Artikel
1
Mandaat
1
Aan de bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkzame secretaris-generaal, directeuren van bedrijfsvoeringsdirecties en uitvoeringsorganisaties en hoofden van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland alsmede hun plaatsvervangers wordt mandaat verleend voor het verrichten van rechtshandelingen en overige handelingen die verband houden met de overeenkomstige toepassing van de Aanvullende CAO Rijk Uitzendingen 2020 (ACRU) op ambtenaren van Defensie die zijn uitgezonden naar een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland inclusief het behandelen van een daarmee verband houdend bezwaar of beroep.
2
De in het eerste lid bedoelde functionarissen kunnen schriftelijk besluiten dat onder hen ressorterende functionarissen mede bevoegd zijn uitvoering te geven aan de in het eerste lid bedoelde mandaat.
3
De in het eerste en tweede lid bedoelde functionarissen oefenen hun in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden uit met inachtneming van de ter zake:
-
a.
door of namens de Minister van Defensie en de Minister van Buitenlandse Zaken gemaakte afspraken en
-
b.
door of namens de Minister van Buitenlandse Zaken gegeven instructies.