Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 20 september 2021, nr. IENW/BSK-2021/235541, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 2, zesde lid, en 3, derde lid, van
Verordening (EU) 2021/267 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot vaststelling van specifieke en tijdelijke maatregelen naar aanleiding van de COVID-19-crisis in verband met de vernieuwing of verlenging van bepaalde certificaten, getuigschriften en vergunningen, het uitstel van bepaalde periodieke controles en periodieke opleidingen op bepaalde gebieden van de vervoerswetgeving, en de verlenging van bepaalde in
Verordening (EU) 2020/698 bedoelde perioden (PbEU 2021, L 60), en de
artikelen 111, eerste lid, aanhef en onderdeel b,
122,
126, vijfde lid, en
151d, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 29 september 2021, no. W17.21.0288/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 6 oktober 2021, nr. IenW/BSK-2021/264470, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;