BESLUIT van 25 November 1953, houdende regelen ter uitvoering van artikel 13, vierde lid, van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag

Besluit ex art. 13, vierde lid, Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag

WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 28 Juli 1953, No. U 3496, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken);
De Raad van State gehoord (advies van 1 September 1953, No. 15a);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie van 13 October 1953, No. 3802, Afdeling Openbare Orde en Veiligheid (Bureau Algemene en Juridische Zaken);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan, met inachtneming van de voorschriften van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, bepalen, dat het vertoeven in de open lucht hetzij in het gehele Rijk, hetzij in een aaneengesloten gebied hetwelk grondgebied van meer dan één provincie omvat, gedurende door hem aan te geven gedeelten van een etmaal verboden is.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 kan worden gegeven voor een bepaalde of een onbepaalde periode.

Artikel

5

Een verbod als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3 geldt niet ten aanzien van:

  • a.

    Onze Ministers, de Staatssecretarissen, de Vice-President van de Raad van State en de Voorzitters der beide Kamers der Staten-Generaal;

  • b.

    de leden van de Hoge Colleges van Staat, voorzover zij in de open lucht moeten vertoeven voor het bijwonen van vergaderingen, te houden overeenkomstig de daaromtrent met betrekking tot die Colleges geldende voorschriften;

  • c.

    Onze Commissarissen in de provinciën, de burgemeesters en de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven, fungerend Directeuren van Politie;

  • d.

    de Directeur van het Kabinet der Koningin;

  • e.

    de niet reeds onder c genoemde leden van de rechterlijke macht, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven;

  • f.

    in uniform geklede militairen;

  • g.

    personeel van de politie, de brandweer, de douane en de bescherming van de bevolking, voor zover zij voor de uitoefening van hun functie in de open lucht moeten vertoeven;

  • h.

    bedienaren van de godsdienst, artsen, vroedvrouwen en notarissen, voor zover het verblijf van voornoemde personen in de open lucht gedurende de bij het verbod vastgestelde uren noodzakelijk is ter vervulling van een plicht, welke uit hun ambt of beroep voortvloeit;

  • i.

    in uniform gekleed personeel van het Rode Kruis;

  • j.

    hen die in geval van ziekte, zwangerschap of ongeval de hulp trachten te vinden, welke in de omstandigheden onmiddellijk is vereist.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

’s-Gravenhage
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken, BEEL
De Minister van Justitie, L. A. DONKER
De Minister van Justitie L. A. DONKER