Artikel
1
1
Indien gedurende het beroep of het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ziet de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties af van de mogelijkheid om een reactie te geven of het voeren van schriftelijk of mondeling verweer.
2
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
-
a.
gelet op de duur van de overschrijding van de redelijke termijn, of gelet op het aantal partijen, met een forfaitaire toekenning naar verwachting in totaal een immateriële schadevergoeding van meer dan € 2.000,– in geval van één partij, of € 5.000,– in geval van meerdere partijen die afzonderlijk in aanmerking komen voor een immateriële schadevergoeding, zal worden toegekend; of
-
b.
belangrijke nieuwe rechtsvragen ten aanzien van de toekenning van immateriële schadevergoeding aan de orde zijn.
3
Deze beleidsregel ziet niet op zaken waarin door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hoger beroep is ingesteld tegen een in eerste aanleg gegeven beslissing op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter.