Regeling van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen Van 22 april 2022, nr. 2022-0000100140, houdende regels over de besteding van financiële middelen uit het Europees Sociaal Fonds Subsidieregeling ESF+ 2021–2027)

Subsidieregeling ESF+ 2021–2027

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen,
Gelet op Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (PbEU 2021, L 231) en de artikelen 3, eerste en vierde lid, vijf en acht, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemeen deel

Artikel

1.1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • arbeidsbelemmerde: Persoon die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Participatiewet en naar het oordeel van dat college een lichamelijke, verstandelijke, psychische of psychosociale beperking heeft;

  • arbeidsmigrant: vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000, als werknemer, zelfstandige, werkzoekende of echtgenoot dan wel partner als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, onderdeel b, of vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

  • arbeidsorganisatie: onderneming als bedoeld in artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007, waarin door werknemers arbeid wordt verricht;

  • basisvaardigheden: vaardigheden die de noodzakelijke basis vormen voor het leerproces, bedoeld in de ‘Aanbeveling van de Raad van 22 mei 2018, inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren’ (2018/C 189/01) en waaronder in elk geval taalvaardigheden, rekenvaardigheden, digitale vaardigheden en financiële vaardigheden vallen;

  • Bbz 2204: Besluit bijstandverlening zelfstandigen;

  • begeleidende maatregel: activiteit ter aanvulling van de verdeling van voedselhulp of materiële basishulp die tot doel heeft sociale uitsluiting tegen te gaan en bij te dragen tot de uitbanning van armoede;

  • beroepsvaardigheden: noodzakelijke vaardigheden gericht op het bijhouden of vergroten van vakkennis of het aanleren van extra vaardigheden voor het uitvoeren van een vak of het verwerven of versterken van de nodige beroepsvaardigheden, niet zijnde bedrijfsspecifieke opleidingen, waaronder begrepen cursussen of trainingen. Beroepsvaardigheden leiden tot een branchecertificaat uitgegeven door een door de branche erkende organisatie en die worden gegeven door opleiders, opleidingsinstituten of trainingsbureaus;

  • brancheorganisatie: organisatie die belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

  • brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten, inclusief ploegentoeslag of inconveniëntentoeslag, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO;

  • CAO: collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;

  • centrumgemeente: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gorinchem, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Roermond, Rotterdam, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zoetermeer of Zwolle;

  • directe kosten: kosten die rechtstreeks samenhangen met de uitvoering van de actie of het project, waarbij het rechtstreekse verband met deze actie of dit project kan worden aangetoond;

  • directe loonkosten: loonkosten van personeel, waarbij sprake is van direct aan het project toewijsbaar bestede uren;

  • EVC: Erkenning Verworven Competenties;

  • EVC-aanbieder: organisatie die een EVC-procedure uitvoert aan de hand van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard en voor de EVC-standaard is geregistreerd in het register van het Nationaal Kenniscentrum EVC;

  • EVC-procedure: geheel van processtappen en instrumenten waarmee een EVC-aanbieder eerder of elders verworven competenties van een kandidaat beoordeelt ten opzichte van een voor EVC erkende onderwijs-, beroeps- of branchestandaard, en waarbij de uitkomsten worden vastgelegd in een ervaringscertificaat;

  • externe kosten: kosten die in rekening gebracht worden door derden voor het leveren van diensten of producten die aan het project zijn toe te wijzen;

  • indirecte kosten: kosten die niet rechtstreeks verband houden of kunnen houden met de uitvoering van de actie of het project;

  • intakegesprek: een gesprek als bedoeld in artikel 2E.11, tweede lid;

  • IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • jongere: persoon jonger dan 28 jaar;

  • kennisinstelling:

    • a.

      instelling voor hoger onderwijs, genoemd in de onderdelen a, b, g of h van de bijlage, behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de bijlage behorende bij die wet;

    • b.

      andere dan in onderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • c.

      geheel of gedeeltelijk meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • 1°.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis, gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel a;

      • 2°.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • d.

      onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld in onderdelen a tot en met c;

  • KvK-nummer: uniek nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007;

  • loonverletkosten: loonkosten voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever;

  • maatschappelijke organisatie: organisatie zonder winstoogmerk die een sociaal of maatschappelijk doel nastreeft;

  • materiële basishulp: beschikbaar stellen van goederen om te voldoen aan de basisbehoeften voor een waardig leven, zoals kleding, toiletartikelen, met inbegrip van producten voor vrouwelijke hygiëne, en schoolbenodigdheden;

  • meerwerk: werk waarbij een parttime werknemer meer dan zijn contracturen werkt, maar niet meer dan de normale arbeidsduur die in de organisatie geldt;

  • meest behoeftige personen: natuurlijke personen, zijnde individuen, gezinnen, huishoudens of groepen van personen, met inbegrip van kinderen in kwetsbare situaties en daklozen, van wie de financiële middelen niet toereikend zijn om in eigen levensonderhoud en dat van eventuele gezinsleden te kunnen voorzien en van wie de behoefte aan hulp aan de hand van objectieve criteria door de subsidieontvanger is vastgesteld;

  • Minister: Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen;

  • NCP: Nationaal Contactpunt;

  • niet-uitkeringsgerechtigde: persoon die jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd en die geen recht op heeft op arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of een uitkering op grond van de Participatiewet, de Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de Algemene nabestaandenwet dan wel een uitkering op grond van een regeling, die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;

  • NLQF: Nederlands kwalificatieraamwerk;

  • normale arbeidsduur: arbeidsduur die in de regel, dan wel bij voor de sector waarin de persoon werkzaam is geldende CAO, een volledige dienstbetrekking vormt;

  • Oekraïense ontheemde: vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van tijdelijke bescherming als bedoeld in artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 en die deze tijdelijke bescherming ontleent aan Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L71), of een verlenging daarvan;

  • onregelmatigheidstoeslag: een toeslag op het brutoloon dat de werknemer ontvangt wanneer de werknemer een dienst werkt buiten de gangbare werkdagen en (kantoor)tijden. Dit betekent dat er een hoger bruto uurloon wordt ontvangen voor het werk tijdens onregelmatige uren. Dit geldt bijvoorbeeld voor diensten op zaterdag, zon- en feestdagen of avond- en nachtdiensten. Werken in de vroege ochtend wordt ook als onregelmatige arbeidstijd beschouwd;

  • Opleidings- en ontwikkelingsfonds (verder te noemen: O&O-fonds): organisatie als bedoeld in artikel 2E.6;

  • opleidingsvoucher: aanspraak om een opleiding te volgen waarvan de kosten, al dan niet gedeeltelijk, voor rekening van de verstrekker komen;

  • overwerk: werk waarbij de werknemer meer uren werkt, waardoor de normale arbeidsduur wordt overschreden;

  • plaatsingssubsidie: subsidie verstrekt aan een werkgever die met een persoon, als bedoeld in artikel 2B.3, een arbeidsovereenkomst sluit, een leerwerkovereenkomst of een stageovereenkomst met een looptijd van tenminste drie maanden, niet zijnde een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d Participatiewet;

  • praktijkonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • Programma: Programma ESF+ Nederland 2021–2027;

  • project: samenhangend geheel van activiteiten met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in artikel 1.4;

  • projectperiode: periode tussen het tijdstip waarop activiteiten starten en worden beëindigd;

  • sector: arbeidsorganisaties die actief zijn in dezelfde branche;

  • sociale inclusie: het bieden van hulp om gelijkwaardig te kunnen participeren in de maatschappij;

  • sociale innovatie: het ontwerp en de implementatie van nieuwe oplossingen die conceptuele, proces-, product-, of organisatorische veranderingen teweegbrengen en uiteindelijk gericht zijn op het verbeteren van het welzijn van individuen en gemeenschappen;

  • statushouder: vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onderdelen c of d, van de Vreemdelingenwet 2000;

  • subproject: op zichzelf staand onderdeel van een project;

  • subsidieaanvrager: aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

  • subsidieontvanger: subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;

  • Verordening (EU) nr. 2021/1057: Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (PbEU 2021, L 231);

  • Verordening (EU) nr. 2021/1060: Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);

  • voedselhulp: het beschikbaar stellen van voedsel aan meest behoeftige personen;

  • voortgezet speciaal onderwijs: voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

  • Wajong-uitkering: uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

  • WAO-uitkering: uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  • werkgeversorganisatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die partij is bij een op het moment van de subsidieaanvraag geldende CAO, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende CAO of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een aangewezen algemeen erkende centrale of andere representatieve organisatie van ondernemers als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet op de Sociaal-Economische Raad;

  • werknemersorganisatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die partij is bij een op het moment van de subsidieaanvraag geldende CAO of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende CAO of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling;

  • WIA-uitkering: uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

  • ZW-uitkering: uitkering op grond van de Ziektewet.

Artikel

1.2

Inleidende bepaling

Artikel

1.3

Aanwijzing autoriteiten

Artikel

1.4

Aard van de projecten

De Minister verleent met inachtneming van deze regeling subsidie ten behoeve van projecten voor:

  • a.

    het bevorderen van actieve inclusie voor leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2;

  • b.

    het verbeteren van de arbeidsmarktpositie voor personen in een justitiële inrichting, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2A;

  • c.

    het bevorderen van de toegang tot werk in de arbeidsmarktregio’s, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2B;

  • d.

    het verlenen van voedselhulp, materiele basishulp en begeleidende maatregelen voor de meest behoeftigen, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2C;

  • e.

    het bevorderen van sociale inclusie, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2D;

  • f.

    het ondersteunen van personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2E;

  • g.

    het beschikbaar stellen van middelen voor innovatieve activiteiten ten behoeve van het bevorderen van gendergelijkheid binnen arbeidsorganisaties, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2f;

  • h.

    het beschikbaar stellen van middelen voor sociale innovatie ten behoeve van het bereiken en activeren van arbeidsorganisaties om hun beleid op het gebied van gelijke kansen, diversiteit en inclusie te bevorderen en om regionale kennisdeling omtrent deze thema’s te faciliteren, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2g;

  • i.

    het beschikbaar stellen van middelen voor innovatieve activiteiten ten behoeve van het bevorderen van de arbeidsmarktparticipatie en sociale inclusie van statushouders, Oekraïense ontheemden en arbeidsmigranten, nader uitgewerkt in hoofdstuk 2h.

Artikel

1.5

Subsidieaanvrager

Artikel

1.6

De subsidieaanvraag

Artikel

1.7

Rangschikking

Artikel

1.8

Subsidieverlening

Artikel

1.9

Weigering van de subsidie

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wijst de Minister een aanvraag tot verlening van subsidie geheel of gedeeltelijk af, indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • c.

    onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • d.

    onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

  • e.

    onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden of realiseren;

  • f.

    onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • g.

    onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten of subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;

  • h.

    de kosten reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van een Europese subsidie;

  • i.

    dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van een nationale subsidieprogramma worden gefinancierd, zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;

  • j.

    onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager beschikt over operationele of financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

  • k.

    anderszins op grond van eerdere subsidieverlening voor vergelijkbare activiteiten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren of aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen.

Artikel

1.10

Hoogte van de subsidie

Artikel

1.11

Subsidiabele kosten

Artikel

1.12

Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

  • a.

    onredelijke of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • b.

    kosten van het project die niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;

  • c.

    loonkosten van een persoon die werkzaam is in een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening;

  • d.

    kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot verlening;

  • e.

    kosten die reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van een Europees subsidieprogramma;

  • f.

    kosten die reeds uit hoofde van een nationaal subsidieprogramma worden gefinancierd, zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;

  • g.

    in rekening gebrachte BTW.

Artikel

1.13

Administratievoorschriften

Artikel

1.14

Beschikbaarheid van bescheiden

Artikel

1.15

Rapportageverplichtingen

Artikel

1.16

Einddeclaratie en subsidievaststelling

Artikel

1.16a

Tussentijdse declaratie

Artikel

1.17

Publiciteit

Artikel

1.18

Openbaar maken subsidiedossier

Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieontvanger er mee in dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar kan worden gemaakt.

Artikel

1.19

Intrekking en terugvordering

Hoofdstuk

2

Subsidie voor regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs

Artikel

2.1

Subsidieaanvrager

De subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door het college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente.

Artikel

2.2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk dat betrekking heeft op een regio-aanvraag leerlingen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, worden ingediend in het aanvraagtijdvak van:

  • a.

    16 mei 2022, 09.00 uur, tot en met 1 juli 2022, 17.00 uur, voor de projectperiode van 1 augustus 2022 tot en met 31 juli 2023;

  • b.

    1 mei 2023, 09.00 uur, tot en met 30 juni 2023, 17.00 uur, voor de projectperiode van 1 augustus 2023 tot en met 31 juli 2025;

  • c.

    1 mei 2025, 09.00 uur, tot en met 30 juni 2025, 17.00 uur, voor de projectperiode van 1 augustus 2025 tot en met 31 juli 2028.

Artikel

2.4

Doel en doelgroep

Artikel

2.5

De aanvraag

Artikel

2.6

Subsidiabele activiteiten & kosten

Artikel

2.7

Bevoorschotting

Artikel

2.8

Maximum subsidie per subsidieaanvrager

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van dit hoofdstuk is per centrumgemeente vastgelegd:

Hoofdstuk

2a

Minister van Justitie en Veiligheid

Artikel

2a.1

Subsidieaanvrager

De Minister van Justitie en Veiligheid kan subsidie aanvragen voor een project in het kader van dit hoofdstuk.

Artikel

2a.2

Aanvraagtijdvak

De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend in het aanvraagtijdvak van 31 oktober 2022, 9.00 uur tot en met 25 november 2022, 17.00 uur.

Artikel

2a.3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidies op grond van dit hoofdstuk is € 20.687.889.

Artikel

2a.4

Doel en doelgroep

Artikel

2a.5

Specifieke eisen

Artikel

2a.6

Subsidiabele activiteiten

Artikel

2a.7

Voortgangsrapportage

Vervallen

Artikel

2a.8

Voorschot

Artikel

2a.9

Declaratie

Hoofdstuk

2b

Arbeidsmarktregio’s

Artikel

2b.1

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden ingediend in het aanvraagtijdvak van:

Artikel

2b.3

Doel en doelgroepen

Artikel

2b.4

De aanvraag

Artikel

2b.5

Projectperiode

Artikel

2b.6

Specifieke eisen

Artikel

2b.7

Subsidiabele activiteiten

Artikel

2b.8

Subsidiabele kosten

Naast de kosten, genoemd in artikel 1.11, zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • a.

    plaatsingssubsidies, waarbij in het geval van een loonkostensubsidie maximaal het daadwerkelijk betaalde brutoloon vermeerderd met een opslag van 37,5% van het brutoloon subsidiabel is;

  • b.

    een opslag van 40% op de directe loonkosten, bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, onderdeel b, ter dekking van de overige subsidiabele kosten wanneer deze kosten worden verantwoord in een subproject en wanneer deze kostensoort de enige kosten zijn in het subproject.

Artikel

2b.9

Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12, zijn de kosten samenhangend met de directe loonkosten voor projectcoördinatie en -administratie of de externe kosten voor projectcoördinatie en -administratie niet subsidiabel.

Artikel

2b.10

Voortgangsrapportage

Artikel

2b.11

Bevoorschotting

Artikel

2b.12

Maximale subsidiebedrag per subsidieaanvrager

Hoofdstuk

2c

Voedselhulp en materiële basishulp

Artikel

2c.1

Subsidieaanvrager

De subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door een rechtspersoon zonder winstoogmerk.

Artikel

2c.2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden ingediend in het aanvraagtijdvak van 3 oktober 2022, 09.00 uur, tot en met 18 november 2022, 17.00 uur.

Artikel

2c.3

Subsidieplafond

Het beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 2C.2, bedraagt € 15.803.219.

Artikel

2c.4

Doel en doelgroepen subsidie

Artikel

2c.5

Eén begunstigde en hoogte van de subsidie

Artikel

2c.6

De subsidieaanvraag

Artikel

2c.7

Weigeringsgronden

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt, in aanvulling op artikel 1.9, in zijn geheel geweigerd, indien de aanvraag niet alle onderwerpen zoals opgesomd in artikel 2C.6 bevat.

Artikel

2c.8

Selectiecriteria voor subsidieverlening

Artikel

2c.9

Subsidiabele activiteiten

De volgende activiteiten komen voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    het verlenen van voedselhulp;

  • b.

    het verlenen van materiële basishulp;

  • c.

    het aanreiken van begeleidende maatregelen voor sociale inclusie.

Artikel

2c.10

Subsidiabele kosten

Artikel

2c.11

Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de debetrente;

  • b.

    de aankoop van infrastructuur;

  • c.

    de kosten voor tweedehandsgoederen.

Artikel

2c.12

Bevoorschotting

Artikel

2c.13

Voortgangsrapportage en vereiste einddeclaratie

Hoofdstuk

2d

Sociale inclusie

Artikel

2d.1

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden ingediend in het aanvraagtijdvak van:

  • a.

    3 april 2023, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2023, 17.00 uur, voor de projectperiode, bedoeld in artikel 2d.6, onderdeel a;

  • b.

    1 april 2025, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2025, 17.00 uur, voor de projectperiode, bedoeld in artikel 2d.6, onderdeel b.

Artikel

2d.3

Doel van het project

Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel het bevorderen van sociale inclusie, door mogelijkheden tot maatschappelijke participatie te vergroten op het gebied van:

  • a.

    wonen;

  • b.

    financiën;

  • c.

    digitale basisvaardigheden;

  • d.

    lichamelijke gezondheid;

  • e.

    psychische gezondheid;

  • f.

    taal en cultuur;

  • g.

    zorg.

Artikel

2d.4

Doelgroep

Een project in het kader van dit hoofdstuk is gericht op personen die op het moment van hun start van deelneming aan een project behoren tot één of meer van de volgende doelgroepen:

Artikel

2d.5

De aanvraag

Artikel

2d.6

Projectperiode

Artikel

2d.7

Specifieke eisen

Artikel

2d.8

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen enkel activiteiten in aanmerking die de doelgroep, bedoeld in artikel 2D.4, ondersteunen door hen mogelijkheden te geven en hindernissen weg te nemen voor sociale inclusie als bedoeld in artikel 2D.3.

Artikel

2d.9

Subsidiabele kosten

Artikel

2d.10

Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12 zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

  • a.

    kosten samenhangend met de directe loonkosten voor projectcoördinatie, en administratie;

  • b.

    externe kosten voor projectcoördinatie en -administratie; en

  • c.

    kosten van door gemeenten ingeschakelde medewerkers waarvoor kosten voor dezelfde periode zijn gedeclareerd binnen een project als bedoeld in hoofdstuk 2B.

Artikel

2d.11

Voortgangsrapportage

Artikel

2d.12

Bevoorschotting

Artikel

2d.13

Maximale subsidiebedrag per subsidieaanvrager

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van dit hoofdstuk is per centrumgemeente vastgelegd:

Artikel

2d.14

Wijzigingen

Indien er omstandigheden optreden, die de voortgang, inhoud of de administratieve organisatie van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan de Minister.

Hoofdstuk

2e

Sectoren

Artikel

2e.1

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden ingediend in het aanvraagtijdvak van:

Artikel

2e.2

Subsidieplafond

Het beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie op basis van dit hoofdstuk bedraagt € 70.000.000,– per aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 2e.1.

Artikel

2e.3

Doel van het project

Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel:

  • a.

    personen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, als bedoeld in artikel 2E.4 te ondersteunen in het behouden en vinden van werk door het versterken van hun arbeidsmarktpositie;

  • b.

    werkgevers te stimuleren om werkzoekende personen uit de doelgroep, bedoeld in artikel 2E.15 in dienst te nemen.

Artikel

2e.4

Doelgroep

Een project in het kader van dit hoofdstuk is gericht op personen die tot ten minste één van de volgende categorieën behoren:

Artikel

2e.5

De aanvraag

Artikel

2e.6

O&O-fonds

Artikel

2e.7

Samenwerkingsverband

Artikel

2e.8

Projectperiode

Een project in het kader van dit hoofdstuk vindt plaats binnen een periode van maximaal 24 maanden en start op:

  • a.

    2 oktober 2023, of, indien dit later is, op de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag, voor projecten ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 2e.1, onderdeel a;

  • b.

    14 juli 2025, of, indien dit later is, op de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag, voor projecten ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 2e.1, onderdeel b.

Artikel

2e.9

Specifieke eisen

Artikel

2e.10

Subsidiabele activiteiten

Artikel

2e.11

Intake en begeleiding

Artikel

2e.12

Activiteiten scholing

Scholing basisvaardigheden en scholing beroepsvaardigheden:

  • a.

    worden aangeboden door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een andere opleider die door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkend onderwijs verzorgt dat leidt tot een diploma, certificaat of mbo-verklaring;

  • b.

    leiden tot een door het Nationaal Coördinatiepunt NLQF ingeschaalde kwalificatie, die is opgenomen in het NCP-register;

  • c.

    worden gegeven door een opleider die in het bezit is van het keurmerk van de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding; of

  • d.

    leiden tot verstrekking van een overheids-, branche- of sector-erkend certificaat.

Artikel

2e.13

Activiteiten EVC-procedure

Een EVC-procedure wordt uitgevoerd door een EVC-aanbieder, als bedoeld in artikel 1.1.

Artikel

2e.14

Subsidiabele kosten

Artikel

2e.15

Subsidie ter compensatie van loonkosten kwetsbare werknemers

Artikel

2e.16

Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.12, onderdelen a tot en met e, en g, en in afwijking van artikel 1.12, onderdeel f, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    loonverletkosten die niet zijn toe te rekenen aan scholingsactiviteiten;

  • b.

    loonverletkosten, indien tegelijkertijd gebruik wordt gemaakt van een subsidie ter compensatie van loonkosten als bedoeld in artikel 2E.15;

  • c.

    in rekening gebrachte BTW over gemaakte kosten van activiteiten binnen het project;

  • d.

    kosten voor activiteiten waarvoor al subsidie is aangevraagd of subsidie is verleend, met uitzondering van gemeentelijke of provinciale subsidies waarbij de totale financiering van de subsidiabele kosten niet meer dan 100% bedraagt;

  • e.

    kosten in het kader van technische innovatie; en

  • f.

    kosten voor activiteiten die plaatsvinden in het kader van een wettelijke verplichting.

Artikel

2e.17

Bevoorschotting

Hoofdstuk

2f

Sociale innovatie voor een meer genderevenwichtige arbeidsmarkt

Artikel

2f.1

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden ingediend in het aanvraagtijdvak van 6 mei 2024, 09.00 uur tot en met 7 juni 2024, 17.00 uur.

Artikel

2f.2

Subsidieplafond

Artikel

2f.3

Doel

Artikel

2f.4

Subsidieaanvrager

Artikel

2f.5

Samenwerkingsverband

Artikel

2f.6

Subsidieaanvraag

Artikel

2f.7

Projectperiode

Een project in het kader van dit hoofdstuk vindt plaats in de periode vanaf het moment van toekenning van de subsidie tot uiterlijk 31 december 2027.

Artikel

2f.8

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen uitsluitend activiteiten die bijdragen aan het bevorderen van het doel, bedoeld in artikel 2f.3 in aanmerking, voor zover deze gericht zijn op:

  • a.

    het genereren en verder ontwikkelen van ideeën voor de aanpak van gendergelijkheid;

  • b.

    het evalueren en eventueel toetsen van een innovatieve aanpak van gendergelijkheid;

  • c.

    het delen van kennis en ervaringen zowel tijdens de onderzoeksfase als over de resultaten; of

  • d.

    het implementeren en opschalen van een bewezen effectieve aanpak op het gebied van gendergelijkheid.

Artikel

2f.9

Selectiecriteria voor subsidieverlening

Artikel

2f.10

Hoogte van de subsidie

Artikel

2f.11

Subsidiabele kosten

Artikel

2f.12

Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.12 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;

  • b.

    kosten voor verbruiksgoederen.

Artikel

2f.13

Bevoorschotting

Artikel

2f.14

Voortgangsrapportage en einddeclaratie

Hoofdstuk

2g

Sociale innovatie ten behoeve van het bereiken en activeren van arbeidsorganisaties in de bevordering en het delen van diversiteits- en inclusiebeleid

Artikel

2g.1

Aanvraagtijdvak

Een subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend in het aanvraagtijdvak van 2 september 2024, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2024, 17.00 uur.

Artikel

2g.2

Subsidieplafond

Het beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie op basis van dit hoofdstuk bedraagt € 5.000.000,–.

Artikel

2g.3

Doel

Artikel

2g.4

Subsidieaanvrager

Subsidie op grond van dit hoofdstuk kan worden aangevraagd door de Sociaal-Economische Raad.

Artikel

2g.5

Subsidieaanvraag

Artikel

2g.6

Projectperiode

Een project in het kader van dit hoofdstuk kan starten vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag en heeft een einddatum die niet later ligt dan 31 december 2028.

Artikel

2g.7

Subsidiabele activiteiten

Artikel

2g.8

Subsidiabele kosten

Artikel

2g.9

Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.12 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    debetrente;

  • b.

    de aankoop van grond, onroerend goed en infrastructuur; en

  • c.

    de aankoop van meubilair, uitrusting en voertuigen, tenzij:

    • 1°.

      die aankoop noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstelling van het project;

    • 2°.

      die goederen volledig worden afgeschreven tijdens het project; of

    • 3°.

      die aankoop de voordeligste optie is.

Artikel

2g.10

Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 1.10 bedraagt de subsidie op grond van dit hoofdstuk maximaal 95% van de subsidiabele kosten.

Artikel

2g.11

Bevoorschotting

Artikel

2g.12

Voortgangsrapportage

Artikel

2g.13

Einddeclaratie

Hoofdstuk

2h

Sociale innovatie voor de arbeidsmarktparticipatie en sociale inclusie van statushouders, Oekraïense ontheemden en arbeidsmigranten

Artikel

2h.1

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden ingediend in het aanvraagtijdvak van 1 juli 2025, 09.00 uur tot en met 9 januari 2026, 17.00 uur.

Artikel

2h.2

Subsidieplafond

Het beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie op basis van dit hoofdstuk bedraagt € 10.000.000.

Artikel

2h.3

Doel

Artikel

2h.4

Subsidieaanvraag

Artikel

2h.5

Projectperiode

Een project in het kader van dit hoofdstuk vindt plaats in de periode vanaf de datum van indiening van de volledige subsidieaanvraag tot en met uiterlijk 30 juni 2028.

Artikel

2h.6

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen uitsluitend activiteiten in aanmerking die bijdragen aan het bevorderen van het doel, bedoeld in artikel 2h.3, en gericht zijn op:

  • a.

    het verkennen, genereren en verder ontwikkelen van ideeën voor het bevorderen van arbeidsmarktparticipatie of sociale inclusie van statushouders, Oekraïense ontheemden of arbeidsmigranten;

  • b.

    het evalueren en eventueel toetsen van een innovatieve aanpak voor het bevorderen van arbeidsmarktparticipatie of sociale inclusie van statushouders, Oekraïense ontheemden of arbeidsmigranten;

  • c.

    het delen van kennis en ervaringen zowel tijdens de onderzoeksfase als over de resultaten voor het bevorderen van arbeidsmarktparticipatie of sociale inclusie van statushouders, Oekraïense ontheemden of arbeidsmigranten; of

  • d.

    het implementeren en opschalen van een innovatieve aanpak voor het bevorderen van arbeidsmarktparticipatie of sociale inclusie van statushouders, Oekraïense ontheemden of arbeidsmigranten.

Artikel

2h.7

Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 1.10 bedraagt de subsidie op grond van dit hoofdstuk maximaal 95% van de subsidiabele kosten.

Artikel

2h.8

Subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.11 zijn de volgende kosten subsidiabel, met dien verstande dat per project op grond van slechts een van de hierna genoemde onderdelen subsidie wordt verstrekt:

  • a.

    een opslag van 40% van de subsidiabele directe loonkosten ter dekking van alle overige kosten, indien enkel directe loonkosten worden gedeclareerd;

  • b.

    een opslag van 7% van de subsidiabele directe kosten ter dekking van de indirecte kosten, of, indien directe loonkosten onderdeel zijn van de gedeclareerde directe kosten, een opslag van 15% van de subsidiabele directe loonkosten ter dekking van de indirecte kosten;

  • c.

    loonkosten en externe kosten van de indirecte activiteiten projectadministratie en coördinatie, tot een maximum van 20% van de subsidiabele kosten.

Artikel

2h.9

Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.12, onderdelen a tot en met e, en g, en in afwijking van artikel 1.12, onderdeel f, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten die worden gefinancierd uit hoofde van een nationaal subsidieprogramma of een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet;

  • b.

    kosten voor verbruiksgoederen;

  • c.

    kosten van door gemeenten ingeschakelde medewerkers waarvoor kosten voor dezelfde periode zijn gedeclareerd binnen een project als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 2g.

Artikel

2h.10

Bevoorschotting

Artikel

2h.11

Voortgangsrapportage en einddeclaratie

Artikel

2h.12

Maximale subsidiebedrag per subsidieaanvrager

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van dit hoofdstuk is per centrumgemeente vastgelegd in bijlage 5 bij deze regeling.

Hoofdstuk

3

Slotartikelen

Artikel

3.1

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF+ 2021–2027.

Artikel

3.2

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten

Bijlage

1

als bedoeld in artikel 1.14

Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken, kopieën of volledig digitale documenten. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    microfiches van originelen;

  • c.

    elektronische versies van originelen;

  • d.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de ESF-administratie waarbij niet ter zake doende persoonsgegevens onherkenbaar of onleesbaar gemaakt zijn.

Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c

De hierboven genoemde bewijsstukken a, b en c zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

  • Alle gegevens worden overgezet;

  • Alle gegevens worden inhoudelijk juist overgezet;

  • Er wordt voor gezorgd dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de gehele bewaartermijn beschikbaar is;

  • De geconverteerde gegevens kunnen binnen redelijke tijd ge(re)produceerd worden en leesbaar worden gemaakt;

  • Er wordt zorg voor gedragen dat de controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd;

  • De subsidieaanvrager borgt tevens de authenticiteit van de geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure.

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de ESF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

De subsidieaanvrager verklaart door middel van het aanvraag-, tussendeclaratie- en einddeclaratieformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de ESF-administratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 1.14 van de ESF+ subsidieregeling 2021–2027 en daarmee aan deze bijlage.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

  • 1.

    Digitale urenadministratie:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

    • a.

      De functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • b.

      De tijdigheid binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • c.

      Vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

    Het is aan de subsidieaanvrager om dit aan te tonen.

  • 2.

    Facturen die digitaal worden verzonden:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de subsidieaanvrager via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals een betaalbewijs) aantonen dat voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de ESF-verantwoording. Artikel 1.14 is onverminderd van toepassing.

Bijlage

2

als bedoeld in artikel 2.8, onderdeel a

Groningen

Groningen

6,54%

€ 981.105

€ 1.962.211

Leeuwarden

Friesland

4,62%

€ 693.300

€ 1.386.601

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,57%

€ 385.000

€ 770.001

Emmen

Drenthe

1,89%

€ 284.087

€ 568.173

Zwolle

Regio Zwolle

2,16%

€ 324.299

€ 648.598

Almere

Flevoland

2,10%

€ 314.501

€ 629.002

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,48%

€ 222.035

€ 444.071

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,68%

€ 252.078

€ 504.156

Enschede

Twente

3,97%

€ 595.129

€ 1.190.259

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,77%

€ 1.616.169

€ 3.232.338

Apeldoorn

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

2,82%

€ 423.316

€ 846.632

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,74%

€ 110.934

€ 221.867

Leiden

Holland Rijnland

1,65%

€ 247.301

€ 494.602

Utrecht

Midden-Utrecht

3,29%

€ 494.132

€ 988.264

Amersfoort

Amersfoort

0,99%

€ 148.018

€ 296.036

Ede

Food Valley

1,12%

€ 167.292

€ 334.585

Doetinchem

Achterhoek

1,00%

€ 150.058

€ 300.115

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,36%

€ 203.734

€ 407.469

Gouda

Midden-Holland

0,71%

€ 107.003

€ 214.007

Den Haag

Haaglanden

7,66%

€ 1.148.636

€ 2.297.272

Arnhem

Midden-Gelderland

3,23%

€ 483.830

€ 967.661

Rotterdam

Rijnmond

13,09%

€ 1.963.958

€ 3.927.917

Tiel

Rivierenland

0,70%

€ 104.788

€ 209.576

Gorinchem

Gorinchem

0,40%

€ 60.730

€ 121.459

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,52%

€ 377.822

€ 755.644

Dordrecht

Drechtsteden

1,72%

€ 257.792

€ 515.584

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,38%

€ 356.973

€ 713.946

Breda

West-Brabant

3,08%

€ 461.579

€ 923.158

Goes

Zeeland

1,66%

€ 248.744

€ 497.487

Tilburg

Midden-Brabant

2,20%

€ 330.024

€ 660.048

Venlo

Noord-Limburg

1,20%

€ 180.282

€ 360.564

Helmond

Helmond-De Peel

1,05%

€ 157.710

€ 315.421

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,09%

€ 313.054

€ 626.108

Roermond

Midden-Limburg

1,00%

€ 149.460

€ 298.920

Heerlen

Zuid-Limburg

4,57%

€ 685.124

€ 1.370.249

Totaal

100,00%

€ 15.000.000

€ 30.000.000

Bijlage

2a

als bedoeld in artikel 2.8, onderdeel b

Doetinchem

Achterhoek

1,08%

€ 329.810

Amersfoort

Amersfoort

1,09%

€ 333.605

Dordrecht

Drechtsteden

1,73%

€ 528.031

Emmen

Drenthe

1,84%

€ 562.323

Almere

Flevoland

2,13%

€ 650.673

Ede

Food Valley

1,19%

€ 361.877

Leeuwarden

Friesland

4,54%

€ 1.383.908

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,81%

€ 246.647

Gorinchem

Gorinchem

0,45%

€ 135.809

Groningen

Groningen

6,27%

€ 1.912.377

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,55%

€ 3.217.189

Den Haag

Haaglanden

7,41%

€ 2.259.435

Helmond

Helmond-De Peel

1,10%

€ 336.873

Leiden

Holland Rijnland

1,78%

€ 543.943

Tilburg

Midden-Brabant

2,31%

€ 703.465

Arnhem

Midden-Gelderland

3,10%

€ 944.647

Gouda

Midden-Holland

0,74%

€ 226.989

Roermond

Midden-Limburg

1,05%

€ 319.667

Utrecht

Midden-Utrecht

3,47%

€ 1.057.641

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,66%

€ 812.350

Venlo

Noord-Limburg

1,25%

€ 380.566

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,48%

€ 757.691

Zwolle

Regio Zwolle

2,28%

€ 696.726

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,45%

€ 746.809

Rotterdam

Rijnmond

12,62%

€ 3.849.420

Tiel

Rivierenland

0,76%

€ 230.776

Enschede

Twente

3,92%

€ 1.196.451

Apeldoorn

Veluwe Stedendriehoek

2,84%

€ 867.034

Breda

West-Brabant

3,15%

€ 959.886

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,50%

€ 456.709

Goes

Zeeland

1,70%

€ 519.134

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,40%

€ 428.018

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,71%

€ 522.688

Heerlen

Zuid-Limburg

4,43%

€ 1.350.975

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,20%

€ 669.860

Totaal

100,00%

€ 30.500.000

Bijlage

3

als bedoeld in artikel 2b.12, eerste lid

Groningen

Groningen

6,54%

€ 2.747.100

Leeuwarden

Friesland

4,62%

€ 1.941.200

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,57%

€ 1.078.000

Emmen

Drenthe

1,89%

€ 795.400

Zwolle

Regio Zwolle

2,16%

€ 908.000

Almere

Flevoland

2,10%

€ 880.600

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,48%

€ 621.700

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,68%

€ 705.800

Enschede

Twente

3,97%

€ 1.666.400

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,77%

€ 4.525.300

Apeldoorn

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

2,82%

€ 1.185.300

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,74%

€ 310.600

Leiden

Holland Rijnland

1,65%

€ 692.400

Utrecht

Midden-Utrecht

3,29%

€ 1.383.600

Amersfoort

Amersfoort

0,99%

€ 414.400

Ede

Food Valley

1,12%

€ 468.400

Doetinchem

Achterhoek

1,00%

€ 420.200

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,36%

€ 570.500

Gouda

Midden-Holland

0,71%

€ 299.600

Den Haag

Haaglanden

7,66%

€ 3.216.200

Arnhem

Midden-Gelderland

3,23%

€ 1.354.700

Rotterdam

Rijnmond

13,09%

€ 5.499.100

Tiel

Rivierenland

0,70%

€ 293.400

Gorinchem

Gorinchem

0,40%

€ 170.000

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,52%

€ 1.057.900

Dordrecht

Drechtsteden

1,72%

€ 721.800

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,38%

€ 999.500

Breda

West-Brabant

3,08%

€ 1.292.400

Goes

Zeeland

1,66%

€ 696.500

Tilburg

Midden-Brabant

2,20%

€ 924.100

Venlo

Noord-Limburg

1,20%

€ 504.800

Helmond

Helmond-De Peel

1,05%

€ 441.600

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,09%

€ 876.600

Roermond

Midden-Limburg

1,00%

€ 418.500

Heerlen

Zuid-Limburg

4,57%

€ 1.918.300

Totaal

100,00%

€ 42.000.000

Bijlage

3a

als bedoeld in artikel 2b.12, tweede lid

Doetinchem

Achterhoek

1,00%

€ 600.230

Amersfoort

Amersfoort

0,99%

€ 592.071

Dordrecht

Drechtsteden

1,72%

€ 1.031.168

Emmen

Drenthe

1,89%

€ 1.136.346

Almere

Flevoland

2,10%

€ 1.258.005

Ede

Food Valley

1,12%

€ 669.170

Leeuwarden

Friesland

4,62%

€ 2.773.201

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,74%

€ 443.735

Gorinchem

Gorinchem

0,40%

€ 242.918

Groningen

Groningen

6,54%

€ 3.924.422

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,77%

€ 6.464.676

Den Haag

Haaglanden

7,66%

€ 4.594.545

Helmond

Helmond-De Peel

1,05%

€ 630.842

Leiden

Holland Rijnland

1,65%

€ 989.205

Tilburg

Midden-Brabant

2,20%

€ 1.320.097

Arnhem

Midden-Gelderland

3,23%

€ 1.935.321

Gouda

Midden-Holland

0,71%

€ 428.013

Roermond

Midden-Limburg

1,00%

€ 597.840

Utrecht

Midden-Utrecht

3,29%

€ 1.976.529

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,57%

€ 1.540.002

Venlo

Noord-Limburg

1,20%

€ 721.128

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,38%

€ 1.427.893

Zwolle

Regio Zwolle

2,16%

€ 1.297.195

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,52%

€ 1.511.288

Rotterdam

Rijnmond

13,09%

€ 7.855.833

Tiel

Rivierenland

0,70%

€ 419.151

Apeldoorn

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

2,82%

€ 1.693.263

Enschede

Twente

3,97%

€ 2.380.518

Breda

West-Brabant

3,08%

€ 1.846.316

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,48%

€ 888.142

Goes

Zeeland

1,66%

€ 994.974

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,36%

€ 814.938

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,68%

€ 1.008.312

Heerlen

Zuid-Limburg

4,57%

€ 2.740.497

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,09%

€ 1.252.216

Totaal

€ 60.000.000

Bijlage

3b

als bedoeld in artikel 2b.12, derde lid

Doetinchem

Achterhoek

1,08%

€ 443.351

Amersfoort

Amersfoort

1,09%

€ 448.452

Dordrecht

Drechtsteden

1,73%

€ 709.812

Emmen

Drenthe

1,84%

€ 755.910

Almere

Flevoland

2,13%

€ 874.675

Ede

Food Valley

1,19%

€ 486.457

Leeuwarden

Friesland

4,54%

€ 1.860.335

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,81%

€ 331.558

Gorinchem

Gorinchem

0,45%

€ 182.563

Groningen

Groningen

6,27%

€ 2.570.736

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,55%

€ 4.324.746

Den Haag

Haaglanden

7,41%

€ 3.037.273

Helmond

Helmond-De Peel

1,10%

€ 452.846

Leiden

Holland Rijnland

1,78%

€ 731.202

Tilburg

Midden-Brabant

2,31%

€ 945.642

Arnhem

Midden-Gelderland

3,10%

€ 1.269.854

Gouda

Midden-Holland

0,74%

€ 305.133

Roermond

Midden-Limburg

1,05%

€ 429.716

Utrecht

Midden-Utrecht

3,47%

€ 1.421.747

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,66%

€ 1.092.011

Venlo

Noord-Limburg

1,25%

€ 511.581

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,48%

€ 1.018.535

Zwolle

Regio Zwolle

2,28%

€ 936.582

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,45%

€ 1.003.908

Rotterdam

Rijnmond

12,62%

€ 5.174.630

Tiel

Rivierenland

0,76%

€ 310.224

Enschede

Twente

3,92%

€ 1.608.344

Apeldoorn

Veluwe Stedendriehoek

2,84%

€ 1.165.522

Breda

West-Brabant

3,15%

€ 1.290.338

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,50%

€ 613.936

Goes

Zeeland

1,70%

€ 697.852

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,40%

€ 575.368

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,71%

€ 702.630

Heerlen

Zuid-Limburg

4,43%

€ 1.816.064

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,20%

€ 900.468

Totaal

100%

€ 41.000.000

Bijlage

4

als bedoeld in artikel 2d.13, onderdeel a

Doetinchem

Achterhoek

1,00%

€ 175.067

Amersfoort

Amersfoort

0,99%

€ 172.687

Dordrecht

Drechtsteden

1,72%

€ 300.757

Emmen

Drenthe

1,89%

€ 331.434

Almere

Flevoland

2,10%

€ 366.918

Ede

Food Valley

1,12%

€ 195.175

Leeuwarden

Friesland

4,62%

€ 808.850

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,74%

€ 129.423

Gorinchem

Gorinchem

0,40%

€ 70.851

Groningen

Groningen

6,54%

€ 1.144.623

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,77%

€ 1.885.530

Den Haag

Haaglanden

7,66%

€ 1.340.076

Helmond

Helmond-De Peel

1,05%

€ 183.996

Leiden

Holland Rijnland

1,65%

€ 288.518

Tilburg

Midden-Brabant

2,20%

€ 385.028

Arnhem

Midden-Gelderland

3,23%

€ 564.469

Gouda

Midden-Holland

0,71%

€ 124.837

Roermond

Midden-Limburg

1,00%

€ 174.370

Utrecht

Midden-Utrecht

3,29%

€ 576.488

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,57%

€ 449.167

Venlo

Noord-Limburg

1,20%

€ 210.329

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,38%

€ 416.469

Zwolle

Regio Zwolle

2,16%

€ 378.349

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,52%

€ 440.792

Rotterdam

Rijnmond

13,09%

€ 2.291.285

Tiel

Rivierenland

0,70%

€ 122.252

Apeldoorn

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

2,82%

€ 493.868

Enschede

Twente

3,97%

€ 694.318

Breda

West-Brabant

3,08%

€ 538.509

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,48%

€ 259.041

Goes

Zeeland

1,66%

€ 290.201

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,36%

€ 237.690

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,68%

€ 294.091

Heerlen

Zuid-Limburg

4,57%

€ 799.312

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,09%

€ 365.230

Totaal

€ 17.500.000

Bijlage

4a

als bedoeld in artikel 2d.13, onderdeel b

Doetinchem

Achterhoek

1,08%

€ 205.996

Amersfoort

Amersfoort

1,09%

€ 208.366

Dordrecht

Drechtsteden

1,73%

€ 329.803

Emmen

Drenthe

1,84%

€ 351.222

Almere

Flevoland

2,13%

€ 406.404

Ede

Food Valley

1,19%

€ 226.025

Leeuwarden

Friesland

4,54%

€ 864.375

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,81%

€ 154.053

Gorinchem

Gorinchem

0,45%

€ 84.825

Groningen

Groningen

6,27%

€ 1.194.452

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,55%

€ 2.009.425

Den Haag

Haaglanden

7,41%

€ 1.411.221

Helmond

Helmond-De Peel

1,10%

€ 210.408

Leiden

Holland Rijnland

1,78%

€ 339.741

Tilburg

Midden-Brabant

2,31%

€ 439.378

Arnhem

Midden-Gelderland

3,10%

€ 590.018

Gouda

Midden-Holland

0,74%

€ 141.775

Roermond

Midden-Limburg

1,05%

€ 199.661

Utrecht

Midden-Utrecht

3,47%

€ 660.592

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,66%

€ 507.386

Venlo

Noord-Limburg

1,25%

€ 237.698

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,48%

€ 473.246

Zwolle

Regio Zwolle

2,28%

€ 435.168

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,45%

€ 466.450

Rotterdam

Rijnmond

12,62%

€ 2.404.310

Tiel

Rivierenland

0,76%

€ 144.140

Enschede

Twente

3,92%

€ 747.291

Apeldoorn

Veluwe Stedendriehoek

2,84%

€ 541.541

Breda

West-Brabant

3,15%

€ 599.535

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,50%

€ 285.256

Goes

Zeeland

1,70%

€ 324.246

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,40%

€ 267.336

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,71%

€ 326.466

Heerlen

Zuid-Limburg

4,43%

€ 843.806

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,20%

€ 418.388

Totaal

100,00%

€ 19.050.000

Bijlage

5

als bedoeld in artikel 2h.12

Doetinchem

Achterhoek

1,08%

€ 170.287

1,70%

Amersfoort

Amersfoort

1,09%

€ 171.096

1,71%

Dordrecht

Drechtsteden

1,73%

€ 212.531

2,13%

Emmen

Drenthe

1,84%

€ 219.839

2,20%

Almere

Flevoland

2,13%

€ 238.668

2,39%

Ede

Food Valley

1,19%

€ 177.121

1,77%

Leeuwarden

Friesland

4,54%

€ 394.931

3,95%

Hilversum

Gooi en Vechtstreek

0,81%

€ 152.564

1,53%

Gorinchem

Gorinchem

0,45%

€ 128.943

1,29%

Groningen

Groningen

6,27%

€ 507.556

5,08%

Amsterdam

Groot Amsterdam

10,55%

€ 785.630

7,86%

Den Haag

Haaglanden

7,41%

€ 581.519

5,82%

Helmond

Helmond-De Peel

1,10%

€ 171.793

1,72%

Leiden

Holland Rijnland

1,78%

€ 215.922

2,16%

Tilburg

Midden-Brabant

2,31%

€ 249.919

2,50%

Arnhem

Midden-Gelderland

3,10%

€ 301.318

3,01%

Gouda

Midden-Holland

0,74%

€ 148.375

1,48%

Roermond

Midden-Limburg

1,05%

€ 168.126

1,68%

Utrecht

Midden-Utrecht

3,47%

€ 325.399

3,25%

Alkmaar

Noord-Holland Noord

2,66%

€ 273.124

2,73%

Venlo

Noord-Limburg

1,25%

€ 181.104

1,81%

Den Bosch

Noordoost-Brabant

2,48%

€ 261.475

2,61%

Zwolle

Regio Zwolle

2,28%

€ 248.483

2,48%

Nijmegen

Rijk van Nijmegen

2,45%

€ 259.156

2,59%

Rotterdam

Rijnmond

12,62%

€ 920.368

9,20%

Tiel

Rivierenland

0,76%

€ 149.182

1,49%

Apeldoorn

Stedendriehoek en Noordwest Veluwe

2,84%

€ 284.778

2,85%

Enschede

Twente

3,92%

€ 354.981

3,55%

Breda

West-Brabant

3,15%

€ 304.566

3,05%

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

1,50%

€ 197.331

1,97%

Goes

Zeeland

1,70%

€ 210.635

2,11%

Zoetermeer

Zuid-Holland Centraal

1,40%

€ 191.217

1,91%

Haarlem

Zuid-Kennemerland en IJmond

1,71%

€ 211.393

2,11%

Heerlen

Zuid-Limburg

4,43%

€ 387.913

3,88%

Eindhoven

Zuidoost-Brabant

2,20%

€ 242.757

2,43%

Totaal

€ 10.000.000