Artikel
1
1
Van evidente staatloosheid als bedoeld in artikel 5 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid is sprake indien de gesteld staatloze:
-
a.
beschikt over een document waaruit de vaststelling van staatloosheid blijkt, verstrekt door een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen;
-
b.
een in Nederland geboren kind is van ouders die staatloos zijn en beschikt over een geboorteakte in de zin van artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen;
-
c.
een in Nederland geboren kind is wiens vader staatloos is en wiens moeder uitsluitend de nationaliteit heeft van een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen, en beschikt over een geboorteakte in de zin van artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen;
-
d.
een in Nederland geboren kind is dat geen vader heeft in de zin van artikel 199 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en wiens moeder staatloos is of uitsluitend de nationaliteit heeft van een land dat bij ministeriële regeling is aangewezen, en beschikt over een geboorteakte in de zin van artikel 2.3 van de Wet basisregistratie personen;
-
e.
louter de nationaliteit bezit van een staat die door Nederland niet wordt erkend.