicht, welke uit hun ambt of beroep voortvloeit;
-
i.
in uniform gekleed personeel van het Rode Kruis;
-
j.
hen die in geval van ziekte, zwangerschap of ongeval de hulp trachten te vinden, welke in de omstandigheden onmiddellijk is vereist.